Sofie Synnesael
Printvriendelijke versie
Tags 

De gevolgen van het falende vredesakkoord tussen Ethiopië en Eritrea

In 1998 brak een zware oorlog uit tussen Ethiopië en Eritrea, die in 2000 na intensieve vredesbesprekingen via het Algiers-akkoord beëindigd werd. Tien jaar later heerst er een 'gewapende vrede', met zware gevolgen voor de landen zelf en voor de regionale en internationale verhoudingen.

Het Ethiopisch-Eritrees conflict (1998-2000)

Het conflict zelf had zijn oorsprong in de Eritrese onafhankelijkheid, die de Eritreeërs in 1991 na een dertigjarige oorlog wisten te veroveren. De Eritrese onafhankelijkheidsstrijd werd door de Ethiopische oppositie gesteund, die zo een einde aan het Ethiopische Mengistu-regime probeerde maken. De actie was succesvol en Meles Zenawi werd de nieuwe Ethiopische leider. Als beloning schonk hij zijn vroegere bondgenoot, Isaias Afewerki, de Eritrese onafhankelijkheid. Aanvankelijk waren de relaties tussen de landen optimaal, maar in de loop der jaren verzuurden die op verschillende vlakken.

Op economisch vlak wilden zowel Eritrea als Tigray (provincie in het noorden van Ethiopië) van Ethiopische grondstoffen en arbeidskrachten gebruikmaken om de eigen economie te ontwikkelen, wat een meedogenloze concurrentiestrijd tot gevolg had. Verder eiste Eritrea ook dat Ethiopië zou betalen (in dollars) voor het gebruik van de Eritrese havens. Tenslotte introduceerde Eritrea een eigen munt, waardoor de gezamenlijke muntunie tussen de buurlanden instortte en de handelsrelaties verstoord werden.

Op politiek vlak bleef de Ethiopische president Zenawi van een Groot-Ethiopië dromen, dat ook Eritrea zou omvatten. In de hoop de Eritreeërs welwillender te maken voor een politieke samenwerking sloot Zenawi in 1993 een aantal economische akkoorden af met Eritrea die in het voordeel van het land uitvielen. President Afewerki interpreteerde de economische samenwerking echter als een beloning voor de onafhankelijkheidsstrijd die Eritrea gevoerd had en hij wou die in de toekomst zeker niet opnieuw opgeven. De niet-afgebakende grens en de nationaliteit van de grensbewoners zorgde ook voor problemen, omdat men niet wist waar de Ethiopische jurisdictie stopte en waar de Eritrese begon. Vooral rond het grensdorp Badme liepen de spanningen op. Het was ook daar dat de oorlog in 1998 losbarstte nadat een Ethiopische militie een Eritrese patrouille-eenheid onder vuur nam. Hierop bezette Eritrea een aantal Ethiopische grensdorpen, waarna Zenawi de oorlog aan Eritrea verklaarde. Tweeënhalf jaar later beëindigde de ondertekening van het Algiers-akkoord de oorlog. Het conflict kostte het leven aan 80.000 à 100.000 mensen, deed 1 miljoen anderen op de vlucht slaan en bracht zware mensenrechtenschendingen met zich mee.

In het vredesakkoord werd afgesproken dat beide partijen zich uit de vijandige gebieden zouden terugtrekken, dat er een bufferzone tussen de strijdende partijen zou ingesteld worden en dat er een grenscommissie opgericht zou worden die een grensafbakening moest vastleggen. Ethiopië en Eritrea beloofden op voorhand dat ze de beslissing van de commissie als bindende en finaal zouden beschouwen.

In haar eindrapport uit 2002 kende de grenscommissie Badme en een deel van de Tigrayprovincie, de thuisbasis van verschillende Ethiopische gezaghebbers, aan Eritrea toe. Ethiopië verwierp die uitspraak en tekende beroep aan, maar dat werd afgewezen. Eritrea eiste intussen dat de grens, volgens de beslissing van de grenscommissie, afgebakend werd. Omdat geen van beiden bereid waren toegevingen te doen, liep de situatie rond 2003 vast. Vandaag bevindt men zich nog altijd in deze impasse.

Nationale gevolgen van het falende vredesakkoord

De situatie is nefast voor de politieke en socio-economische ontwikkeling van Ethiopië en Eritrea. De grensproblemen deden de macht van zowel Zenawi als Afewerki afnemen, wat ze beiden probeerden tegen te gaan door zich steeds autoritairder op te stellen en een aantal hervormingen terug te schroeven. Protest daartegen wordt neergeslagen onder het mom van het bewaren van de eenheid in tijden van conflict.

In Ethiopië werkte Zenawi een staatsstructuur uit die zijn partij, de 'Ethiopian People’s Revolutionary Democratic Front' (EPRDF), bevoordeelde. Hierdoor wonnen het EPRDF en zijn gelieerde partners elke verkiezing die sinds 1992 gehouden werd. De overwinning werd nog vergemakkelijkt doordat de oppositie, uit protest, niet deelnam aan de verkiezingen. Sinds 2000 neemt de oppositie wel deel aan de verkiezingen en vanaf dan ziet men een daling in het aantal stemmen voor Zenawi en zijn partners. De verkiezingen van 2005 werden naar alle waarschijnlijkheid door de oppositie gewonnen, maar de regeringspartij belemmerde het kiesproces toen ze besefte dat ze op een nederlaag afstevende. Het telproces werd stilgelegd, de neutrale waarnemers werden het land uitgezet en de partij ging zelf over tot het tellen van de stemmen, waarna Zenawi tot winnaar werd uitgeroepen. Ook in de aanloop naar de verkiezingen vonden onregelmatigheden plaats. Oppositieleden werden lastiggevallen en er werd een kiescommissie en een kieswet opgesteld die in het voordeel van de leidende partij werkten. De bekendmaking van de uitslag leidde tot massaal verkiezingsgeweld waarbij 200 mensen omkwamen. Duizenden anderen werden opgepakt. Sindsdien kwam het al geregeld tot rellen in Ethiopië. In mei dit jaar vonden de laatste verkiezingen plaats en de definitieve uitslag wordt op 21 juni verwacht [het tijdstip waarop dit tijdschrift naar de drukker gaat].Het is afwachten of de bekendmaking van de uitslag opnieuw tot geweld zal leiden. Een ding is duidelijk: de huidige situatie vertoont gelijkenissen met die van 2005. Ook nu riep Zenawi zichzelf uit als winnaar voordat alle stemmen geteld zijn en ook nu klaagt de oppositie over intimidatie en onregelmatigheden. Sinds de jaren negentig is ook het gewapend verzet tegen president Zenawi toegenomen. Vooral het 'Ogaden National Liberation Front' (ONLF) en het 'Oromo Liberation Front' (OLF) vormen een bedreiging. Toen de dreiging te groot werd, stuurde Zenawi het leger naar de opstandige regio’s. Duizenden burgers sneuvelden bij die acties en de kamelenkuddes van de bevolking werden uitgemoord zodat de regio tot hongersnood veroordeeld werd. Dit conflict sleept nog steeds aan en sommige auteurs omschrijven het als een tweede Darfoer.

In Eritrea is de situatie nog erger. Daar werden sinds 1991 geen verkiezingen meer gehouden en ook de grondwet uit 1997, die de interim-grondwet moest vervangen, is nog niet in werking getreden. Hierdoor kon president Afewerki zijn eigen macht steeds verder uitbreiden. Elke belangrijke beslissing of benoeming loopt via hem en 62 procent van de wetten wordt door hem gemaakt. Het parlement en het gerecht hebben niets te zeggen, evenmin als de bevolking die haar basisrechten verloor toen Afewerki in 1998 de noodtoestand uitriep. In 2001 kwamen een aantal van Afewerki’s partijgenoten in opstand tegen zijn beleid, maar hij reageerde furieus. De opstandelingen werden gearresteerd, de vrije pers werd verboden en kritische stemmen werden in ballingschap gedwongen. Dit alles betekende de doodsteek voor de Eritrese oppositie.

Intussen ontstonden er in het buitenland en in Ethiopië nieuwe Eritrese oppositiebewegingen, maar de bevolking in Eritrea zelf moet niets van hen weten omdat ze met Ethiopië samenwerken. Verder ontstonden er in de jaren negentig ook enkele gewapende verzetsgroepen, maar ze verwierven nooit zoveel invloed als de bewegingen in Ethiopië.

Het ironische is dat de Ethiopische oppositiebewegingen overleven met steun van de Eritrese regering, terwijl de Eritrese bewegingen van geld en steun uit Ethiopië afhankelijk zijn.

De oorlog en de problemen met het vredesakkoord hadden ook economische gevolgen. Zo raakte Eritrea door de oorlog regionaal geïsoleerd. Het conflict zorgde er immers voor dat Ethiopië niet langer van de Eritrese havens, Assab en Massawa, gebruikmaakte om zijn goederen te exporteren. Dat betekende een verlies aan inkomen voor Eritrea van ongeveer 160 miljoen dollar per jaar. Enkele jaren geleden ondernam de Eritrese overheid een poging om Massawa te doen heropleven, maar het project is tot nu toe onsuccesvol. Veel bedrijven verkiezen de havens in de buurlanden omdat die beter uitgerust zijn. Daarnaast verhindert de rivaliteit met Ethiopië een gunstig ondernemingsklimaat. De uitgaven van de Eritrese overheid blijven ondertussen oplopen omdat ze nog steeds enorme bedragen aan wapens besteed en omdat het land de voorbije jaren verschillende keren door misoogsten en droogte getroffen werd. Het land heeft er dan ook alle belang bij dat de banden met Ethiopië hersteld worden, zodat de handel tussen de beide buurlanden hervat kan worden.

Ethiopië herstelde zich op economisch vlak relatief goed van de oorlog. Een groot deel van de export werd naar de havens van Djibouti, Soedan en Kenia omgeleid. Dat bracht een kost van ongeveer 28.7 miljoen dollar met zich mee, maar zorgde er tegelijkertijd voor dat Ethiopië inkomsten bleef ontvangen. De laatste jaren kende het land ook enorme groeicijfers. Voor 2010 wordt zelfs een groei van 7 procent verwacht. Ook de investeringen in de industrie en de koffieteelt kenden een boost. Toch blijven ook daar de militaire uitgaven hoog en moet de overheid veel investeren als gevolg van droogte en honger.

Regionale gevolgen van het falende vredesakkoord

In hun pogingen elkaar schaakmat te zetten, ondernamen Ethiopië en Eritrea soms acties die hun buurlanden bij hun conflict betrokken. Zenawi en Afewerki hoopten zo elkaars legers te verzwakken zodat de eigen troepen bij een heropflakkering van het Ethiopisch-Eritrees conflict over de beste uitgangspositie zou beschikken. De regionale inmenging was vooral duidelijk in Soedan en Somalië.

Ethiopië speelde geen belangrijke rol in Soedan, terwijl Eritrea zich zowel in het Noord-Zuid-conflict als in het Darfoer-conflict aan de kant van de rebellen schaarde. Dat was een klap voor de Soedanese regering die altijd een goede band met Eritreeërs onderhouden had. Zo was Soedan het belangrijkste toevluchtsoord voor de Eritrese rebellen tijdens de onafhankelijkheidsoorlog (1961-1991) tegen Ethiopië. Zonder dit steunpunt zou de Eritrese oppositie waarschijnlijk onder de Ethiopische druk bezweken zijn. De goede relatie veranderde na de machtsovername in Soedan door al-Bashir in 1989 en de Eritrese onafhankelijkheid in 1991. Afewerki werd bang dat het islamitische regime in Soedan een regionale 'arabisering' voorstond en om dat te verhinderen zocht hij toenadering tot verschillende dissidente Soedanese bewegingen, waarvan de 'Sudanese People’s Liberation Army/Movement' (SPLA/M) de belangrijkste was. Hij bood de Soedanese rebellen een toevluchtsoord aan. Verder trad Eritrea, samen met Ethiopië en Oeganda, toe tot een Amerikaanse anti-Soedancoalitie die Soedan internationaal moest isoleren. De Ethiopisch-Eritrese oorlog blies deze coalitie op, waarna Eritrea opnieuw toenadering zocht tot Soedan. Maar de relatie tussen Eritrea en Soedan bleef hoogtes en laagtes vertonen. Pas na de ondertekening van het 'Comprehensive Peace Agreement' in 2005, dat het Noord-Zuid-conflict in Soedan beëindigde, normaliseerde de relatie tussen Eritrea en Soedan opnieuw. In dat vredesakkoord werd afgesproken dat er in 2011 in het zuiden van Soedan een referendum gehouden zal worden waarin de bevolking zich over een eventuele afscheuring kan uitspreken. Dat laatste creëerde opnieuw spanningen tussen Ethiopië en Eritrea. Aanvankelijk waren beide landen voorstander van een Soedanese deling omdat die de beste garantie tegen een regionale arabisering bood. Maar Eritrea veranderde van mening en is nu voorstander van een eengemaakt Soedan. Daarbij verwijst het naar de ideeën van Garang, de voormalige leider van de SPLA/M, die voor een eengemaakt Soedan was. Verschillende analisten gaan er echter vanuit dat Eritrea van gedachten veranderde om Ethiopië te ergeren. Het referendum in 2011 zou dus niet alleen het conflict in Soedan, maar ook dat tussen Ethiopië en Eritrea opnieuw kunnen aanwakkeren.

De politieke situatie in Somalië zorgt voor een duidelijker polarisatie tussen Ethiopië en Eritrea, waar Ethiopië aan de zijde van de internationaal erkende regering (TFG) staat, terwijl Eritrea de kant van de Unie van Islamitische Rechtbanken koos. De Ethiopische bemoeienis in Somalië is oud, maar nam in de jaren negentig toe omdat Ethiopië bang was dat Somalië zou islamiseren, wat de positie van het christelijke Ethiopië zou ondermijnen. Verder wou Ethiopië verhinderen dat de onrust in Somalië de Somalische bevolkingsgroepen in Ethiopië tot verzet en geweld zouden aanzetten. De bemoeienis bleef aanvankelijk beperkt tot gewapende opstootjes, dreigende taal en verzet tegen de benoeming van religieuze personen. De Ethiopische president Zenawi sloot hiervoor een alliantie met een aantal Somalische krijgsheren af. Eritrea begin zich pas met Somalië te moeien vanaf 1998. Het schaarde zich aan de zijde van de islamitische rechtbanken en voorzag ze van wapens, militaire adviseurs en soldaten. Eritrea hoopte zo de Ethiopische troepenconcentraties aan de gemeenschappelijke grens te verminderen en het Ethiopisch leger in Somalië bezig te houden zodat het zelf een kans kreeg om de grensgebieden te heroveren. Midden 2006 kwam het tot een oorlog tussen de TFG en de Islamitische Rechtbanken in Mogadishu, waarna Ethiopië zijn steun aan de internationaal erkende regering opdreef. Zenawi stuurde troepen naar Somalië en die slaagden erin de TFG, die door de rechtbanken naar de Somalische stad Baidoa verdreven was, opnieuw in de hoofdstad Mogadishu te installeren. Dit creëerde echter geen rust. De onveiligheid en de rebellie namen toe en de Ethiopische operaties hadden enorme verwoestingen en een massale ontheemding tot gevolg. Een aantal leiders van de Islamitische Rechtbanken vluchtten na hun verdrijving naar de Eritrese hoofdstad Asmara, waar ze samen met andere tegenstanders van de TFG de 'Alliance for the Re-Liberation of Somalia' (ARS) oprichtten. De meer radicale leden van de Unie van Islamitische Rechtbanken bleven in Somalië en wakkerden het verzet tegen de Ethiopische inval aan. Eind 2007 kwam het tot een verzoening tussen de ARS en de TFG, waardoor een deel van de Unie van Rechtbanken met de TFG (en dus met Ethiopië) begon samen te werken. Hierna voerden de radicale leden van de Unie van Islamitische Rechtbanken hun strijd verder op en midden 2008 heroverden ze verschillende steden op de TFG. De opstand en het protest van een deel van de Somalische regering tegen de Ethiopische bemoeienissen zorgde ervoor dat Ethiopië in 2009 zijn troepen uit Somalië terugtrok. Vandaag is Somalië verdeeld tussen de gematigde en de radicale Rechtbanken. Die gematigde Rechtbanken worden door de TFG en Ethiopië gesteund, maar verliezen steeds meer macht aan de radicale Rechtbanken die door Eritrea en verschillende radicale organisaties gesteund worden. De chaos verspreidde zich intussen ook naar de zee waar 'piraten' actief zijn. Zowel de Ethiopische als de Eritrese regeringen worden ervan verdacht de rebellen op zee te bewapenen en te bevoorraden.

Ook met Djibouti en Kenia hebben problemen met respectievelijk Eritrea en Ethiopië. De afgelopen jaren kwam het geregeld tot dodelijke botsingen tussen Djibouti en Eritrea. Djibouti beschuldigde Eritrea meermaals van grensoverschrijdingen en van de bezetting van een deel van zijn grondgebied. Eritrea ontkent, maar waarnemers geloven Djibouti en gaan ervan uit dat Eritrea zijn stellingen aan het innemen is voor het geval het tot een hernieuwd conflict met Ethiopië zou komen. De Ethiopische interne strijd tegen het oppositionele Oromo Liberation Front deed de relaties tussen Ethiopië en Kenia dan weer bekoelen, aangezien Ethiopië zijn achtervolgingen op OLF-verdachten tot in Kenia voortzette en daarbij sneuvelden vaak Keniaanse voorbijgangers.

De internationale gevolgen van het falende vredesakkoord

Ethiopië en Eritrea zochten beiden naar waardevolle internationale bondgenoten om zwaarder te kunnen wegen in hun onderling conflict. Dit vertaalde zich in een deelname aan de globale 'oorlog tegen het terrorisme' (War on Terror). Eritrea hoopte het regionale isolement waar het na de oorlog met Ethiopië in terechtgekomen was te doorbreken, terwijl Ethiopië zijn macht in de regio wou versterken. Beiden stonden achter de inval in Irak en steunden de antiterreuractiviteiten van de VS in de Hoorn. Ondanks de deelname aan de Amerikaanse anti-terreuroorlog bleef Eritrea de Islamitische Rechtbanken in Somalië en de rebellenbewegingen in Soedan steunen, beiden toch op de zwarte lijst van de VS. Tijdens de tweede ambtstermijn van Bush verzuurden de relaties tussen de VS en Eritrea omdat Washington na de Ethiopische invasie in Somalië, toenadering zocht tot Ethiopië. Eritrea dreef daarop de steun aan de islamitische groeperingen in Somalië op en werd hiervoor zelf van terrorisme beschuldigd. In 2007 leek het er op dat Eritrea op de Amerikaanse lijst van terrorismesponsors gezet zou worden, wat zware economische sancties en beperkingen tot gevolg zou hebben. Uiteindelijk werd daar van afgezien omdat Eritrea daarna waarschijnlijk nog moeilijker tot gehoorzaamheid gedwongen zou kunnen worden. In 2008 legde de VS wel een wapenembargo op aan Eritrea. Intussen hebben ook de Europese Unie en de VN een soortgelijk embargo aangenomen. Tot op de dag van vandaag zijn de relaties tussen de VS en Eritrea vertroebeld. Ethiopië maakte daar gebruik van om zijn eigen relaties met de VS te versterken. De Ethiopische steun voor de anti-terreuractiviteiten en de inval in Somalië van 2006 zorgden ervoor dat Amerika president Zenawi's imago van mensenrechtenschender (opgelopen na het verkiezingsgeweld van 2005) vergat. Ethiopië werd de uitverkozen bondgenoot van de VS in de Hoorn, en geniet in die hoedanigheid van Amerikaanse financiële steun. Van deze bevoorrechte positie maakte Ethiopië trouwens gretig gebruik om alvast te beginnen lobbyen voor het geval dat de onderhandelingen over het gefaalde vredesproces zouden opstarten of het conflict met Eritrea opnieuw zou oplaaien.

De bovenstaande problemen zijn met elkaar vertakt en bemoeilijken de oplossing van de afzonderlijke conflicten. Enkel een regionale aanpak kan verhinderen dat de Hoorn een verloren gebied wordt.

Bronnen:

Boroda, H. (december, 2009). Le spectre de la sécession. Afrique Asie.

Connell, D. (2009). Eritrea and the United States: The ‘war on terror’ and the Horn of Africa.

De Schepper, P. (2005). De rol van de VN in Darfur: een politieke analyse van een "etnisch" conflict en de vredesbemiddeling van de Verenigde Naties.

Gobbers, E. (2009). Het merkwaardig verbond tussen Eritrea en Al-Shabaab. MOMagazine.

Healy, S. (2008). Lost opportunities in the Horn of Africa: how conflicts connect and peace agreements unravel.

Healy, S. & Plaut, M. (2007). Ethiopia and Eritrea: Allergic to persuasion.

International Crisis Group (2008). Conflict history: Sudan.

Lyons, T. (2006). Avoiding conflict in the Horn of Afica: U.S. policy toward Ethiopia and Eritrea.

Prendergast, J. & Thomas-Jensen, C. (2007). Blowing the Horn. Foreign Affairs.

Zeleké, M. (maart, 2008). Dans le bourbier somalien. Afrique Asie.

Zeleké, M. (november 2008). Déstabilisation généralisée. Afrique Asie.

Zeleké, M. (januari, 2009). Addis-Abeba à tribord, pirates à bâbord. Afrique Asie.

steun ons

© 2021 vrede vzw - website by