Artikel
Soetkin Van Muylem
Printvriendelijke versie
Europa is niet immuun voor landroof
Foto: Eric Gaba

Europa is niet immuun voor landroof

Het globale fenomeen dat gekend staat als 'land grabbing' (landroof) wordt doorgaans geassocieerd met het mondiale Zuiden. Uit bestaande rapporten kan men afleiden dat het fenomeen zich concentreert in Afrika. De belangrijkste 'land grabbers' zouden Chinese, Indische en Zuid-Koreaanse bedrijven en de Golfstaten zijn. Veel sociale bewegingen en NGO's voeren bewustmakingscampagnes en acties op basis van deze veronderstellingen. Landgrabbing beperkt zich echter helemaal niet tot de ontwikkelende landen, net zomin als de landgrabbers altijd te vinden zijn onder de gebruikelijke verdachten. Een nieuwe, grondige studie van het Transnational Institute (TNI), de Europese Coördinatie Via Campesina (ECVC) en 'Hands off the Land' doorprikt de veronderstellingen die het fenomeen landroof doorgaans omringen. Dit is een samenvatting van deze interessante studie. 

De recente studie van het TNI dwingt ons om de manier waarop we denken over het hedendaagse fenomeen landroof op drie fundamentele vlakken te wijzigen. Ten eerste is landroof niet de enige belangrijke aan grond gerelateerde kwestie in de wereld. De aanhoudende trend van de concentratie van grond in de handen van alsmaar minder holdings is even significant en problematisch. Ten tweede komen landconcentratie en landroof niet alleen voor in ontwikkelende landen in het Zuiden, maar zijn het ook huidige waarneembare trends in Europa. Ten derde toont de studie aan dat het verzet van de bevolking tegen zowel landconcentratie als landroof zich ook in Europa aan het ontwikkelen is. Een echt transnationaal perspectief op de politieke strijd tegen deze twee fenomenen is dus zeker gerechtvaardigd en zelfs noodzakelijk.

Landconcentratie

In Europa is momenteel een enorme en snelle concentratie van land aan de gang. Dit proces heeft een ongunstige invloed op de levens en het levensonderhoud van miljoenen kleinschalige landbouwers en agrarische arbeiders. In verschillende Europese staten is de graad van op land gebaseerde ongelijkheid zelfs te vergelijken met landen uit het mondiale Zuiden die berucht zijn voor hun ongelijke verdeling van zowel het grondbezit  als de rijkdom gerelateerd aan grond. Vandaag worden in Europa tienduizenden kleine boeren per jaar uit de agrarische sector gedwongen, terwijl grootschalige boerderijen en agro-bedrijven hun bereik vliegensvlug en op grote schaal uitbreiden. Dezelfde logica van kapitaalsaccumulatie die de drijvende kracht vormt achter de mondiale landroof, ligt ook aan de basis van de landconcentratie-processen in Europa. De waarde van land wordt namelijk opgewaardeerd in het licht van de meervoudige crisissen rond voedsel, energie, klimaat en financiën die momenteel heersen. Twee Europese processen versterken de concentratie van land nog meer. Enerzijds is er de privatiseringsgolf van de gronden in de voormalige socialistische landen. Anderzijds is er het Europese landbouwsubsidiebeleid, de 'Common Agricultural Policy' (CAP), die financiële ondersteuning rechtstreeks koppelt aan de productie, zo hebben landbouwbedrijven bijvoorbeeld recht op een subsidie per hectare landbouwgrond die in hun bezit is. Dit kan een belangrijke stimulans vormen voor welgestelde landbouwers, agro-bedrijven en andere speculanten om meer en meer land te accumuleren. Men stelt dan ook vast dat het proces van landconcentratie binnen de EU samenvalt met de concentratie van CAP-subsidies in de handen van minder en grotere landbouwondernemingen. Anders gezegd het bestaan van het CAP-subsidiesysteem zorgt er voor dat elk jaar tienduizenden kleine landbouwers de boeken moeten sluiten. Landconcentratie is niet nieuw in Europa maar vandaag blijkt het onder invloed van verschillende nieuwe processen crucialer te worden en moet het gezien worden als een van de meest strategische ontwikkelingskwesties waar de Europese regio en bevolking mee geconfronteerd worden. 

Landroof

Land grabbing of landroof in Europa is een probleem dat in de media, de NGO-rapportering en de academische literatuur grotendeels onzichtbaar blijft. Met landroof wordt hier in de eerste plaats het verwerven van de controle over grote stukken land bedoeld. Het gaat ook over een accumulatie van grondbezit die drastisch breekt met de familielandbouw en de daarmee geassocieerde omvang van de percelen, die de Europese landbouw kenmerken. Hoewel er in Europa specifieke plaatsen zijn waar er historisch gezien altijd grote landbouwbedrijven bestaan hebben (zoals bv. Andalusië in Spanje of Mezzogiorno in Italië) zijn we vandaag getuige van een vernieuwde toename van zeer grote landbouwondernemingen, iets waarvoor de controle over enorme stukken land vereist is. Die controle kan verworven worden door land op te kopen of het op lange termijn te leasen. Hedendaagse landroof is in Europa een sluipend fenomeen omdat het in vergelijking met het mondiale Zuiden nog gelimiteerd is. Het is enerzijds gelimiteerd qua omvang en anderzijds geografisch gelimiteerd tot vooral -maar zeker niet uitsluitend- Oost-Europa. In de komende decennia zou het landroof-proces echter gemakkelijk kunnen versnellen en een grotere greep krijgen op het noorden, westen en zuiden van het continent. Landroof in Europa is zeker vergelijkbaar van aard met het fenomeen in Afrika, Azië of Latijns-Amerika. Binnen de EU speelt landroof in het bijzonder in de relatief nieuwe lidstaten zoals Roemenië, Hongarije en Bulgarije, maar het is zeker ook een aantoonbaar aanwezig fenomeen in Duitsland, Italië en Spanje. De omvang van de percelen die verworven worden in het kader van het landroof-fenomeen is gewoonlijk groot. Het gaat vaak om duizenden hectaren land per deal. Dat land grabbers alleen buitenlandse actoren zijn, is een veelvoorkomende misvatting. Ook in Europa zijn de landrovers niet alleen de in de media en door NGO's belichte actoren (bv. China en de Golfstaten). Ook binnenlandse investeerders zijn zeer actief op de Europese onroerende goederen markt en Europees kapitaal blijkt een belangrijke rol te spelen. De transacties die plaatsvinden in het kader van de landroof-praktijken in Europa, zijn niet zelden even duister van aard als die in pakweg Cambodja of Ethiopië. Europa is op ten minste drie manieren verbonden aan het landroof-fenomeen. Ten eerste als een context voor landroof elders in de wereld, ten tweede als plaats van afkomst van landrovers en ten derde als gebied waar aan landroof gedaan wordt.      

'Green grabbing' of landroof in naam van het milieu is net als in de rest van de wereld, een snel opkomend fenomeen in Europa. De EU-maatregelen die gericht zijn op het inperken van de klimaatsverandering, zoals het biobrandstoffen-beleid dat vervat zit in de 'Renewable Energy Directive' (RED) en ondersteunende programma's zoals REDD+ (Verminderen van broeikasgassen door Ontbossing en Bosdegradatie) vormen cruciale contexten voor massale landroof in andere delen van de wereld. Maar Europa zelf is ook een belangrijk green grabbing-gebied aan het worden. De toenemende bedrijfsinvesteringen in hernieuwbare energie eisen enerzijds een grootschalige verwerving van grond en anderzijds belangrijke veranderingen in de manier waarop die grond gebruikt wordt. De toename van green grabbing wordt versterkt door de Europese subsidies die gelinkt worden aan investeringen voor hernieuwbare energie. 

Context

Een veranderende, verstedelijkende levensstijl en de drang om voortdurend winst te maken zijn processen die aan de basis liggen van landconcentratie, landroof en green grabbing. In Europa gaat een aanzienlijke hoeveelheid aan uitstekende landbouwgrond verloren aan het uitdijen van de steden, vastgoedspeculatie, toeristische enclaves en een hele waaier aan andere niet-agrarische commerciële ondernemingen. Hoewel deze oprukkende verstedelijking zeer fragmentarisch gebeurt, leiden de vele verspreide gevallen van kleinere gronddeals samen tot een substantieel verlies van landbouwgrond doorheen heel Europa. De EU is uiteraard al zeer verstedelijkt, maar ondanks het geïndustrialiseerde karakter van de economie, blijft landbouw toch een belangrijke sector. In 2010 waren er bijna 12 miljoen boerderijen in de EU, die samen zo'n 170 miljoen hectare landbouwgrond in gebruik namen. Dit staat gelijk aan meer dan 40% van het totale EU-territorium. Deze boerderijen en landbouwbedrijven bieden een inkomen en jobs aan 25 miljoen mensen. 

Subsidies spelen al lang een belangrijke rol in de Europese agrarische sector. In de loop der jaren is er echter een verschuiving doorgevoerd in het EU subsidiebeleid, van financiële toelagen op de producten naar toelagen op de productie. Deze verschuiving heeft verregaande implicaties wat landroof en lanconcentratie betreft. In 2000 waren de subsidies voor landbouwproducten goed voor 26,6 miljard euro, terwijl er in 2011 'slechts' 4,7 miljard euro aan besteed werd. De EU-subsidies voor productie sprongen over dezelfde periode echter van 2 miljard euro naar 50,9 miljard euro. Gekoppeld aan deze verschuiving zien we tussen 2000 en 2011 een indrukwekkende stijging van de landconcentratie in de EU. Bovendien is het industriële karakter van de landbouwsector zeer dominant geworden. Dit gaat onder meer gepaard met een grotere afhankelijkheid van fossiele brandstoffen. Kleine boerderijen met minder dan 2 hectare grond, maken bijna de helft uit (49% of bijna 6 miljoen) van het totaal aantal agrarische ondernemingen in de EU (cijfers van 2012). Deze talrijke kleine ondernemingen bezitten echter maar een klein percentage van het gebruikte landbouwareaal – amper 2%. In schril contrast hebben de landbouwondernemingen van 100 hectare en meer, die slechts 3% van het totaal aantal boerderijen vertegenwoordigen, de helft van het gebruikte landbouwgebied tot hun beschikking. Dit soort van landconcentratie is het resultaat van een trend die een aantal decennia geleden begon, maar het afgelopen decennium in een stroomversnelling terecht kwam. In Duitsland bijvoorbeeld zakte het totaal aantal landbouwbedrijven pijlsnel van 1.246.000 in 1966-1967 tot 299.000 in 2010. In Frankrijk verminderde het aantal landbouwondernemingen van 1.708.000 in 1966-1967 tot 516.100 in 2010. In Italië, waar er in 1966-1967 nog 2.980.500 boerderijen waren, bleven er in 2010 nog 1.620.000 over. Parallel aan deze evolutie tonen statistieken aan dat het totale gebruikte landbouwareaal in Duitsland ingenomen door boerderijen van minder dan 2 hectare groot, in 1990 nog 123.670 hectare was. In 2007 was dit ingekrompen tot 20.110 hectare. Boerderijen van 50 hectare en meer breidden hun bereik gedurende dezelfde periode uit van 9,2 miljoen hectare tot 12,6 miljoen hectare. Dezelfde trend zien we in Spanje, Frankrijk, Bulgarije, Italië, Oostenrijk en Hongarije. Het landbouwsubsidiebeleid van de EU bevoordeelt ontegensprekelijk grote landbouwbedrijven. Terwijl de kleine boerderijen qua marktconcurrentie zwakker worden, worden de groten nog sterker. Dit betekent zeker niet dat de laatste categorie noodzakelijkerwijs efficiënter aan landbouw doet. Ze zijn echter absoluut efficiënter in het vangen van subsidies. Terwijl de gronden alsmaar meer geconcentreerd geraken in de handen van minder en grotere ondernemingen, geraken ook de CAP-subsidies meer en meer geconcentreerd in dezelfde handen. Neem bijvoorbeeld Italië: in 2011 ontving amper 0,29% van de Italiaanse landbouwondernemingen 18% van alle CAP-subsidies in het land, en 0,0001% van deze ondernemingen (dat zijn 150 boerderijen) legde beslag op 6% hiervan. In Spanje zien we hetzelfde scenario. In 2009 werd 75% van de totale subsidies opgeëist door slechts 16% van de landbouwondernemingen. 

Oost-Europa

De recentere EU-leden, namelijk de landen die vroeger tot het socialistisch blok behoorden, hebben een andere voorgeschiedenis, maar kennen over het algemeen een gelijkaardige evolutie van meer en meer grond dat in de handen terecht komt van alsmaar minder ondernemingen. De Europese CAP-subsidies hebben er bovendien dezelfde nefaste effecten. In Hongarije bijvoorbeeld leidde de toetreding tot de Europese Unie (2004) ertoe dat de markt overspoeld werd met zwaar gesubsidieerde Europese landbouwproducten. Dit resulteerde in het bankroet van veel kleine Hongaarse landbouwers. De eerste zes jaar na de EU-toetreding kwam de meerderheid van de kleine boeren zelfs niet in aanmerking om Europese landbouwsubsidies aan te vragen. Vermits de meerderheid van de Hongaarse agrarische bevolking bestond uit kleine boeren, werd in de praktijk 93% van hen uitgesloten van het Europese subsidieregime. Sommige onderzoekers concludeerden dat 90% van de landbouwsubsidies gedurende deze periode naar amper 100 personen ging. In 2009 kreeg 8,6% van de Hongaarse landbouwondernemingen 72% van de landbouwsubsidies. Ook in Roemenië (dat toetrad tot de EU in 2007) worden de CAP-subsidies zeer ongelijk verdeeld. De grote landbouwondernemingen (groter dan 500 hectare) die minder dan 1% van het totaal aantal boerderijen uitmaken, rijfden daar 50% van de subsidies binnen. De overige 50% werd verdeeld onder de 99% overblijvende boerderijen. Roemeense boeren kunnen bovenop het CAP-systeem extra subsidies verkrijgen via het 'Agricultural Fund for Rural Development' (EAFRD), maar via een reeks bepalingen privilegieert dit ontwikkelingsfonds eveneens de grote agro-bedrijven. Het gebrek aan toegang tot ondersteunende subsidies en diensten blijft tot op vandaag een gigantisch probleem voor de bestaande en startende kleine boeren. Alle moeilijkheden om te overleven, zorgen ervoor dat veel Roemeense boeren het voor bekeken houden. Ze verlaten het platteland voor de steden. In Bulgarije viel de introductie van subsidies gerelateerd aan het aantal hectare landbouwgrond (na de EU-toetreding in 2007) samen met de herwaardering van landbouwgrond als een mondiaal schaars goed. Landbouwgrond is de afgelopen jaren inderdaad fel in waarde gestegen. Deze omstandigheden hebben in Bulgarije (net zoals in de rest van Oost-Europa) niet alleen geleid tot een verhoogde landconcentratie, maar ook tot de introductie van een nieuwe groep binnenlandse investeerders/speculanten genaamd 'arendatori'. Zij proberen enorme stroken land in beslag te nemen om er winst uit te slaan. De maatschappelijk polariserende trend van landconcentratie blijft niet beperkt tot de EU, maar strekt zich ook uit over de buurlanden van de Unie. In Oekraïne bijvoorbeeld is de huidige landbouwstructuur het resultaat van de post-socialistische landhervormingen. Het pad werd geëffend voor de opkomst (in het bijzonder sinds 2005) van grote agro-ondernemingen. Vele kleine boeren trokken in het afgelopen decennium naar de grote steden wegens een gebrek aan mogelijkheden. Vandaag controleren de tien grootste Oekraïense agro-ondernemingen ongeveer 2,8 miljoen hectare land. Vaak groeien op deze gigantische percelen graan en oliezaden bedoeld voor de export. Men vergelijkt de ontwikkeling van de industriële landbouw in Oekraïne vaak met de voorbeelden van Argentinië en Brazilië. 

 

Voorbeelden

Plaatselijke onderzoekers schatten dat 700.000 à 800.000 hectare of 6% van de landbouwgrond in Roemenië, in handen is van transnationale bedrijven. Neem het voorbeeld van Transavia, een agro-bedrijf dat zich oorspronkelijk gespecialiseerd had in vlees en gevogelte maar dat recent de hand wist te leggen op meer dan 12.000 hectare grond in het Roemeense Cluj-district om graan en koren op te verbouwen. Zowel in 2005 als in 2006 ontving Transavia een miljoen euro via een EU-subsidieprogramma om zijn graanverwerkingsbedrijf te moderniseren. In 2007 kocht het 85% op van Avicola Brasov, zijn grootste concurrent in Roemenië en in 2008 moest CerealCom Alba, een andere concurrent, er ook aan geloven. Hoe gaat een bedrijf als Transavia nu te werk? De grond die het bedrijf onlangs bemachtigde in het Cluj-district is vooral afkomstig van twee dorpen, Aiton en Tureni. Geografisch liggen ze relatief afgelegen en de bevolking is verouderd. Vele jongeren zijn weggetrokken uit het gebied. Toen Transavia arriveerde in Aiton, waren verschillende landbouwpercelen buiten het dorp niet meer in gebruik. Het bedrijf nam een in het dorp bekende figuur in dienst (een voormalige gemeenteambtenaar) om zijn dorpsgenoten ervan te overtuigen lange termijn lease-contracten met Transavia te ondertekenen. Lokale politici schaarden zich achter het bedrijf en veel bewoners lieten zich verleiden om hun grond zeer goedkoop aan het bedrijf te verhuren (100 euro per hectare per jaar). De dorpelingen die hun gronden aan het transnationale bedrijf geleast hebben, lijken dit vrijwillig gedaan te hebben, maar de term landroof is toch van toepassing. Enerzijds omdat het enorme bedrijf de grond extreem goedkoop krijgt en het zijn werking voor een groot stuk subsidieert met publiek geld. Anderzijds omdat het een perfect voorbeeld is van de hier gehanteerde definitie van landroof: het verwerven van de controle over grote stukken grond voor de constructie van landbouwondernemingen die een diepe breuk betekenen met de familiale landbouw die de agrarische sector in Europa altijd gekenmerkt heeft.

Rond Boynitsa, een van de armste dorpjes in de Vidin-regio in het noordwesten van Bulgarije vindt men een ander illustratief voorbeeld van landroof in Europa. In 2011 leaste een Chinese firma (Tianjin State Farms Agribusiness Group Company) er 2000 hectare land, met het vooruitzicht op nog eens 10.000 hectare. Het Chinese agro-bedrijf verwierf deze landbouwgrond via een lease-akkoord gesloten met een grote arendatori (een soort landroof-entrepreneur) die de grond zelf goedkoop gekocht had in het begin van de jaren 1990, toen de grondprijzen zeer laag waren en een deel van de staatseigendommen te grabbel gegooid werden. De lokale gemeenschap noch de gemeentelijke autoriteiten van Boynitsa waren op de hoogte gebracht van deze landdeal met het Chinese agro-bedrijf. De burgemeester van het dorp kwam hier voor het eerst iets over te weten via een telefoontje waarin ze opgedragen werd om de volgende dag present te zijn op een bijeenkomst en media-evenement in aanwezigheid van vertegenwoordigers van de Chinese firma en de Bulgaarse minister van Landbouw. In november 2012 besliste het Chinese bedrijf plotsklaps om het contract op te zeggen. Niemand weet waarom. Het geval van Boynitsa toont wel mooi aan dat het verwerven van zulke grote stukken grond niet alleen via pure marktmechanismen gebeurd. Vaak zijn er ook 'extra-economische' factoren mee gemoeid, zoals speciale voorwaarden aangeboden door het staatsapparaat (op nationaal, regionaal en/of lokaal niveau), politieke connecties en praktijken die de limieten van het legale opzoeken.   

Verzet

Tegen deze trends van landconcentratie, 'verstedelijking' en landroof groeit een klasse-overschrijdend protest. Allerlei bruisende grass-roots bewegingen krijgen voet aan de grond in heel Europa. Er zijn twee types van protest te onderscheiden. Enerzijds is er de komst van defensieve campagnes tegen specifieke projecten, waarbij mensen zich bijvoorbeeld actief verzetten tegen gedwongen onteigeningen ten behoeve van agro-bedrijven. Anderzijds zijn er meer pro-actieve organisaties en campagnes waarin mensen het recht opeisen om te bepalen wat er met de gronden in hun omgeving gebeurt, zoals het recht om het land te bewerken en zelf te kiezen hoe en met welk doel er gecultiveerd wordt. Een kenmerk van de protestbewegingen die in heel Europa opduiken is het feit dat ze verschillende generaties en diverse categorieën van mensen samenbrengen: boeren, arbeiders, consumenten, stedelijke tuiniers, activisten, enzovoort. Een ander kenmerk is het territoriale karakter ervan.                                

 

steun ons

© 2020 vrede vzw - website by