Artikel
Rune Moller Stahl
Printvriendelijke versie
Verkiezingen in Denemarken

Verkiezingen in Denemarken

De Deense verkiezingen van 18 juni 2015 waren spannender dan vooraf verwacht. De centrum linkse regering onder de sociaaldemocratische premier Helle Thorning Schmidt is al een aantal jaren hoogst onpopulair wegens de implementering van een privatiseringsprogramma, het snoeien in de sociale zekerheid en het niet naleven van de verkiezingsbeloftes. De brede 'rode' coalitie van Thorning Schmidt moest het in de verkiezingen dan ook afleggen tegen de 'blauwe' coalitie onder leiding van de conservatieve Liberale Partij (Venstre).

De blauwe coalitie won echter met een kleine marge en had de overwinning vooral te danken aan de grote steun van de bevolking voor de rechts populistische Deense Volkspartij (DPP), dat deel uitmaakt van het blauwe blok. De leider van Venstre, Lars Løkke Rasmussen, hoopte op een regeringscoalitie met de rechtse partijen, maar de gesprekken liepen al gauw spaak. Vandaag staat Rasmussen als kersverse premier aan het hoofd van een regering die uitsluitend bestaat uit Venstre-ministers. Zijn partij kreeg nochtans maar 19,5% van de stemmen achter zich (de Sociaaldemocraten 26,2% en de DPP 21,1%), maar als boegbeeld van de triomferende blauwe coalitie kreeg Rasmussen het initiatief om een regering te vormen. Het is onwaarschijnlijk dat er een grote beleidswijziging komt ten opzichte van de vorige centrum-linkse regering die neoliberale hervormingen invoerde, een strenge controle op immigratie hanteerde en het Europese fiscale beleid strikt volgde (hoewel Denemarken niet tot de eurozone behoort).

Politiek van de noodzaak

De Deense parlementaire politiek wordt van oudsher gedomineerd door twee rivaliserende politieke blokken bestaande uit verschillende partijen. Het rode of centrum-linkse blok bestaat in eerste instantie uit de Sociaaldemocraten en de Sociaal-liberalen, gesteund door de Socialistische Volkspartij, de radicaal linkse Rood-Groene Alliantie en een nieuwe groene partij genaamd Het Alternatief. De blauwe of rechtse coalitie wordt geleid door Venstre en bestaat verder uit de Conservatieve Partij, de Liberale Alliantie en de Deense Volkspartij. De balans tussen de twee blokken was relatief stabiel tijdens deze verkiezingen, maar binnen de blokken heeft zich een duidelijke polarisering van het electoraat voltrokken, ten voordele van radicaal links en extreem rechts. Denemarken kent een traditie van politieke consensus – niet alleen langs politieke lijnen (coalitieregeringen, politieke hervormingen die gedragen worden door een ruime meerderheid, enzovoort), maar ook langs sociale lijnen, via akkoorden gesloten tussen vakbonden en werkgevers. Gedurende de laatste drie decennia steunden zowel de centrum-rechtse als de centrum-linkse partijen een gematigd neoliberaal hervormingsprogramma, waar vaak naar verwezen wordt als "de politiek van de noodzaak". Het is deze politiek die het electoraat in het verkeerde keelgat is geschoten. Het resultaat is dat het gezamenlijke stemmenaandeel van de vier traditioneel regerende centrumpartijen (aan linker- en rechterzijde) gezakt is tot een recordlaagte van 53,8%. De opvallendste winnaar van de grote verschuiving in de electorale basis was de DPP, die met 21,3% van de stemmen de tweede grootste partij van het land werd. Haar harde anti-immigrantenstandpunt speelt ongetwijfeld een rol in de opmars van de DPP, maar er spelen ook nog andere factoren. De partij voerde in toenemende mate campagne rond het veiligstellen van de welzijnsrechten en de sociale bescherming. Op die manier kon ze zich in de ogen van de bevolking aan de linkerkant van de Sociaaldemocraten nestelen (ondanks het feit dat ze in het parlement bijna alle recente neoliberale hervormingen goedkeurde). De DPP kon op die manier profiteren van de wijdverspreide gevoelens van onzekerheid en onbehagen bij een groot deel van de arbeidersklasse in de nasleep van een stevige sociale inkrimping. Dit was het meest zichtbaar in de perifere gebieden die te lijden hebben onder een deïndustrialisatie en het wegtrekken van de economische activiteiten. Binnen het blauwe blok scoorde ook de Liberale Alliantie verbazend goed (7,5%). Het is de eerste werkelijk neoliberale partij van het land. Ze behartigt een electorale agenda van drastische bezuinigingen op welzijn en vergaande privatiseringen. Aan het andere uiteinde van het politieke spectrum profiteerden de radicaal linkse Rood-Groene Alliantie en de nieuwe groene partij, Het Alternatief, het meest van de electorale verschuiving.

Barsten

In de jaren 1990 al sloten de Sociaaldemocraten zich aan bij de brede politieke consensus over de noodzaak om de welvaartsstaat te hervormen via de afbouw van de sociale zekerheid en de privatisering van nutsbedrijven en diensten. Het was zelfs onder leiding van de Sociaaldemocraten dat een aantal van de grootste privatiseringen in de geschiedenis van het land werden doorgevoerd, net als de eerste tewerkstellingshervormingen. Meer dan 66% van de Denen is nog altijd aangesloten bij een vakbond en de Deense sociale zekerheidsprogramma's zijn relatief robuust, maar onder de oppervlakte is het Scandinavische welvaartsmodel aan het barsten. De ongelijkheid in het land blijft relatief klein, zeker in vergelijking met de internationale context, maar de kloof tussen arm en rijk is toch aanzienlijk gestegen sinds de jaren 2000. De sociale welvaartssystemen van de Scandinavische landen waren eens een model voor progressieve krachten overal ter wereld, maar ze schuiven alsmaar meer op naar het gemiddelde Europese model. Na de economische crisis van 2008 werd het gestage tempo van neoliberale hervormingen opgedreven. Ondanks de relatief gezonde fiscale situatie van Denemarken, implementeerde de rechtse regering die aan de macht was tussen 2009 en 2011 een streng bezuinigingspakket, onder meer bestaande uit een daling (in omvang en duur) van de werkloosheidsuitkeringen en een stijging van de pensioenleeftijd. Centrum-links was initieel gekant tegen deze hervormingen, maar toen de Sociaaldemocraten zelf aan de macht kwamen in oktober 2011 dreven ze de bezuinigingen op met een serie bijkomende hervormingen, waaronder nieuwe restricties op invaliditeitsuitkeringen en belastingvoordelen voor grote bedrijven. Dit veroorzaakte een algemene desillusie en woede bij het centrum-linkse electoraat. Deze gevoelens werden nog versterkt toen de regering in 2014 besliste om 19% van het energiebedrijf van de staat te verkopen aan de investeringsbank Goldman Sachs.

Hoewel hun neoliberale beleid veel van hun traditionele kiezers in de armen van de DPP en de Rood-Groene Alliantie heeft gedreven, slaagden de Sociaaldemocraten er toch in om een totale electorale instorting te vermijden. 26,3% van de stemmen is een pak lager dan de Sociaaldemocraten in het verleden gewend waren, maar de partij is toch opnieuw de grootste van het land. Partijleider, Helle Thorning, diende haar ontslag in na het recente verlies van het rode blok en het valt nog af te wachten of haar opvolgster, Mette Frederiksen, zal proberen om opnieuw naar links op te schuiven in een poging de traditionele kiezers uit de arbeidersklasse terug te winnen.

Links

Denemarken telt 3 partijen ter linkerzijde van de Sociaaldemocraten. De Socialistische Volkspartij (SV) werd gevormd in 1959 na een afscheuring van de Communistische Partij. Ze is traditioneel de kracht die de Sociaaldemocraten meer de linkse kant probeert op te duwen. Toen ze de regeringscoalitie vervoegde in 2011 bleek echter al gauw dat de SV niet in staat was om het beleid meer naar links te oriënteren en uiteindelijk zou ze zelfs de neoliberale hervormingen ondersteunen. De partij geraakte hierdoor sterk verdeeld en na het akkoord met Goldman Sachs zag de SV zich verplicht om uit de regeringscoalitie te stappen. Tijdens de recente verkiezingen bemachtigde de partij slechts 4,2% van de stemmen (meer dan een halvering in vergelijking met de vorige verkiezingen). Het was de Rood-Groene Alliantie die hier het meest van kon profiteren. Deze coalitie van radicaal linkse krachten werd gevormd in 1989. Nadat ze twee decennia overleefde als een relatief marginale politieke kracht, waren de verkiezingen van vorige maand de beste ooit voor de partij. Ze verzamelde 7,8% van de stemmen. De Rood-Groene Alliantie heeft zich altijd luid en duidelijk verzet tegen de neoliberale hervormingen en kon daardoor blijkbaar een grote groep misnoegde linkse kiezers aantrekken. Voor een deel is het recente succes van de partij ook te wijten aan een bewuste campagne om haar aantrekkingskracht te vergroten bij immigranten, werklozen, de arbeidersklasse en in de perifere gebieden. Een deel van de traditionele Alliantie-kiezers, de goed opgeleide grootstedelijke progressieven, ruilde de partij echter in voor Het Alternatief, dat 4,8% van de stemmen binnenrijfde. Bijna niemand had verwacht dat deze nieuwe partij, met een programma van economische 'ontgroei', groen ondernemerschap en participatieve democratie, zelfs maar de kiesdrempel van 2% zou halen.

Sterke sociale protestbewegingen zijn de laatste jaren relatief afwezig geweest in Denemarken. Vakbonden en studentenbewegingen mobiliseerden tussen 2001 en 2011 tegen de rechtse regeringen. Maar de vakbonden, die gedomineerd worden door de Sociaaldemocraten waren niet in staat of niet bereid om te mobiliseren tegen de hervormingen van de centrum-linkse regering. Er is ook geen relevante alternatieve protestbeweging opgedoken. Het gebrek aan sterke sociale bewegingen maakt het resultaat van de Rood-Groene Alliantie nog opmerkelijker. Als parlementaire stem tegen de neoliberale hervormingen heeft ze nood aan een sterkere sociale basis om succesvol in te kunnen gaan tegen de consensus over de politiek van de noodzaak.

Tegen de consensus

De verkiezingsuitslag was een klap voor de economische orthodoxie van de gevestigde politieke partijen. Terwijl de impact van de crisis en de stijging van de werkloosheid in Denemarken veel minder groot is dan in het zuiden van Europa, voelen de Denen toch de effecten van een stijgende economische onzekerheid. De situatie verslechterde door de strenge economische hervormingen van de laatste jaren. Het ongenoegen kon voor een groot deel verzilverd worden door populistisch rechts, dat zich voordeed als de sociaal bewuste beschermer van de welvaartsstaat terwijl het in de praktijk de neoliberale hervormingen steunde. De noodzaak om deze contradictie te blijven verhullen, is wellicht een verklaring voor de weigering van de DPP om toe te treden tot de regering, hoewel ze nu de grootste partij is in de blauwe coalitie. De weigering creëert wel spanningen in het rechtse blok en brengt de nieuwe liberale regering in een zwakke en onstabiele positie. Als Links deze instabiliteit wil vertalen in een progressieve economische en politieke verandering, moet het een coherenter antwoord bieden op de onzekerheid en de economische problemen die een groot deel van de bevolking ervaart. Er bestaat een potentieel om allianties te smeden tussen de verschillende getroffen groepen en een gezamenlijke oppositie te voeren tegen de voortdurende ontmanteling van de welvaartsstaat en de gereguleerde arbeidsmarkt. In afwezigheid van een coalitie tussen vakbonden, sociale bewegingen en linkse partijen zal de groeiende politieke onvrede en angst in het voordeel blijven werken van populistisch rechts.

www.jacobinmag.com

steun ons

© 2020 vrede vzw - website by