Artikel
Georges Spriet
Printvriendelijke versie
Vredesbeweging moet bewegen
Foto: Nationaal Archief

Vredesbeweging moet bewegen

Enige tijd geleden schreef Tom Sauer, hoofddocent internationale politiek van de UA, een opiniestuk in Brood en Rozen over de ondraaglijke lichtheid van de vredesbeweging in Vlaanderen. Hij stelt voor om het kernwapendossier weer volop centraal te plaatsen in de opbouw naar een grote betoging.

Enige tijd geleden schreef Tom Sauer, hoofddocent internationale politiek van de UA, een opiniestuk in Brood en Rozen over de ondraaglijke lichtheid van de vredesbeweging in Vlaanderen. Hij stelt voor om het kernwapendossier weer volop centraal te plaatsen in de opbouw naar een grote betoging. Hij meent dat brede platformen hoogst noodzakelijk zijn, en dat moet ingezet worden op samenwerking met politieke partijen. Jef De Loof , arts en bezieler van het Vredeshuis Aalst en van Artsen voor Vrede, schreef over dit onderwerp in het lentenummer van 'gezondheidszorg en vredesvraagstukken' dat er niet veel beweegt “of althans niet zichtbaar” en legt de nadruk op 'cultuur van vrede' als een ideologische bodem om de heersende geweldcultuur te bestrijden. Clemens Raming legde in het Nederlandse Vredesmagazine het belang uit om de politieke aanwezigheid van de vredesbeweging te versterken, en meent dat de optie van de redelijkheid moet gesteld worden tegenover de optie van de macht.

Bewegen

Mensen bewegen wanneer ze zich betrokken voelen en wanneer ze hopen dat hun oproep voor verandering toch ergens een minimum effect zal hebben. Buitenlandse politiek is dikwijls een ver van mijn bed show. We reageren met z'n allen wel emotioneel op beelden over gruwelijke situaties waar ook ter wereld, en deze emotie roept dan om actie. Steeds meer is deze actie in de hoofden van de mensen echter gelijk aan het militair bestraffen van de vermeende verantwoordelijken: militaire interventie in bijvoorbeeld ex-Joegoslavië, Afghanistan, Irak, Libië. De emotie en eerlijke verontwaardiging van de mensen wordt te weinig gekanaliseerd door een politiek kader, en hunkert met aandrang naar een onmiddellijk optreden. Er volgt dan een moeilijke opdracht voor de vredesbeweging om uit te leggen dat de realiteit van de internationale politiek niet gebaseerd is op menselijke betrokkenheid maar op macht en belangenverdediging. En dat militaire interventie als antwoord op onze verontwaardiging op termijn nefast is.

De vredesbeweging roeit stroomopwaarts tegen de huidige maatschappelijke hoofdstroom in, en heeft het dus heel moeilijk om een permanente, grotere beweging te maken.

Er is, denk ik, geen kwestie van het ontkennen van een probleem bij de vredesbeweging, omgekeerd. Velen in de beweging zijn bewust van de vluchtigheid in de huidige wereld, van het vlindergedrag van de ietwat actieve burger, en de alomtegenwoordigheid van het TINA-effect (There Is No Alternative). We zien de Griekse en Spaanse arbeiders en bedienden in ijltempo verarmen, maar dat brengt bij ons geen grote solidariteitsbeweging teweeg. Datzelfde TINA-effect voedt het moreel en politiek superioriteitsgevoel van West-Europa, dat meent dat wie onze lijn niet volgt best een lesje wordt geleerd: de West-Europese legers zijn er voor de vrede.

Deze situatie is niet onomkeerbaar, denk ik, maar de huidige trend in onze contreien gaat voorlopig verder deze richting uit. Hier blijven tegen ingaan met een tegendiscours is wellicht een belangrijke opdracht voor de vredesbeweging, als voorwaarde voor latere grotere mobilisaties?

Interventieplicht en emo-cultuur

Twee elementen liggen zeker mede aan de oorsprong van de afwezigheid van de vredesbeweging in het brede samenlevingsbeeld: de zogenaamde plicht tot interventie en de depolitisering van de samenleving.

De hoofdgedachte rond conflict is in de samenleving geëvolueerd naar een beleid van bestraffing: we moeten die onbetrouwbare despoten maar 's duidelijk een lesje leren. Ook de sfeer van “zou een heel klein beetje oorlog dan niet beter kunnen zijn” is permanent aanwezig. De Westerse landen, met de USA op kop, zijn de laatste twintig jaar zo goed als constant rechtstreeks betrokken geweest bij oorlogsoperaties: Somalië, Irak, Bosnië Herzegovina, ex-Joegoslavië, Afghanistan, Irak, Libië. Maar de publieke opinie meent dat dit best o.k. is. Met de hulp van de grote media is de consensus groot: “je kunt het onverantwoord gedrag van de leiders in de betrokken landen toch geen vrij spel geven?” Responsibility to protect, weet je wel, maar dan eng militair ingevuld. Het idee van humanitaire militaire interventie weet zich ook een weg te banen in progressieve kringen.

De oorzaak van dit soort denken ligt voor een deel bij onze emotionele reacties op gebeurtenissen, en bij onze spontane menselijke verontwaardiging die nog weinig politiek kader kent. Heel wat mensen gaan er onbewust van uit dat de wereldleiders die de 'onbetrouwbare elementen' willen uitschakelen, dit doen op basis van dezelfde motivatie als de hunne: een eerlijke, humanitaire bekommernis. Dat is voorbij gaan aan het feit dat wereldpolitiek om macht, invloed en belangen draait. Het humanitaire discours is slechts een dekmantel. Maar vandaag overheerst een gevoel van “we kunnen toch niet lijdzaam toekijken terwijl er zulke gruwelijkheden plaats grijpen”. Alsof het enige wat we kunnen doen erop neerkomt de zaak in een militaire spiraal te sleuren. Het niet kijken naar de diepere oorzaken van conflicten komt in feite neer op het isoleren van de gebeurtenissen uit hun context, die dan gewoon op zichzelf worden bekeken. Deze depolitisering bij een groot deel van de bevolking bevat ook een zich afkeren van de complexiteit van de wereld. Deze beide elementen en de groei van de emo-cultuur vormen een geweldige hindernis om brede bewegingen die de machtscentra echt interpelleren, op te bouwen en aan te houden.

Eenheid?

Ik denk dat er binnen de verschillende actieve componenten van de vredesbeweging in dit land een consensus bestaat rond de noodzaak dat de samenleving het UNDP-kader van “menselijke veiligheid” zou moeten realiseren. Daar voerden ze in 2001 gezamenlijk een grote informatiecampagne rond. In dit concept worden zeven componenten geformuleerd die onderling verbonden zijn en mekaar beïnvloeden: economische veiligheid, voedselveiligheid, gezondheidsveiligheid, milieuveiligheid, persoonlijke veiligheid, veiligheid van de gemeenschap, politieke veiligheid. Er is zeker ook een consensus op het dossier van de kernwapens. Iedereen meent dat wapenhandel moet worden gereguleerd en beperkt.

De vredesbeweging is er maar in geslaagd echt massabeweging te vormen toen ze zich scherp op één politieke doelstelling toespitste. Kijken we even naar enkele hoogtepunten sedert de tweede helft van de vorige eeuw: de anti-atoomwapenpetitie van de Oproep van Stockholm begin de jaren vijftig of de campagnes tegen de herbewapening van Duitsland in dezelfde periode; de anti-atoommarsen van de jaren zestig en zeker de beweging tegen de Vietnamoorlog; later de strijd tegen de 30 miljard (aankoop F-16), en inderdaad het hoogtepunt met de anti-rakettenstrijd. Ook de oorlog tegen Irak slaagde erin om gedurende enkele maanden begin 2003 de hoofdaandacht op te eisen en grote mobilisaties mogelijk te maken.

Wereldvrede is veel meer dan de strijd tegen oorlog (cfr het concept van 'menselijke veiligheid', of de 'cultuur van vrede'). Zoveel is duidelijk. Maar de politieke realiteit is wat ze is en we stellen vast dat de laatste jaren de vredesbeweging vooral een anti-oorlogsbeweging is geweest als het gaat over haar communicatie naar buiten uit. Dat was ze ook in de Vietnamperiode. En dat is inderdaad wat in deze tijden politiek relevant is. En toch is vandaag de weerklank van de anti-oorlogsboodschap behoorlijk beperkt. Wat de laatste 15 jaar in elk geval duidelijk is geworden is dat de oude verzamelingsslogan “geen oorlog” niet langer de verschillende groepen in de samenleving kan verenigen. Ook niet binnen het wereldje van de actieve vredesorganisaties. We waren het onderling absoluut niet eens over de houding tegenover de oorlog tegen het Servië van Milosevic. Rond Afghanistan waren er heel wat aarzelingen om overtuigd aan één zeel te trekken en de terugtrekking van de Westerse troepen te eisen. Nu recent was het progressieve kamp sterk verdeeld in verband met de oorlog tegen Libië. De oorlog tegen Irak van 2003 riep – bij wijze van uitzondering op de hierboven beschreven ontwikkelingen - wel zeer grote weerstand op omdat de afkeer van Saddam emotioneel slechts heel beperkt aanwezig was in onze samenleving, en dat het bovendien overduidelijk was dat president Bush naar redenen moest zoeken om een interventie te verantwoorden.

Kunnen de kernwapens opnieuw het aandachtspunt worden waarbij een groot deel van de bevolking in dit land zich echt voelt aangesproken? De evidente opstap in België betreft de B61 bommen in Kleine Brogel die met onze F16 kunnen worden afgeworpen. Maar heeft dit onderwerp nog het potentieel vermogen om grote groepen aan te spreken, en kan het aantrekkelijk genoeg op de agenda geplaatst worden zodanig dat mensen ervoor op straat willen komen? In het verleden maakte het bezit van de kernwapens ons land tot een doelwit van een 'machtige vijand', en de Belgische publieke opinie wilde die raketten dus niet in haar tuin. We moeten het vandaag in dit dossier meer hebben van de strijd tegen het kernwapen op zich, of van de gevolgen ervan mocht het ooit worden ingezet. Het is niet zeker dat een discours over de absurditeit van een wapen dat de wereld kan vernietigen even sterk mobiliserend kan werken als wanneer menigeen in dit land het wapen ervaart als een rechtstreekse gevaar voor zichzelf.

Tijden veranderen

Na de implosie van de Sovjet-Unie en de invoering van het marktsocialisme in China is de ideologische strijd kapitalisme – socialisme weggedeemsterd. Vandaag blijkt een strijd zich vooral te ontwikkelen rond de keuze voor gereguleerd kapitalisme of neoliberalisme. De linkerzijde in Oost en West – een gedeeltelijk andere richting wordt wellicht in Zuid-Amerika bewandeld – slaagt er voorlopig niet, of onvoldoende in om het socialisme opnieuw als aantrekkelijk perspectief bij grote delen van de bevolking aan te kaarten.

Het oude, betrekkelijk eenvoudige analysekader van de Oost-West tegenstellingen moet plaats ruimen voor een steeds complexere werkelijkheid.

De westerse economie kent een interne, diepe systeemcrisis die veroorzaakt wordt door het absolute nastreven van een maximale winst in een zo kort mogelijke tijd. Dank zij de ultra-liberalistische politiek en het speculatief geknoei hebben de financiële groepen de reële westerse economie kapot kunnen maken ten nadele van het algemeen belang.Het neoliberalisme staat voor een kapitalisme dat steeds meer gefinanciariseerd geraakt. Dit laatste wil zeggen dat de winsten meer worden gerealiseerd op de financiële markt en minder in de economisch productieve sector. Investeringen focussen in steeds groeiende mate op bestaande, reële “onderpanden” als ertsen, olie, gas, op de verzekeringssector en immobiliën en steeds minder op mogelijke winsten door productie. Met de crisis vanaf 2008 is de financiële sector er in geslaagd om de opgestapelde verliezen die het gevolg zijn van deze politiek, door de gemeenschap te laten betalen: “we moeten de systeembanken redden”, was de alom gehoorde boodschap. Tegelijkertijd eist de financiële markt – 'verpersoonlijkt' in de ratingbureaus, Wall Street en de City – op straffe van onbetaalbare hoge rentes voor nieuwe leningen, dat overheden orde op zaken zetten in hun huishoudpolitiek door de kosten te verhalen op de loontrekkenden, de gepensioneerden, de steuntrekkers, en verdere besparingen door te voeren in de eigen door de overheid gesubsidieerde of georganiseerde welzijnssector. De overheid wordt steeds meer verplicht zich terug te trekken uit de laatste stukken economische activiteit die ze nog had. De arbeiderswereld komt onder grote druk te staan door de angst bij de mensen voor jobverlies en sociale uitsluiting.

De staten waar de politieke leiders van verschillende kleur op georganiseerde wijze het neo- en ultraliberalisme propageren zitten vervlochten in bepaalde internationale verbanden zoals de EU en de NAVO, en zijn diegenen die de lakens uitdelen in de internationale financiële instellingen als het IMF. Het verdrag van Lissabon moet er voor zorgen dat de langlopende ultraliberalistische beleidslijn in de Unie verder gehandhaafd en stevig verankerd zou blijven. En stelt tevens heel duidelijk dat de lidstaten zich engageren om hun militaire vermogens te verbeteren. Er is een tendens om de ultra-liberale politiek te militariseren door oorlogen, militaire expedities, spanningen en conflicten in regio's met belangrijke grondstoffenvoorraden zoals Afrika en Azië. Hierbij wordt de NAVO ingezet als de militaire arm die het ultraliberalisme moet opdringen en tevens die landen moet destabiliseren waar de politiek nog economische sturing wil geven.

Zonder financiële, economische en politieke regulering op wereldvlak zal het westen steeds scherpere en destructurerende economische en sociale crisissen tegemoet gaan, schreven de vrienden van Rencontres pour la Paix.

De wereld beleeft naast de economische crisis een steeds diepere ecologische crisis. Het antwoord dat onze leiders formuleren blijft gebaseerd op marktmechanismes. Een fundamentele wijziging in productietechnologie en in consumptie-aanbod lijkt er niet snel te zullen komen. Ook hier lijkt er meer berusting in een 'business as usual' houding dan geloof in de mogelijkheid om ons productiesysteem anders te organiseren. De limieten en de grotere schaarste van zo veel natuurlijke grondstoffen is niet moeilijk vast te stellen. Er bestaat een fundamentele tegenstelling tussen de aard van de economische groei - kwantitatief en op basis van overconsumptie - enerzijds en de begrensde voorraden grondstoffen op wereldvlak, anderzijds. Een ander soort groei in een ander soort samenleving moet geïnstalleerd worden willen we sociale chaos onder militair bestuur kunnen vermijden.

EU politiek zaait tweedracht

De besparingsdrift in de Unie na de enorme steunbedragen voor de banken zet bepaalde landen tegen elkaar op : de 'goede beheerders' tegen de 'potverteerders'. Alhoewel goede beheerders – althans hun banken – grof geld verdienden aan de potverteerderij van anderen. De subnationale overheden worden meegezogen in de besparingsinspanningen, en hetzelfde scenario herhaalt zich hier: rijke regio's zoeken (grotere) zelfstandigheid om niet te moeten betalen voor de andere. Centrale regeringen komen in zovele landen onder grote druk te staan.

Op het brede internationaal vlak is dezelfde teneur vast te stellen. Het gefinanciariseerd kapitalisme investeert niet graag in productie maar in onderpanden als onder meer energiegrondstoffen. De Westerse politiek-economische eis voor ongehinderde toegang tot de energiegrondstoffen is mede gestuwd door deze ontwikkelingen, naast de wereldwijde stijgende energienood op zich en de concurrentie hieromtrent met de zogenaamde opkomende landen waar de overheid een andere economische rol speelt dan in het Westen. Deze 'energiezekerheid' wordt een cruciaal onderdeel van elk officieel veiligheidsbeleid en de diplomatieke en militaire instrumenten hiervoor zijn al klaar of staan gedeeltelijk nog in de steigers. De NAVO en de EU propageren schaamteloos een interventiepolitiek, en sluiten akkoorden met Japan, Australië, Israël om samen de greep op de grondstoffenregio's te garanderen

De vredesbeweging is dus via haar strijd tegen de interventiepolitiek van de Westerse machtscentra meer dan ooit verbonden met de sociale strijd, met de strijd voor politieke regulering, met de strijd voor ecologische omschakeling, met het verwerpen van het opeisen van toegangsrechten tot andermans grondstoffen en met het verwerpen van neoliberale kapitalisme. De band tussen de oorlogen om olie en de dwingende prioritaire plaats voor hernieuwbare energiebronnen bijvoorbeeld is overduidelijk

Besluit

Zoals de vrienden van Rencontres pour la Paix schrijven strompelt de westerse wereld van crisis naar crisis: economisch, ecologisch, financieel, sociaal. Militaire conflicten waar het Westen rechtstreeks in betrokken is, zijn er steeds meer.

De afbraak van de geldende eng militaire interpretatie van responsibility to protect, en de verwerping van de opeenvolgende oorlogen is van groot belang omdat het precies een pijler van machtsdenken en machtsuitoefening kan verzwakken. Dat geldt eveneens voor het kernwapendossier en de wapenhandel. Het propageren van een andere maatschappijvisie gebaseerd op cultuur voor vrede en concreet op het concept van menselijke veiligheid kan een verbindende rol spelen met andere maatschappelijke groeperingen. Dit kan niet los gezien worden van politieke en economische implicaties.

Hoe kan het hier geschetste verhaal voedingsbodem worden voor een nieuw vredes-elan? Het zal wellicht een diepgravend onderzoek vergen om na te gaan hoe in deze situatie de vredesproblematiek prominenter op de voorgrond kan geplaatst worden. De vredesbeweging staat niet geïsoleerd, maar het experiment voor kruisbestuiving tussen de verschillende componenten van de civiele samenleving via de sociale fora is in België met een sisser afgelopen. Mijns inziens ligt de geringe mobilisatiekracht van de vredesbeweging niet aan de focus (kernwapens, oorlog in het Midden Oosten), niet aan de methode (grote platformbetoging, ludieke of directe actie). Aanhoudende massamobilisatie rond een punt dat tegen het heersende denken ingaat zal maar mogelijk zijn na voorafgaandelijk uitgebreid politiek werk aan de basis. De betere uitstraling van de vredesbeweging moet of mag er niet zijn voor de schijnwerpers op zich, maar is nodig als substantieel onderdeel van de strijd voor sociale rechtvaardigheid en duurzaamheid.

Georges Spriet

de auteur schreef dit artikel in eigen naam

steun ons

© 2020 vrede vzw - website by