Palestina
De Palestijnse kwestie: van 1915 tot vandaag
Dossier
49 minuten

Inhoud

‘Grond’ van de zaak

Het geschil tussen de Palestijnen en Israël wordt in de reguliere media geregeld onjuist bestempeld als een religieus conflict. In werkelijkheid liggen grond en het recht op zelfbeschikking aan de basis van de hele kwestie. Die gaat terug tot de 19de eeuw, toen zionistische joden zich begonnen te vestigen in het ‘Heilige Land’, een niet duidelijk afgebakend gebied in historisch Palestina dat toen deel uitmaakte van het Ottomaanse rijk.

Hoewel de zionistische beweging hoofdzakelijk seculier was, gebruikten ze de Bijbelse belofte aan Abraham en zijn nakomelingen en refereerden ze aan de pre-christelijke joodse koninkrijken van Israël en Judea. Het Europees antisemitisme was de belangrijkste drijfveer voor een eigen joodse staat waar ze niet langer bloot stonden aan vervolging en discriminatie.

Palestijns-Arabische aanspraken op het gebied zijn gebaseerd op het feit dat ze er al vele honderden jaren, generatie na generatie leven. Ze verwerpen de idee dat een koninkrijk uit het Bijbelse tijdperk de basis vormt voor een geldige claim. Ze vinden evenmin dat ze hun land moeten verbeuren om de joden te compenseren voor de misdaden van de Europeanen.

Zionisme

Het moderne zionisme is een politieke ideologie en nationale beweging die eind 19de eeuw ontstond in Centraal- en Oost-Europa, o.a. als reactie op nieuwe golven van antisemitisme. Het hoofddoel van de beweging was de oprichting van een eigen natie, een Joodse staat waar Joden van over heel de wereld zich veilig zouden kunnen vestigen.

In de toenmalige koloniale tijdsgeest werden verschillende locaties voorgesteld, zoals in Afrika. Al gauw werd de plaats voor een joodse staat geïdentificeerd als Palestina. In 1882 kwam er vanuit Europa een eerste joodse immigratiegolf op gang naar dit gebied in het Ottomaanse Rijk. Ook de Palestijnse Arabieren ontwikkelden aan het eind van de 19de eeuw nationale aspiraties en begonnen zich te mobiliseren met onafhankelijkheid als doel.

Aan de vooravond van Wereldoorlog Eén (WOI) was het aantal Joden in Palestina gestegen tot ongeveer 60.000. In 1914 telde de Arabische bevolking in het gebied (bestaande uit moslims, maar ook een minderheid christenen en druzen) rond de 700.000 zielen.

Historisch verraad

Aan het begin van WOI beloofden de Britten via de Mc-Mahon-Hoessein correspondentie de onafhankelijkheid aan de Arabieren als ze in opstand zouden komen tegen het Ottomaanse Rijk dat zich in de oorlog aan de kant van Duitsland had geschaard. De opstand was succesvol, maar de belofte van Groot-Brittannië bleek vals. Bovendien hadden de Britten ook beloftes gemaakt aan de zionistische beweging.    

In november 1917 werd de Balfour Verklaring gepubliceerd, een brief van de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Arthur James Balfour, gericht aan Baron Rothschild, een prominente leider van de Brits-Joodse gemeenschap, waarin de joden een “nationaal thuis in Palestina” beloofd wordt. 

Niet lang daarna kwamen de werkelijke intenties van Groot-Brittannië aan het licht toen het geheime Sykes-Picot Akkoord met Frankrijk uitlekte. Daarin voorzagen beide grootmachten na de overwinning in WOI de onderlinge verdeling en bezetting van de Arabische Ottomaanse provincies.  

Na de oorlog gaf de Volkenbond (de voorloper van de Verenigde Naties) de Britten en de Fransen hun zin. Het Mandaatgebied dat de Britten toegewezen kregen bestond uit Mesopotamië (het huidige Irak) en historisch Palestina (dat het huidige Israël, de Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook en het huidige Jordanië omvatte).

In 1921 deelden de Britten hun territorium op: het gebied ten oosten van de rivier de Jordaan werd het Emiraat van TransJordanië (nu Jordanië) en het gebied ten westen van de rivier werd het Mandaatgebied Palestina. Het was voor het eerst in de moderne geschiedenis dat Palestina een verenigde politieke entiteit werd.

In de ogen van de Arabieren pleegden de Britten historisch verraad. De Britse en Franse controle over de brede regio werd beschouwd als een schending van het recht op zelfbeschikking. In het Mandaatgebied Palestina kwam daar nog de groeiende Europees-Joodse immigratie bij. Via het in 1901 opgerichte Joods Nationaal Fonds werden grote stukken grond opgekocht om joodse nederzettingen op te vestigen. Palestijnse boeren die op deze gronden leefden werden verdreven, wat tot heel wat wrevel en gewelddadige confrontaties leidde.

De opkomst van de Nazi’s in Duitsland en de aanstelling in 1933 van hun leider Adolf Hitler als kanselier, leidden tot een nieuwe grote influx aan Europese Joden in Palestina. De spanningen liepen hoog op en culmineerden in 1936 in een Arabische opstand tegen de zionistische nederzettingen en de Britse bezetting.

De opstand die tot 1939 duurde werd hardhandig neergeslagen, o.a. met de hulp van zionistische milities (zoals Haganah, Irgun en Stern). De Britten brachten in hetzelfde jaar een ‘White Paper’ (een document dat een overheidsbeleid beschrijft) uit waarin de toekomstige beperking van de joodse immigratie en grondaankoop vooropgesteld werd, evenals het vooruitzicht over 10 jaar op een onafhankelijke Palestijnse staat. De White Paper uit 1939 betekende het einde van de Brits-zionistische alliantie. 

VN-Verdeelplan – Resolutie 181

Na Wereldoorlog Twee (WOII) dreven de escalerende vijandigheden tussen de Palestijnen en de joden enerzijds, en de zionistische milities en het Brits leger anderzijds, Groot-Brittannië ertoe om zich tot de recent opgerichte Verenigde Naties (VN) te richten om de toekomst van het gebied te helpen bepalen.

Op 29 november 1947 stemde de Algemene Vergadering van de VN voor de verdeling van het gebied in twee soevereine staten: een joodse en een Palestijns-Arabische. Het territorium bestemd voor de Joodse staat kwam overeen met 56% van het Mandaatgebied Palestina. De Palestijnse staat kreeg 43% van het gebied toegewezen. (De vanuit religieus oogpunt belangrijke steden Jeruzalem en Bethlehem zouden ‘internationale zones’ worden.)

Eind 1946 leefden zo’n 1.240.000 Palestijnen in het voormalig Mandaatgebied tegenover 608.000 Joden. Hoewel de Joden dus een derde van de bevolking uitmaakten, kregen ze meer dan de helft van het grondgebied toegewezen. Bovendien zouden er slechts een paar Joodse nederzettingen binnen de grenzen van de Palestijnse staat vallen terwijl er honderdduizenden Arabieren in de voorgestelde Joodse staat woonden. Joodse zionisten hadden eind 1946 zo’n 7% (maar wel 20% van de bebouwbare grond) van het Mandaatgebied Palestina opgekocht. 

De Palestijnen en de Arabische buurlanden verwierpen het VN-Verdeelplan. Ze beschouwden de voorgestelde Joodse staat als een illegale nederzettingenkolonie en/of vonden het hen toegewezen gebied verhoudingsgewijs te klein.

Amper een paar dagen na de VN-stemming braken er gevechten uit tussen zionistische milities en de Palestijnen. De zionisten waren numeriek in de minderheid maar veel beter getraind, georganiseerd en bewapend. Tegen april 1948 hadden ze het gebied dat hen door het VN-plan was toebedeeld in handen en begonnen ze aan de militaire verovering van extra territorium.    

Image
Kaart Palestina

Al-Nakba en VN-resolutie 194

Acht uur voor de officiële beëindiging van het Britse mandaat in Palestina, riep de zionistische leider Ben Goerion op 14 mei 1948 de onafhankelijke staat Israël uit. Daarop brak de eerste Arabisch-Israëlische oorlog uit. Egypte, Syrië, Jordanië en Irak vielen Israël aan. Ook Libanon verklaarde Israël de oorlog, maar participeerde niet aan de strijd. De zionistische milities bleken militair superieur en goed voorbereid.

Tijdens de gevechten tussen 1947 en 1949 sloegen tussen de 700.000 en 900.000 Palestijnen op de vlucht of werden actief verdreven door de zionistische milities (die na de oprichting van de Joodse staat gezamenlijk het Israëlisch leger vormden). Na het staakt-het-vuren werden deze vluchtelingen belet om terug te keren naar hun huizen en gronden. Rond de 500 Palestijnse dorpen werden letterlijk van de kaart geveegd. Meer dan de helft van de toenmalige Palestijnse bevolking geraakte permanent ontheemd.

Het is hier dat de Palestijnse vluchtelingenproblematiek ontstond -vandaag nog altijd een heet hangijzer in het conflict. VN-resolutie 194, aangenomen eind december 1948, erkende het recht op terugkeer en schadeloosstelling van de Palestijnse vluchtelingen. Israël heeft dit recht echter altijd verworpen en weigert het zelfs te bespreken tijdens vredesonderhandelingen.  

De idee van schadeloosstelling en in het bijzonder het recht van vluchtelingen op terugkeer wordt zelden in vraag gesteld in het kader van conflicten in de wereld. Zowel de Verenigde Naties, de Europese Unie als het Amerikaans ministerie van Buitenlandse Zaken hebben principiële standpunten wat betreft oorlogsvluchtelingen. Het recht op terugkeer na het einde van de gevechten, is daar één van. Het is dus geen revolutionaire eis om dit recht op te nemen in een finale oplossing.

Naar aanleiding van de massale vluchtelingenstroom werd op 8 december 1949 een organisatie gecreëerd binnen de Verenigde Naties die zich specifiek zou richten op het helpen van de Palestijnse vluchtelingen in het Midden-Oosten (UNRWA). Vandaag verleent dit agentschap nog altijd essentiële humanitaire en sociale diensten aan hun nakomelingen, zo’n 5,6 geregistreerde vluchtelingen waarvoor nog steeds geen permanente oplossing is gevonden.

Image
Kaart Palestina

De Palestijnen verwijzen naar de Israëlische onafhankelijkheidsoorlog, de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948 en de nasleep ervan -de vernietiging van de Palestijnse maatschappij en het thuisland- als de Nakba (de catastrofe). 

Image
Kaart Palestina

In 1949 werden staakt-het-vuren akkoorden gesloten tussen Israël en de afzonderlijke Arabische staten. De Joodse staat had zijn territorium uitgebreid tot 78% van het voormalig Mandaatgebied Palestina. Naar deze wapenstilstandsgrenzen van 1949 wordt verwezen als de ‘Groene lijn’. Ze wordt algemeen erkend, o.a. in het internationaal recht, als de demarcatie van de staat Israël.  

Het voormalig Brits Mandaatgebied Palestina werd opgesplitst in drie delen: de Palestijnse Westelijke Jordaanoever (1) en de Gazastrook (2) die geografisch van elkaar afgesneden werden door de nieuwe staat Israël (3). De Palestijns-Arabische staat die vooropgesteld werd door de VN kwam er echter niet. Transjordanië annexeerde Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever. De Gazastrook langs de kust van de Middellandse Zee viel voortaan onder de controle van Egypte.

In de 2,5 jaar volgend op de oorlog migreerden meer dan 680.000 Joden naar Israël, waardoor de Joodse bevolking in de nieuwe staat op slag verdubbeld werd.

Zesdaagse Oorlog

Er kwam in 1949 wel een staakt-het-vuren tussen de Arabische staten en Israël, maar geen officiële beëindiging van de oorlog. De landen in de regio bewapenden zich en de sfeer was voortdurend gespannen. In 1956 besloot de Egyptische regering van Nasser het Suezkanaal, dat onder Frans-Britse controle stond, te nationaliseren. Israël sloot zich aan bij Frankrijk en Groot-Brittannië en viel Egypte aan, o.a. om de Straat van Tiran die in 1950 door Egypte gesloten werd voor Israëlische scheepvaart, te heropenen.

Israël veroverde de Gazastrook en het Sinaï-schiereiland en werd uiteindelijk gedwongen door de VS, de Sovjet-Unie en de VN om zich terug te trekken. Aan de grens tussen Israël en Egypte kwam er een troepenmacht van de VN.

In mei 1967 ontving Egypte foutieve inlichtingen van de Sovjet-Unie over het samentroepen van het Israëlisch leger aan de Syrische grens. In het jaar voorafgaand aan de Zesdaagse Oorlog waren er al verschillende confrontaties geweest aan de grens tussen Israël en Syrië, onder meer omdat de Palestijnen guerrilla-aanvallen lanceerden vanuit dat land. Israël dreigde meerdere malen met de militaire omverwerping van het Syrische regime.   

Als reactie op de ontplooiing van het Israëlisch leger aan de Syrische grens besloot Nasser de Straat van Tiran opnieuw te sluiten voor Israëlische schepen en verhoogde hij de Egyptische militaire aanwezigheid aan de eigen grens met Israël.

Op 5 juni 1967 viel Israël Egypte preventief aan. Bijna de hele Egyptische luchtmacht die aan de grond stond werd in één keer uitgeschakeld door Israëlische bombardementen. Tegelijkertijd werd een grondoffensief gelanceerd. De Egyptische troepen plooiden terug, maar de Israëlische strijdkrachten achtervolgden hen. Jordanië en later ook Syrië sloten zich bij Egypte aan. Ze leden net zoals de Egyptenaren zware militaire nederlagen.

Toen het op 10 juni 1967 tot een staakt-het-vuren kwam was het gebied dat onder Israëlisch bestuur viel verviervoudigd. Israël had de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem veroverd op Jordanië, de Gazastrook en het Sinaï-schiereiland op Egypte, en de Golanhoogten op Syrië. Het was het begin van de Israëlische bezetting van de Palestijnse gebieden.

Image
Kaart Palestina

De oorlog van 1967 dreef ongeveer 300.000 Palestijnen op de vlucht, waaronder zo’n 175.000 reeds bij de UNRWA geregistreerde vluchtelingen van 1948-1949 die dus voor de tweede keer ontheemd geraakten. 

Deze korte maar beslissende oorlog vestigde Israël als de dominante militaire macht in de regio. De Arabische regimes werden gediscrediteerd. De Palestijnen beseften dat ze niet op hun Arabische buren konden rekenen en na 1967 groeide de nationale Palestijnse beweging uit tot een belangrijke speler in het conflict.

PLO

De Palestijnse Bevrijdingsbeweging (PLO) werd in 1964 opgericht door de Arabische Liga in een poging het Palestijnse nationalisme te controleren. Na de nederlaag van de Arabische landen in de Zesdaagse Oorlog verwierf de PLO meer onafhankelijkheid.

Jonge, meer militante Palestijnen namen de beweging die verschillende politieke en militaire groepen omvatte, over. Het doel van de organisatie was zoals de naam zelf suggereert, de bevrijding van Palestina, maar ook de oprichting van een Palestijnse staat met gelijke rechten voor alle inwoners ervan (zowel moslims, christenen als joden) en een terugkeer naar de grenzen van het voormalig Brits Mandaatgebied Palestina.

Yasser Arafat was vanaf 1968 tot aan zijn dood in 2004 voorzitter van de PLO. Hij was tevens de voorzitter van de grootste politieke groep binnen de PLO: Fatah. Andere belangrijke groepen in de PLO zijn het Populair Front voor de Bevrijding van Palestina (PFLP), het Democratisch Front voor de Bevrijding van Palestina (DFLP) en de Palestijnse Volkspartij (PPP). Deze groepen hebben verschillende ideologische oriëntaties, maar de overgrote meerderheid van de Palestijnen beschouwde de PLO zeker tot na de Oslo-akkoorden in de jaren 1990 als hun vertegenwoordiger.

Veiligheidsraadresolutie 242

Op 22 november 1967, in de nasleep van de Zesdaagse Oorlog, nam de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties unaniem Resolutie 242 aan. Ze veroordeelt de verwerving van territorium met geweld en roept Israël op om zich terug te trekken uit de in 1967 veroverde gebieden in ruil voor vrede met zijn buren - ‘land voor vrede’.

De resolutie benadrukt ook het recht van alle staten in de regio op een vreedzaam bestaan met veilige en erkende grenzen. Hoewel het internationaal recht de grenzen van Israël gelijkstelt met de Groene lijn -de staakt-het-vuren-grenzen van 1949- heeft Israël zelf, tot op de dag van vandaag, nooit officieel zijn grenzen vastgelegd.

Dat heeft alles te maken met het zionistische project dat ondertussen is uitgegroeid tot het verwerven van een zo groot mogelijk deel van historisch Palestina (Groter Israël), met zo weinig mogelijk Arabische inwoners. Het joods karakter van de staat kan immers alleen in stand gehouden worden als de meerderheid van de bevolking joods is.

Resolutie 242 onderschrijft het recht op nationale zelfbeschikking van de Palestijnen niet, noch het recht op terugkeer van de vele Palestijnse vluchtelingen. De resolutie heeft het enkel over een “rechtvaardige oplossing” voor het vluchtelingenprobleem. 

Door op te roepen tot de algemene wederzijdse erkenning van alle staten in de regio zonder de Palestijnen nationale rechten toe te kennen, impliceerde ze de unilaterale erkenning (door de Palestijnen) van de staat Israël.

Bezetting

Vanaf 1967 spreekt men van de door Israël bezette Palestijnse gebieden. Israël legde de Palestijnse bevolking in de Westelijke Jordaanoever, Oost-Jeruzalem en de Gazastrook een strenge militaire administratie op. Politieke basisrechten en burgerlijke vrijheden werden hen ontzegd. Het uiten van Palestijns nationalisme werd gecriminaliseerd en alle aspecten van het dagelijks leven van de Palestijnen, waaronder de bewegingsvrijheid, werd gereguleerd.

Israël voerde in de bezette gebieden collectieve straffen in zoals een avondklok, het slopen van huizen en het sluiten van wegen, scholen en gemeenschapsinstellingen. De bezettingsmacht legde beslag op tienduizenden hectaren Palestijns land en ontwortelde duizenden bomen onder het mom van het garanderen van de nationale veiligheid van Israël. De eerste Joodse kolonisten begonnen zich -in overtreding met het internationaal recht- te vestigen in bezet gebied.

Om het Palestijns verzet tegen de bezetting in de kiem te smoren werden honderden politieke activisten gedeporteerd naar Jordanië of Libanon. Eén van de belangrijkste Israëlische controle-instrumenten was (en is nog altijd) massale arrestatie. Sinds 1967 zijn al meer dan 1 miljoen Palestijnen door Israël gearresteerd, waaronder heel wat minderjarigen. Honderdduizenden van hen werden ook effectief gevangengezet, sommigen zonder proces, de zogenaamde administratieve detentie.

Vanaf het begin van de bezetting was het folteren van Palestijnse gevangenen een gangbare praktijk. Tientallen Palestijnen stierven in Israëlische gevangenschap als gevolg van mishandeling of verwaarlozing. In 1999 besliste het Israëlisch Hooggerechtshof om het “routinematig gebruik” van foltertechnieken te verbieden.

Yom Kippoer Oorlog

In 1971 liet de Egyptische president Anwar al-Sadat weten aan VN-gezant Gunnar Jarring dat hij bereid was om een vredesakkoord te sluiten met Israël in ruil voor de teruggave van het in 1967 veroverde Sinaï-schiereiland. Israël negeerde zijn aanbod, waarop Egypte en Syrië besloten om de patstelling te proberen doorbreken via een militaire verovering van de bezette gebieden.

In oktober 1973, op de joodse feestdag Yom Kippoer (Dag van de Vergevingen), lanceerden Egyptische en Syrische troepen een verrassingsaanval tegen de Israëlische strijdkrachten in de Sinaï en de Golanhoogten. Ook Marokko, Irak, Algerije, Koeweit en Saoedi-Arabië namen met expeditie-eenheden deel aan de strijd.

Na initiële vorderingen werden de Arabische legers teruggeslagen door Israël, dat kon rekenen op de scherp stijgende militaire bevoorrading van de Verenigde Staten. (De Sovjet-Unie, de ideologische rivaal van de VS te midden van de Koude Oorlog, stond achter Egypte.) Op 25 oktober werd een staakt-het-vuren aanvaard door alle strijdende partijen. Egypte en Syrië waren niet geslaagd in hun objectief.    

Camp David-Akkoorden

De Egyptische president Sadat besloot het over een andere boeg te gooien en reisde in 1977 naar Jeruzalem, waar hij een speech gaf in de Knesset (Israëlisch parlement). Inspelend op deze diplomatieke opening, nodigde de Amerikaanse president Jimmy Carter de Israëlische premier Menachem Begin en Sadat uit voor gesprekken in Camp David (Maryland).

Deze gesprekken leidden in 1978 tot het eerste vredesakkoord tussen een Arabische staat en Israël. Het in 1967 door Israël veroverde schiereiland Sinaï (woestijngebied) werd teruggegeven aan Egypte.

Een ander aspect van de Camp David-akkoorden, dat onderhandelingen voorzag over een breder vredesverdrag tussen de Arabische landen en Israël op basis van Resolutie 242 van de VN-Veiligheidsraad en over volledige autonomie voor de Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever en Gaza, werd nooit in de praktijk gebracht.   

Israël saboteerde de mogelijkheid van dergelijke onderhandelingen alvast door onverminderd door te gaan met het confisqueren van Palestijnse gronden en het bouwen van nieuwe illegale nederzettingen, in strijd met de toezeggingen die Begin aan president Carter had gedaan in Camp David.

Nederzettingen

Na de bezetting van de Palestijnse gebieden in 1967, begon Israël er gestaag met de bouw van joodse nederzettingen, zogenaamd om strategische en veiligheidsredenen.

De eerste joodse kolonisten vestigden zich op de Westelijke Jordaanoever uit ideologisch/religieuze motivatie. Ze geloofden dat de overwinning van Israël in de Zesdaagse Oorlog duidde op goddelijke voorzienigheid en dat Judea en Samaria (de Israëlische benaming voor de westelijke Jordaanoever, verwijzend naar de Bijbelse Joodse koninkrijken in het gebied) aan het Joodse volk toehoorden.

Toen Menachim Begin in 1977 premier werd van Israël, leefden er ongeveer 2000 Joodse kolonisten in 38 nederzettingen op bezet gebied. Het nederzettingenbeleid intensifieerde vanaf dan aanzienlijk. De opeenvolgende Israëlische regeringen incorporeerden de constructie van nederzettingen in hun beleid en boden financiële voordelen aan Joden die wilden verhuizen.

Het doel was het vergroten van Israëls greep op het hele grondgebied van historisch Palestina (Eretz Israel - Groter Israël) en het voorkomen van de oprichting van een Palestijnse staat.

Het nederzettingenbeleid van Israël vormt een schending van de Vierde Conventie van Genève betreffende het bestuur van militair bezet gebied. De bezettende macht mag geen delen van de eigen burgerbevolking deporteren of overbrengen naar het door haar bezette grondgebied. De Joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever, Oost-Jeruzalem en de Golanhoogten zijn dus illegaal volgens het internationaal recht.

Tijdens de afgelopen decennia en gedurende de verschillende ‘vredesonderhandelingen’ bleef het aantal Joodse kolonisten in de bezette gebieden stijgen, actief aangemoedigd door gunstige financiële voorwaarden en de uitbouw van de infrastructuur ter plaatse. De nederzettingen werden gebouwd en uitgebreid op onteigende Palestijnse grond.

Vandaag zijn er iets meer dan 130 officiële nederzettingen (zonder Oost-Jeruzalem en de kolonistenenclaves in Hebron mee te tellen) en ongeveer 140 zogenaamde ‘buitenposten’ op de Westelijke Jordaanoever.

Deze buitenposten zijn kleinere nederzettingen opgericht zonder goedkeuring van de Israëlische regering (vaak door ideologisch/religieus gemotiveerde joden). Ze zijn niet alleen illegaal volgens het internationaal recht, maar ook volgens het Israëlisch recht. Toch werden ze tijdens het premierschap van Benjamin Netanyahu oogluikend aangemoedigd. Tientallen buitenposten werden al gelegaliseerd of hebben een regularisatie in het vooruitzicht.  

Ook in het hart van de Palestijnse buurten in het bezette Oost-Jeruzalem werden Joodse kolonistenenclaves gesticht. In 1980 besloot Israël Oost-Jeruzalem officieel te annexeren. Een jaar later werden ook de Golanhoogten onder Israëlische jurisdictie gebracht. De inlijving van beide gebieden werd veroordeeld door de VN-Veiligheidsraad wegens illegaal onder het internationaal recht, die ze nog altijd als -eveneens illegaal- bezet beschouwd. 

De zionistische staat voert een erg actieve bevolkingspolitiek in zowel de Golan als Oost-Jeruzalem. Palestijnse gezinnen worden er vandaag nog altijd actief verdreven. In Oost-Jeruzalem wordt gebruik gemaakt van allerlei racistische wetten om Palestijnen uit hun huizen te zetten en in de brede rand van dit stadsdeel werden ondertussen 13 grote Joodse buurten aangelegd. Deze illegale nederzettingen in Oost-Jeruzalem, snijden de stad geografisch af van de Westelijke Jordaanoever.  

Momenteel leven er meer dan 441.000 Joodse kolonisten in de nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever. Daar komen nog minstens 220.000 kolonisten in de nederzettingen van Oost-Jeruzalem bij. Vóór de terugtrekking van Israël uit de Gazastrook in 2005 leefden daar ook zo’n 8000 Joodse kolonisten in 21 nederzettingen.

De intensieve bouw en bevolking van illegale nederzettingen op bezet gebied, heeft een de facto nieuwe situatie gecreëerd op het terrein, met een dramatische impact op de reële mogelijkheden om tot een vredesakkoord en de oprichting van een Palestijnse staat te komen.

Eerste intifada

In december 1987 brak er een massale volksopstand (intifada) uit op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook tegen het Israëlische bezettings- en nederzettingenbeleid.

Honderdduizenden Palestijnen participeerden aan de intifada die vooral de eerste paar jaren allerlei vormen burgerlijke ongehoorzaamheid omvatte. Jongeren die stenen gooien naar Israëlische bezettingstroepen, werd hét beeld van de intifada, maar het protest was grotendeels geweldloos en veelzijdig met massale betogingen, stakingen, de boycot van Israëlische producten, het weigeren van het betalen van belastingen, het opwerpen van blokkades om de verplaatsing van Israëlische troepen op bezet gebied te hinderen, enz.

De breedgedragen acties werden georganiseerd door volkscomités en zorgden ervoor dat er voor het eerst grote internationale aandacht werd besteed aan het pleit van de Palestijnen.   

De intifada werd hardhandig neergeslagen. Tussen 1987 en 1991 doodden Israëlische troepen meer dan 1000 Palestijnen -waaronder meer dan 200 kinderen onder de 16 jaar. Er werden ook massaal arrestaties verricht. Tegen 1990 zaten de meeste leiders van de intifada in de gevangenis en verloor de opstand zijn momentum.

De politieke verdeeldheid en het geweld binnen de Palestijnse gemeenschap escaleerde, in het bijzonder tussen de verschillende PLO-facties en de islamistische organisaties Hamas en Islamitische Jihad. Vóór de intifada hadden de Israëlische autoriteiten de ontwikkeling van deze islamistische organisaties actief gefaciliteerd als een manier om de Palestijnen in de bezette gebieden te verdelen.

Het beleid ter ondersteuning van het politiek islamisme als alternatief voor het seculair nationalisme van de PLO, zou Israël echter zuur opbreken. Hamas en de Islamitische Jihad zouden gewelddadige aanslagen plegen tegen Israëlische militaire, maar ook civiele doelwitten. De eerste zelfmoordaanslag kwam er in 1993.

Vredesonderhandelingen

Op 15 november 1988 besloot de Palestijnse Nationale Raad (het wetgevend orgaan van de PLO) Israëls bestaansrecht en het principe van een tweestatenoplossing gebaseerd op VN-resolutie 242 te erkennen.

Door dit te doen, lieten de Palestijnen officieel elke aanspraak op 78% van het voormalig Mandaatgebied Palestina, veroverd en deels etnisch gezuiverd in de oorlog van 1947-1948, varen en beperkten ze gebiedsaanspraken tot de bezette Westelijke Jordaanoever (inclusief Oost-Jeruzalem) en de Gazastrook.

De PLO riep de onafhankelijke staat Palestina uit op deze bezette Palestijnse gebieden. Ze verwierp officieel ook alle terroristische methoden van verzet. Israël negeerde deze gebaren en bleef weigeren om met de PLO te onderhandelen.

De VS, die in het begin van de jaren 1990 zijn positie in het Midden-Oosten wilde stabiliseren, zette de toenmalige Israëlische premier Yitzhak Shamir onder druk om onderhandelingen op te starten met de Palestijnen en de Arabische staten. Shamirs voorwaarden -dat de PLO uitgesloten zou worden van de gesprekken en dat er niet over Palestijnse onafhankelijkheid gesproken zou worden- werden aanvaard door de VS.

In oktober 1991 werden multinationale onderhandelingen opgestart in Madrid en vervolgens verdergezet in Washington. Er werd echter bitter weinig vooruitgang geboekt.

Later, toen Shamir geen premier meer was, gaf hij toe dat zijn strategie in Washington erin bestond de onderhandelingen zo lang mogelijk te rekken, zodat de annexatie van de Westelijke Jordaanoever een voldongen feit zou zijn.

Nadat Yitzhak Rabin in 1992 premier van Israël werd, verslechterden de omstandigheden op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza zienderogen. Een gebrek aan vooruitgang tijdens de onderhandelingen in Washington, de voortdurende mensenrechtenschendingen en de economische teruggang in de bezette gebieden bespoedigden de groei van het radicaal islamisme.

Oslo-akkoorden

De angst voor de radicale islam en de impasse tijdens de onderhandelingen in Washington overtuigden de regering van premier Yitzhak Rabin om te breken met het decennialang volgehouden principe om niet te praten met de PLO.

In het grootste geheim werden in Oslo rechtstreekse gesprekken aangeknoopt met PLO-vertegenwoordigers. Het resultaat was de ondertekening op 13 september 1993 van de Verklaring van Principes of het Oslo I-akkoord, dat gebaseerd was op de wederzijdse erkenning van de PLO en Israël.

In Oslo I werd afgesproken dat het Israëlisch Defensieleger (IDF) zich over een periode van vijf jaar zou terugtrekken uit de Gazastrook, uit Jericho (een stad op de Westelijke Jordaanoever) en uit andere nog niet nader bepaalde plaatsen in de bezette gebieden.

Het akkoord voorzag in de oprichting van een beperkt Palestijns zelfbestuur in de vorm van de Palestijnse Nationale Autoriteit (PNA of PA) en een Palestijnse civiele politiemacht. De PA zou de verantwoordelijkheid krijgen voor de interne veiligheid en civiele zaken, zoals onderwijs, cultuur, gezondheid en sociaal welzijn, in bepaalde delen van Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook.

De regelingen getroffen in Oslo zouden gelden voor een interim-periode van vijf jaar, waarbinnen finale status-onderhandelingen opgestart moesten worden – onderhandelingen die een definitief einde zouden stellen aan het conflict tussen Israël en de Palestijnen.

De belangrijkste pijnpunten van het conflict -het recht op terugkeer van vluchtelingen, het statuut van een mogelijke Palestijnse entiteit en van Oost-Jeruzalem, de Israëlische nederzettingen, grenzen en veiligheid, en waterrechten- liet men in Oslo I bewust links liggen en zouden pas in de finale status-gesprekken behandeld worden.

In september 1995 werd Oslo I opgevolgd door Oslo II (ook wel het Taba-akkoord genoemd omdat het daar ondertekend werd). Het werkte in de eerste plaats de afspraken overeengekomen in Oslo I concreter uit. De Westelijke Jordaanoever werd opgedeeld in A, B en C-zones.

De PA kreeg beperkt gezag en eigen bevoegdheden toegewezen in de A-zones (de stedelijke gebieden) en in mindere mate in de B-zones (dorpen en rurale gebieden). De rest van de Westelijke Jordaanoever, inclusief de Joodse nederzettingen, werd de C-zone, die volledig onder Israëlische controle bleef. Oost-Jeruzalem viel niet onder de overeenkomst vermits Israël het sinds 1980 beschouwt als een deel van de Joodse staat.

Image
Kaart Palestina

De Palestijnse interim-regering kreeg in de A-zones de verantwoordelijkheid voor de interne veiligheid toegewezen, maar Israël behield de militaire controle over heel de Westelijke Jordaanoever. Dat geeft het leger de mogelijkheid om de A en B-zones binnen te dringen wanneer het maar wil. Om de A- en B-zones in en uit te geraken moeten de Palestijnen zich onderwerpen aan de controles van Israëlische militaire checkpoints.

Zone A omvat ongeveer 18% van de totale Westelijke Jordaanoever, zone B ongeveer 22%. De overgrote meerderheid van de Palestijnen in het gebied (ondertussen zo’n 3 miljoen) woont samengepakt in deze twee zones, die via de C-zones echter versnipperd worden in meer dan 160 niet territoriaal aaneengesloten eilandjes, vergelijkbaar met de bantoestans voor zwarten in apartheid Zuid-Afrika.

De C-zone beslaat zo’n 60% van de Westelijke Jordaanoever. Er wonen naar schatting zo’n 180.000 tot 300.000 Palestijnen. Het potentieel voor stedelijke, landbouw- of economische ontwikkeling ligt in zone C, maar Israël blokkeert dit. Enerzijds door het grootste deel van dit gebied te bestempelen als staatsgrond, gesloten militair gebied, schietzones, onderzoeksterrein, natuurreservaten, land voor nederzettingen, enz. Anderzijds door in het deel van de C-zone dat nog geen functie toegewezen kreeg, waardoor de Palestijnen het niet mogen betreden, nagenoeg elke Palestijnse planningsaanvraag (voor de constructie van huizen, infrastructuur, gemeenschaps- economisch of landbouwgebruik) af te wijzen.

Met Oslo was er een onderhandelingsproces in gang gezet, zonder een einddoel te specifiëren. In geen van beide akkoorden werd een onafhankelijke Palestijnse staat vooropgesteld. De PLO aanvaardde dit ongunstig en gebrekkig akkoord met Israël omdat ze diplomatiek zwak stond en ook bij de eigen achterban niet zoveel steun had voor vredesonderhandelingen.

Zowel de radicale islamisten als andere lokale leiders in de bezette gebieden waren tegen het Oslo-proces. Ondertussen had Hamas de tactiek van de zelfmoordaanslagen geïntroduceerd. Er waren aanslagen als vergeldingsacties voor Israëlische aanvallen, maar ook aanslagen die de ontsporing van het Oslo-vredesproces tot doel hadden.

De rechtse Likoed-partij die tijdens het Oslo-proces aan de macht kwam, was ertegen gekant. De onderhandelingen stokten en de finale status-gesprekken die opgestart moesten worden binnen de interim-periode van het Oslo-regime, kwamen er niet.

Tijdens deze periode dreven de Israëli’s de confiscatie van gronden en de constructie van Joodse nederzettingen in de bezette gebieden dramatisch op. Ze legden een heel netwerk van zogenaamde ‘bypass roads’ aan - wegen voorbehouden aan Israëli’s die de nederzettingen met elkaar en met Israël verbinden. Het was duidelijk dat Israël bezig was met de afbakening van het territorium dat het hoopte te annexeren. De Oslo-akkoorden bevatten geen enkel mechanisme om deze eenzijdige acties van Israël te beletten.

In 1999 kwam Ehud Barak aan het hoofd te staan van een door Labour geleide Israëlische coalitieregering en in juli 2000 ontving de Amerikaanse president, Bill Clinton, premier Barak en PLO-leider Yasser Arafat in Camp David om eindelijk te onderhandelen over een finale status-akkoord.

Barak kondigde echter op voorhand Israëls “rode lijnen” aan: het zou niet terugkeren naar de grenzen van vóór 1967; Oost-Jeruzalem dat tegen dan al 150.000 Joodse kolonisten telde, zou onder Israëlische soevereiniteit blijven; Israël zou de meeste Joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever annexeren (op dat moment leefden er al zo’n 180.000 Joodse kolonisten); en het zou geen juridische, noch morele verantwoordelijkheid op zich nemen voor het Palestijnse vluchtelingenprobleem.

De Palestijnen wilden, in overeenstemming met Veiligheidsraadsresolutie 242 en met hun lezing van de Oslo-Verklaring van Principes, dat Israël zich zou terugtrekken uit het grootste deel van de Westelijke Jordaanoever -inclusief Oost-Jeruzalem- en de Gazastrook, en beoogden de erkenning van een onafhankelijke staat in deze gebieden.

Vooral rond de vluchtelingenkwestie en de status van Jeruzalem wilde Israël geen strobreed toegeven en bleek het dus onmogelijk om tot een vergelijk te komen.

Tweede (Al-Aqsa) intifada

Eind september 2000 leidden frustraties over het mislukte ‘vredesproces’ en de dagelijkse vernederingen die de Palestijnen moesten ondergaan in de bezette gebieden, maar ook de corruptie binnen de Palestijnse Autoriteit, tot een tweede massale volksopstand of intifada.

De rechtstreekse aanleiding was het betreden op 28 september van de Al-Aqsa moskee-site (op de tempelberg of Haram al-Sharif) door de toen kandidaat-premier voor Likoed, Ariel Sharon, begeleid door 1000 gewapende veiligheidstroepen. Gezien Sharons visies werd het bezoek gezien als een provocatie die de Joodse aanspraak op de stad Jeruzalem en haar heilige plaatsen onderstreepte.

Er kwamen grote Palestijnse demonstraties in Jeruzalem. De volgende dag reageerde de Israëlische politie op stenengooiende jongeren door de Haram al-Sharif te bestormen en minstens 4 ongewapende demonstranten te doden en er 200 te verwonden. Tegen het einde van de dag kwamen daar nog eens 3 doden bij.

De moorden veroorzaakten grote onrust in de bezette gebieden. In oktober waren er wijverspreide solidariteitsdemonstraties en in de Arabische en gemengde steden in Israël kwam er een algemene staking.

De tweede intifada was veel bloederiger dan de eerste. Tijdens de eerste drie weken van de opstand schoten Israëlische troepen 1 miljoen echte kogels af op ongewapende Palestijnse demonstranten. Het was een bewuste escalatie van het gebruik van geweld met als doel het voorkomen van een langdurige volksopstand zoals de eerste intifada.

Het gebruik van geweld breidde zich snel uit tot de inzet van tanks, gevechtshelikopters en zelfs F-16 gevechtsvliegtuigen. Naast de gebouwen van de Palestijnse Autoriteit werden ook burgerwijken geviseerd. Israëlische autoriteiten beweerden dat ze het recht hadden op zelfverdediging tegen een "vijandige entiteit", terwijl de staatloze vijanden geen enkel recht hadden op het gebruik van geweld, zelfs niet uit zelfverdediging.  

In november 2000 begonnen Hamas en de Islamitische Jihad, en later ook de PFLP en de aan Fatah-gelieerde al-Aqsa Martelarenbrigades zelfmoordaanslagen en andere gewapende operaties uit te voeren. Tussen 2000 en 2005 waren er meer dan 150 dergelijke aanvallen, in vergelijking met 22 incidenten tussen 1993 en 1999 door de islamistische tegenstanders van het Oslo-vredesproces.

Op 29 maart 2002, lanceerde Sharon, die in 2001 verkozen was tot premier, Operatie Defensief Schild (‘Defensive Shield’), de grootste militaire operatie op de Westelijke Jordaanoever sinds de Zesdaagse Oorlog in 1967. Tijdens een wekenlange militaire invasie met tanks werden o.a. grote stukken van het Jenin-vluchtelingenkamp plat gebulldozerd. Israël kon rekenen op de onvoorwaardelijke steun van VS-president George W. Bush.

De verschijning van Sharon op het Israëlische politieke toneel en de dominantie van Likoed de volgende twee decennia betekenden de doodsteek voor Oslo of eender welk vredesproces, aangezien deze partij zich ondubbelzinnig uitsprak tegen territoriale compromissen en de oprichting van een Palestijnse staat.

Hoewel er technisch geen sprake meer was van een vredesproces bleef de term in gebruik. Vooral de VS hanteert het concept als een middel om de controle over de Israëlisch-Palestijnse onderhandelingen te handhaven.

Arabisch Vredesplan van 2002

In het kader van Oslo tekende Jordanië in 1994 -in anticipatie van een finale status-akkoord- als tweede Arabische land een vredesakkoord met Israël. In hetzelfde jaar bezocht een Israëlische delegatie Bahrein, waren er toenaderingen met Marokko (1994) en Tunesië (1996), en in 1996 en 1998 startten Oman en Qatar handelsrelaties op met Israël. Alleen de akkoorden tussen Egypte en Jordanië overleefden de tweede intifada.

In 2002 steunden alle Arabische staten (behalve Libië) een vredesinitiatief voorgesteld door Saoedi-Arabië waarin de erkenning van de staat Israël aangeboden werd, evenals vredesakkoorden en normale relaties met alle Arabische staten in de regio, in ruil voor de Israëlische terugtrekking uit de sinds 1967 bezette gebieden en de oprichting van een onafhankelijke Palestijnse staat op de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook met Oost-Jeruzalem als hoofdstad.

Het voorstel had het ook over “een rechtvaardige oplossing voor het vluchtelingenprobleem gebaseerd op VN-resolutie 194”. Deze resolutie roept Israël op om Palestijnen die in vrede willen leven toe te laten naar hun huizen en gronden terug te keren, maar mijdt het concept ‘recht op terugkeer’.

Door het tot dan toe onbetwistbaar geachte ‘recht op terugkeer’ niet op te nemen als een voorwaarde in het Arabische vredesplan, wordt geïmpliceerd dat over dit onderwerp gepraat kon worden – een nieuw element. Toch verwierp Sharon het voorstel. De Arabische Liga herhaalde het in 2007, maar toen werd het verworpen door Netanyahu (die premier geworden was in 2006).

Mahmoud Abbas, die Yasser Arafat na zijn dood in 2004 opgevolgd was als president van de Palestijnse Autoriteit, was enthousiast over de voorstellen van de Arabische Liga en moedigde de VS aan om ermee aan de slag te gaan. In 2009 verklaarde president Barack Obama dat hij de Arabische voorstellen zou “incorporeren” in het Midden-Oostenbeleid van zijn regering, maar uiteindelijk suggereerde niets dat er effectieve stappen ondernomen werden in die richting.

Apartheidsmuur

Image
Kaart Palestina

In 2002 autoriseerde Sharon de constructie van een scheidingsbarrière tussen Israël en de Westelijke Jordaanoever. Zijn partij, Likoed, was eigenlijk een voorstander van de annexatie van de bezette gebieden, maar toen Sharon begrepen had dat het demografisch onmogelijk zou zijn om een joodse staat te blijven als de Westelijke Jordaanoever en Gaza simpelweg toegevoegd werden aan de staat Israël, legde hij zich met tegenzin neer bij het concept van een scheiding – een reeds lang bestaand idee van zionistisch Labour. (“Wij hier en zij daar”, zoals Yitzhak Rabin het stelde.) De Palestijnen refereren aan de barrière als de Apartheidsmuur.

In plaats van deze scheidingsbarrière te bouwen op de Groene lijn, de Israëlische grens van voor de Zesdaagse oorlog, volgt ze een grillige route, voornamelijk ten Oosten van deze lijn - in bezet gebied dus. Op die manier confisqueerde Israël nog eens 9,5% extra van de Westelijke Jordaanoever. Dit gebied werd ingenomen door het Israëlisch leger en Palestijnen kunnen het niet meer betreden. Heel wat boeren in de dorpen langs de barrière werden bijvoorbeeld gescheiden van hun gronden aan de andere kant ervan.

Volgens Israël was de barrière nodig om de veiligheid te kunnen verzekeren. In 2003 verzocht de VN het Internationaal Gerechtshof in Den Haag om zich te buigen over de kwestie. Het Hof adviseerde in 2004 dat de barrière “disproportioneel” is en daarom een schending van het internationaal recht. Israël moest de constructie ervan op Palestijns gebied staken, een reeds gebouwd stuk afbreken en de gedupeerden vergoeden. De Algemene Vergadering van de VN nam het advies dat de muur veroordeelde volledig over in Resolutie ES-10/15.

Israël verwierp zowel het oordeel van het Hof als de daaruit volgende resolutie. Het Internationaal Gerechtshof wees nadrukkelijk op de plicht van andere staten om Israël te bewegen tot het naleven van het internationaal recht. Maar niemand handelde en Israël kon zonder dat het een strobreed in de weg gelegd werd, zijn scheidingsmuur verder afwerken.

In totaal is de barrière 708 km lang, meer dan het dubbele van de lengte van de Groene lijn tussen Israël en de bezette Westelijke Jordaanoever. Op een bepaalde plek snijdt ze tot 18 km in bezet gebied. Ze lijft de grote joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever in bij de Israëlische kant en sluit groter Jeruzalem af van de Palestijnse gebieden. 

Het grootste deel van de barrière bestaat uit een systeem van elektronische hekken met patrouillewegen erlangs en bewakingstorens. Het overige, zeer symbolische deel van de barrière bestaat uit een 8 meter hoge betonnen muur. De Palestijnse stad Qalqilya wordt volledig omgeven door de muur en Israël heeft een controlepost die het leger in staat stelt om desgevallend alle in- en uitgaand verkeer te controleren.

Image
Kaart Palestina

De barrière werd initieel geïntroduceerd door Israël als een tijdelijke veiligheidsmaatregel, maar in werkelijkheid toont ze de intentie om zoveel mogelijk Palestijns land te annexeren, met zo weinig mogelijk Palestijnen erop. Met zijn muur legt Israël ook eenzijdig de facto nieuwe grenzen op.

Israëlische evacuatie van de Gazastrook

De regering van Ariel Sharon besloot in juni 2004 unilateraal om het Israëlisch leger terug te trekken uit de Gazastrook. Eén van de drijfveren voor dit beleid was de eeuwige bezorgdheid over de demografie: het behouden van een Joodse meerderheid in de door Israël gecontroleerde gebieden. De Gazastrook, waar op dat moment 1,4 miljoen Palestijnen leefden, was bovendien economisch oninteressant.

De ontruiming van de nederzettingen op de Gazastrook, kon tegenover de internationale gemeenschap uitgespeeld worden als een ‘toegeving’ naar de Palestijnen toe, hoewel het feit dat het een unilateraal plan was al verraadt dat het niet uitgevoerd werd in functie van de plaatselijke bevolking, noch van het zogenaamde vredesproces. 

Terwijl de Joodse nederzettingen in de Gazastrook volledig ontmanteld werden, ging de door de overheid gesteunde bevolkingskolonisatie op de Westelijke Jordaanoever onverminderd voort. Tegen 2005 leefden er al zo’n 250.000 joodse kolonisten. 

Het terugtrekkingsplan van Sharon werd goedgekeurd in de Knesset (Israëlisch parlement) en in augustus 2005 ging men over tot de “evacuatie” van het gebied. Bijna 8000 Joodse kolonisten werden gerepatrieerd naar Israël en ontvingen financiële compensatie. De gebouwen waarin ze leefden werden afgebroken.

Rond de Gazastrook, een gebied van 365 km², was al een barrière (bestaande uit hekken, wachttorens en patrouillewegen) aangelegd sinds 1994. De Palestijnse Autoriteit kreeg nu de controle over het gebied binnen deze omheining, waardoor er volgens Israël niet langer sprake was van een bezetting van de Gazastrook.

Aangezien het Israëlisch leger de directe controle behield over 6 van de 7 grensovergangen (de Rafah-overgang ligt aan de grens met Egypte en wordt gecontroleerd door Caïro), alsook over het Gazaanse luchtruim en de kustwateren, en het een bufferzone onderhoudt op het grondgebied kan men tot vandaag spreken van een Israëlische militaire bezetting van Gaza. Gazaanse vissers mogen slechts een beperkt aantal zeemijlen buiten de kust varen op gevaar af dat hun boten beschoten of geconfisqueerd worden.

Israël bepaalt bovendien welke personen en producten de Gazastrook in en uit mogen. Het gebied blijft ook afhankelijk van Israël wat betreft water- en elektriciteitsvoorziening, telecommunicatie, enz.

Een andere manifestatie van de aanhoudende bezetting van de Gazastrook zijn de regelmatig terugkerende militaire invallen o.a. om bewoners te arresteren en ze te transporteren naar Israël. Na de ontruiming van de Joodse nederzettingen in de Gazastrook, stemde de Knesset speciaal een wet die de vervolging van Gazanen in Israëlische rechtbanken en hun opsluiting in Israëlische gevangenissen toestaat.

Image
Kaart Palestina

Tweestatenoplossing

De tweestatenoplossing, waarbij een onafhankelijke Palestijnse staat vreedzaam zou co-existeren met een Israëlische staat, werd al naar voor geschoven in 1937 (de Peel Commissie kreeg toen de opdracht om de oorzaak van de onrust in het Brits Mandaatgebied te onderzoeken en stelde in haar finaal rapport een opdeling van het gebied voor).

Het VN-Verdeelplan uit 1947 was gebaseerd op de idee van de tweestatenoplossing en in 1974 nam de Verenigde Naties een resolutie aan over de “vreedzame regeling van de Palestijnse kwestie” waarin gepleit wordt voor “Twee Staten, Israël en Palestina… zij aan zij binnen veilige en erkende grenzen”. De grenzen van de staat Palestina moesten gebaseerd worden op de “pre-1967 grenzen”, maar Israël weigert die tot vandaag te erkennen.

Het Palestijns leiderschap schaarde zich in 1982 volledig en officieel achter het tweestaten-concept en het hele vredesproces (Oslo, de mislukte Camp Davis-top in 2000, het Arabische vredesinitiatief, enz.) is gebaseerd op de tweestatenoplossing. Toch onderschreef de VS deze oplossing pas voor het eerst officieel in 2002, in een toespraak van president George W. Bush waarin hij het had over een onafhankelijke Palestijnse staat die in vrede naast Israël zou leven.

Het decennia aanslepende vredesproces is echter voorbijgestreefd door de dramatische veranderingen op het terrein. Via de bouw van de muur, het nederzettingenbeleid op de Westelijke Jordaanoever, de opdeling van dit gebied in geografisch van elkaar afgesloten eilandjes, de annexatie van Oost-Jeruzalem en de Israëlische kolonisering van dit stadsdeel, enz. heeft Israël de uitvoering van een tweestatenoplossing in de praktijk quasi onmogelijk gemaakt. Het uitgangspunt en narratief van het huidige vredesproces is dus volledig achterhaald.

De discrepantie tussen de verschillende pogingen om tot een oplossing te komen en wat er zich afspeelde op het terrein leidde voor de Amerikaanse academicus Noam Chomsky tot de conclusie dat het nooit de bedoeling was van Israël om tot een onderhandelde oplossing te komen.

Het was en is een bewust Israëlisch beleid om de ‘vredesonderhandelingen’ zo lang mogelijk te rekken met als doel de creatie van onomkeerbare feiten op het terrein. Het einddoel is de annexatie van een zo groot mogelijk deel van historisch Palestina, met zo weinig mogelijk Palestijnen erin. Het lijkt erop dat de tweestatenoplossing een doodlopend straatje is.

Het alternatief is één enkele staat op het volledige grondgebied van historisch Palestina (een ‘binationale staat’), maar dat vereist echter de vervanging van het huidige Israëlische regime met een democratie waarin alle burgers, ongeacht religie of etnische achtergrond, dezelfde rechten hebben.  

Roadmap for peace

De regering van VS-president George W. Bush kondigde in 2002 aan dat er gewerkt werd aan een vredesplan, de ‘Roadmap for peace’, met als eerste stap het beëindigen van het geweld dat opgeflakkerd was in de context van de tweede intifada.

Als volgende stappen werden de hervorming van de Palestijnse Autoriteit, de terugtrekking van de Israëlische troepen uit de Palestijnse steden en een bevriezing van de bouw van joodse nederzettingen voorzien.

De uitvoering van de Roadmap zou gesuperviseerd worden door het zogenaamde Midden-Oostenkwartet, bestaande uit de VS, Rusland, Groot-Brittannië en de VN. Er waren drie voorwaarden verbonden aan de participatie aan deze internationaal gesponsorde vredesonderhandelingen. Ten eerste moesten de partijen de staat Israël erkennen. Ten tweede moesten alle eerder ondertekende overeenkomsten tussen Israël en de Palestijnen gerespecteerd worden. En ten derde moest het gebruik van geweld voor politieke doeleinden verworpen worden.

De Roadmap werd uiteindelijk gelanceerd op 30 april 2003. Israël kwam onmiddellijk met een lijst van 14 bezwaren aanzetten die in feite neerkwam op een verwerping van het plan. De Bush-regering koos ervoor om deze realiteit te negeren en lanceerde alsnog hernieuwde vredesgesprekken op 1 juli.

Zowel Israël als de VS weigerden te praten met PA-president Yasser Arafat, die tijdens de tweede intifada door Israëlische troepen vastgezet werd in zijn hoofdkwartier in Ramallah. Voor de uitvoering van de Roadmap werd gerekend op zijn Fatah-partijgenoot Mahmoud Abbas, die net aangesteld was als premier van een nieuwe Palestijnse regering. Te midden van escalerend geweld strandden de onderhandelingen echter al gauw.  

De VS heeft zich niet bepaald ontpopt tot een onbevooroordeelde bemiddelaar. In april 2004 schreef president Bush in een brief aan Sharon: “In het licht van de nieuwe realiteit ter plaatse, met inbegrip van de reeds bestaande grote Israëlische bevolkingscentra, is het onrealistisch dat de uitkomst van finale status-onderhandelingen de volledige terugkeer naar de staakt-het-vurenlijn van 1949 zal omvatten, en alle voorgaande inspanningen om een tweestatenoplossing te onderhandelen hebben tot dezelfde conclusie geleid”. Kortom, de VS had de Israëlische annexatie van de Joodse nederzettingen op bezet gebied al lang aanvaard.

Bush verklaarde bovendien dat de oplossing van de Palestijnse vluchtelingenkwestie gevonden zou moeten worden binnen een Palestijnse staat, daarmee steunde de VS de Israëlische verwerping van het recht op terugkeer van de vluchtelingen.  

Palestijnse politieke crisis

Op 11 november 2004 overleed de Palestijnse leider Yasser Arafat en in januari 2005 werd Mahmoud Abbas verkozen tot de volgende president van de Nationale Palestijnse Autoriteit. Een jaar later, op 25 januari 2006, volgden er verkiezingen voor de Palestijnse Wetgevende Raad (PLC), de wetgevende macht van de PA.

In de context van een groeiend ongenoegen bij de Palestijnen over de inefficiëntie en corruptie van Fatah werden de verkiezingen gewonnen door het islamistische Hamas. In heel Palestina, maar zeker in het overbevolkte en verarmde Gaza, leefde het gevoel dat het aanslepende vredesproces en Fatahs te welwillende rol ten opzichte van Israël en de VS daarin, niets opleverden.

Hamas kon 74 van de 132 zetels in de PLC in de wacht slepen. Dit viel allerminst in goede aarde bij Israël en verschillende leden van het Midden-Oostenkwartet. Als reactie op de nochtans legitieme overwinning van Hamas in faire verkiezingen (zij het onder een bezetting), sneed het Kwartet de financiële steun aan de Palestijnse Autoriteit af.

Israël hield de belastingen die het int in naam van de PA achter. Omdat deze belastinginkomsten meer dan de helft uitmaken van het PA-budget, kreeg de reeds slabakkende Palestijnse economie het extra hard te verduren.

Hamas-leider Ismail Haniyeh werd op in maart 2006 ingezworen als premier van de PA, maar er braken al gauw confrontaties uit tussen voorstanders van Hamas en Fatah-aanhangers die het verlies niet konden verkroppen - vooral in Gaza.

Te midden van gewelddadige aanvaringen tussen aanhangers van beide politieke partijen werd onderhandeld over de verdeling van de macht en de vorming van een eenheidsregering. Die kwam er, maar viel al na amper een aantal maanden en het intra-Palestijns geweld laaide opnieuw op.      

Met de goedkeuring en stilzwijgende steun van de VS wilde Fatah in juni 2007 een soort coup plegen die Hamas in Gaza van de macht moest verdrijven. Hamas kwam echter als winnaar uit de machtsstrijd en verwierf op 14 juni 2007 de volledige controle over de Gazastrook.

Abbas stelde daarop zijn Fatah-collega Salam Fayyad aan als premier van de PA. De Palestijnse gebieden geraakten op die manier administratief verdeeld: de Westelijke Jordaanoever werd bestuurd door de PA (Fatah) en de Gazastrook door de Hamas-regering van Haniyeh. Abbas schortte bovendien de PLC op. De PA zou voortaan per decreet regeren.

Na de bestuurlijke splitsing van de Palestijnse gebieden werd de internationale hulp aan de PA prompt weer opgestart, maar de Hamas-regering in Gaza, en bij uitbreiding alle Gazanen, zouden het slachtoffer worden van een intensieve financiële boycot en een Israëlische economische blokkade die tot vandaag voortduurt.

Blokkade van de Gazastrook

In september 2007 bestempelde Israël de Gazastrook officieel als “vijandig territorium”. Met de steun van Egypte onder president Husni Moebarak (die de grensovergang tussen Gaza en Egypte afgrendelde), onderwierp Israël het Palestijnse kustgebied aan een strenge, alomvattende blokkade, die nog altijd gehandhaafd wordt.

De Israëlische blokkade heeft een slopend effect op de gezondheidszorg, de economie en de infrastructuur in de Gazastrook. Harvard-academicus Sara Roy, die de impact van het Israëlisch beleid in Gaza al decennia bestudeert, stelt dat het catastrofaal is. “Het is ook opzettelijk, berekend en doelgericht” aldus Roy. “Gaza wordt onderworpen aan 'on-ontwikkeling'” ('de-development'). Daarmee bedoelt ze dat het gebied systematisch beroofd wordt van “zijn capaciteit voor rationele en duurzame economische groei en ontwikkeling”.

Israël hanteert de regel dat iedereen, man of vrouw, tussen de 16 en 55 jaar oud de Gazastrook principieel niet mag verlaten om de Israëlische veiligheid te garanderen. Iedereen die een geldige reden meent te hebben om dat wel te doen (studies, familiale bezoeken, zaken, enz.), moet daarvoor een vergunning aanvragen bij de Israëli’s. Slechts een minderheid van deze verzoeken wordt ingewilligd. Ook Gazanen die dringend medische behandelingen nodig hebben, moeten een aanvraag indienen om de grootste openluchtgevangenis ter wereld te verlaten.

De blokkade heeft een enorme impact op de levensomstandigheden en de basisrechten van de Gazanen, die ondertussen met meer dan 2 miljoen samengepakt zitten op een gebied dat kleiner is dan de dwergstaat Andorra waar 3 maal minder inwoners leven.

Meer dan de helft van de bevolking in de Gazastrook leeft onder de armoedegrens. De werkloosheid voor de blokkade bedroeg ongeveer 23,6%. Tien jaar later, in 2017, stond de werkloosheidsgraad op 44%. (Bij jongeren onder de 29 jaar ging het om 61,9% werklozen en bij vrouwen om 71,5%.) De economische repercussies van het Corona-virus zouden de armoede en de werkloosheidsgraad ondertussen nog verder de hoogte ingedreven hebben. Eind 2020 bedroeg de werkloosheidsgraad in de Gazastrook zo’n 50%.

Ook de gezondheidszorg wordt zwaar getroffen door de blokkade. Er is een nijpend gebrek aan medicijnen en medisch materiaal, dat nog acuter werd sinds de COVID-19 pandemie.

Israëlische oorlogen in de Gazastrook

Tegen deze achtergrond van enorme sociale druk, veroorzaakt door armoede, economische inertie en isolatie, lanceerde Israël sinds 2008 vier vernietigende oorlogen tegen de Gazanen.

De eerste oorlog, operatie ‘Cast lead’ (in de Arabische wereld bekend als het Gaza bloedbad) was een drie weken durend offensief gelanceerd op 27 december 2008 dat volgens Israël een einde moest stellen aan de lancering vanuit Gaza van zelfgemaakte raketten door Hamas en andere militante groeperingen.

Resultaat: 1400 dode Palestijnen (van wie het grootste deel burgers) en 13 dode Israëli's (waarvan 4 per ongeluk gedood door het eigen leger); de vernietiging van 10.000 woningen, 15 hospitalen, 800 waterbronnen en de elektriciteitscentrale; tienduizenden dakloze Gazanen en een acuut voedseltekort.

De tweede militaire aanval tegen Gaza ging door in november 2012 en heette operatie 'Pillar of Defence'. Ze duurde 8 dagen en eiste 6 Israëlische (2 soldaten) en 174 Palestijnse slachtoffers (waarvan meer dan 100 burgers). Opnieuw werd er aanzienlijke schade aangericht aan de infrastructuur in Gaza. Zo werden bijvoorbeeld 52 moskeeën, 97 scholen, 15 medische centra, 16 overheidsgebouwen en 15 fabrieken getroffen.

De langste en dodelijkste van de recente Israëlische oorlogen in Gaza was de 7-weken durende operatie 'Protective Edge'. Bij deze aanval in de zomer van 2014 lieten meer dan 2000 Gazanen het leven, onder hen 526 kinderen. In het Israëlische kamp sneuvelden 66 soldaten en 6 burgers.

De materiële schade die werd aangericht in de Gazastrook was enorm. De vernietiging en beschadiging van meer dan 160.000 huizen maakte tienduizenden Palestijnen dakloos. Alle cruciale infrastructuur in Gaza werd beschadigd: meer dan 70 hospitalen, meer dan 250 scholen, de waterzuiveringsinstallaties, de elektriciteitscentrale, de helft van de reeds schaarse landbouwgrond en meer dan 350 fabrieken.

Gebouwen en scholen van de UNRWA die dienst deden als schuilplaatsen voor burgers werden ook onder vuur genomen. Israël stelde laconiek dat de wijdverspreide verontwaardiging hierover gericht moest worden tegen Hamas.

De meest recente militaire aanval tegen Gaza begon in de nacht van 10 mei 2021, toen het gebied bestookt werd met luchtaanvallen als vergeldingsmaatregel voor Hamas-raketten die eerder op de avond waren afgevuurd richting Israël.

De prelude tot deze militaire operatie was het protest dat ontstaan was in Oost-Jeruzalem tegen de gedwongen uithuiszetting van Palestijnse families in Sheikh Jarrah (een wijk in het bezette Oost-Jeruzalem) en tegen het bredere Israëlische beleid dat alle Palestijnen uit dit stadsdeel wil verdrijven ten gunste van Joodse kolonisten.

De politie trad hardhandig op tegen demonstranten en de spanningen sloegen in het weekend van 8 mei over naar de site van de Al-Aqsa moskee, waar vele tienduizenden Palestijnen waren samengekomen ter gelegenheid van Laylat al-Qadr, een belangrijke dag tijdens de Ramadan.

Nadat de Israëlische veiligheidstroepen op 10 mei voor de derde dag op rij de Al-Aqsa-site bestormden om de daar verzamelde Palestijnen te confronteren met traangas, schokgranaten en rubberen kogels, vaardigde Hamas een ultimatum uit. De bestuurders van de Gazastrook gaven Israël exact een uur de tijd om het arbitrair geweld tegen de Palestijnen in Oost-Jeruzalem te stoppen en zich terug te trekken uit de Al-Aqsa-site. Het ultimatum werd genegeerd, waarop vanuit Gaza raketten werden afgevuurd richting Israël.

Op 21 mei, na 11 dagen van bombardementen op Gaza, werd een staakt-het-vuren overeen gekomen tussen Israël en Hamas. Balans van deze meest recente Gaza-oorlog: 256 dode (waarvan 66 kinderen) en meer dan 2200 gewonde Palestijnen. Zo’n 18.600 huizen, 33 media-instellingen, 66 scholen en 525 zaken of bedrijven op de Gazastrook werden volledig vernietigd of beschadigd. 

Gisha, een Israëlische mensenrechtenorganisatie die de effecten van de blokkade monitort, meldt het systematisch achterhouden van de noodzakelijke bouwmaterialen om de schade aan essentiële infrastructuur te herstellen. In september 2012 concludeerde de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties dat 75% van de burgerhuizen vernietigd door Israël tijdens operatie Cast Lead (2008-2009) nog altijd niet hersteld was.

De restricties op constructiematerialen leidt ook tot veel technisch werkloze arbeiders in de belangrijke bouwsector. Zij vervoegen het leger aan werkloze Gazanen in een wanhopige economische situatie.

Het Israëlisch beleid ten opzichte van Gaza -zowel de economische blokkade als de militaire aanvallen- komen neer op een collectieve bestraffing van een burgerbevolking omwille van een situatie waar ze geen vat op heeft. Vermits de Gazastrook dichtbevolkt en hermetisch afgesloten is, zijn luchtaanvallen op het gebied per definitie een oorlogsmisdaad. Burgers kunnen immers niet ontzien worden.

Vredesgesprekken 2013-2014

Eind juli 2013 werd het zogenaamde ‘vredesproces’ nieuw leven ingeblazen met rechtstreekse onderhandelingen tussen de PA van Abbas en Israël. Hamas verwierp de legitimiteit van Abbas om in naam van het Palestijnse volk te onderhandelen.

Er werden 9 maanden voorzien om tot een finale status-akkoord te komen, maar opnieuw strandden de gesprekken voor de vooropgestelde deadline. Israël maakte boos een einde aan de onderhandelingen toen Fatah en Hamas op 23 april 2014 een verzoeningsovereenkomst hadden gesloten waarin de oprichting van een Palestijnse eenheidsregering voorzien was. Israël beschouwt Hamas als een terroristische organisatie en weigerde te onderhandelen met een Palestijnse regering waar ze deel van uitmaakt.

Bij aanvang van de onderhandelingen had Israël de constructie aangekondigd van 1200 nieuwe kolonistenwoningen op bezet gebied. Drie dagen na deze aankondiging, keurde Israël de bouw van nog eens 900 kolonistenwoningen goed in het bezette Oost-Jeruzalem. Een woordvoerder van de regering liet ook weten dat de nederzettingen onderdeel van Israël zouden blijven in elk mogelijk vredesakkoord.

De Speciale Gezant van de VS, Indyk, die de vredesgesprekken moest overzien, legde de schuld voor de mislukte onderhandelingen vooral bij Israël, maar hij werd tegengesproken door het VS-ministerie van Buitenlandse Zaken dat stelde dat “geen van beide zijden er schuld aan had”.  

Met de benaming Palestijnen wordt verwezen naar de Arabieren -zowel moslims, christenen als druzen- die op het moment van de oprichting van de Israëlische staat al generaties lang in historisch Palestina leefden – een territorium dat gedefinieerd wordt door de grenzen van het Brits Mandaatgebied Palestina.

Vandaag leven zo’n 6 miljoen Palestijnen binnen dit territorium, dat verdeeld is tussen de staat Israël, de Westelijke Jordaanoever (inclusief Oost-Jeruzalem) en de Gazastrook. De twee laatstgenoemde gebieden werden in 1967 veroverd en bezet door Israël.

In 1948, na de uitdrijving van 75% van de Palestijnen bleven er ongeveer 150.000 over in het gebied waarop de Israëlische staat gesticht werd. 30.000 tot 40.000 van hen waren intern ontheemd, wat betekent dat ze gevlucht waren maar niet buiten de grenzen van Israël terecht kwamen. Ze mochten niet terugkeren naar hun huizen en gronden, die in beslag genomen werden door de staat en toegewezen werden aan Joodse ontwikkelingsprojecten.

Vandaag leven meer dan 1,9 miljoen Palestijnen binnen de staakt-het-vuren-grenzen van 1949. Ze maken 21% uit van de totale bevolking in Israël. Tot 1966-1967 leefden ze er onder een militair regime dat hun bewegingsvrijheid en andere rechten sterk inperkte. Daarna kregen ze het Israëlisch burgerschap en stemrecht toegekend, maar op veel vlakken blijven ze tweederangsburgers.

Israël definieert zichzelf immers expliciet als een Joodse staat. In 2018 nam de Knesset een basiswet aan (Israël heeft geen grondwet), de Wet op de Natiestaat, die stelt dat Israël de natiestaat van het Joodse volk is en Hebreeuws de enige officiële taal. De Palestijnse burgers van Israël zijn niet-Joods en worden in de maatschappij onderworpen aan allerlei vormen van racisme en wettelijk vastgelegde discriminatie (onder meer door veel minder overheidsgeld toe te kennen aan openbare diensten, de economische ontwikkeling en de infrastructuur van Arabische wijken en steden). 

Vandaag leven er ongeveer 3 miljoen Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem, en ongeveer 2 miljoen in de Gazastrook. De overige Palestijnen leven in de diaspora verspreid over heel het Midden-Oosten en de wereld. Een deel van hen trok naar de Arabische Golfstaten om te werken. 

De Palestijnse vluchtelingengemeenschappen zijn het grootst in de onmiddellijke buurlanden. Ze hebben er te maken met heel verschillende levensomstandigheden. In Jordanië hebben de meeste Palestijnen het burgerschap gekregen.

In Libanon is de situatie van de Palestijnen erbarmelijk. Ze hebben het statuut van ‘staatlozen’ en de meesten van hen wonen nog altijd in decenniaoude, overvolle vluchtelingenkampen of krottenwijken. De Palestijnen in Libanon worden onderworpen aan uitgebreide tewerkstellingsrestricties en mogen geen eigendommen verwerven. De UNRWA telt iets meer dan 479.500 geregistreerde Palestijnse vluchtelingen in Libanon. 

In Syrië worden de oude vluchtelingenkampen ook nog altijd gebruikt, maar een meerderheid van de Palestijnen leeft als ‘niet-staatsburgers’ buiten de kampen. Palestijnse vluchtelingen mogen er werken en hebben toegang tot sociale diensten, maar de aanslepende oorlog in het land heeft meer dan de helft van de kampen verwoest of beschadigd.

In Syrië zijn zo’n 560.000 Palestijnse vluchtelingen geregistreerd bij de UNRWA. Door de Syrische oorlog zijn een pak van hen opnieuw op de vlucht gejaagd. Ongeveer 120.000 Palestijnen hebben het land verlaten. Van de ongeveer 438.000 Palestijnen die vandaag nog in het land zijn, is bijna 60% ten minste eenmaal intern ontheemd. 

Hoewel heel wat Palestijnen nog altijd in vluchtelingenkampen en sloppenwijken leven, konden anderen zich sociaal-economisch verbeteren, mede doordat de Palestijnen vandaag het hoogst aantal universitair afgestudeerden per hoofd van de bevolking tellen in de Arabische wereld.

Deal van de eeuw

Met de komst van Donald Trump in het Witte Huis in 2017, verdween elke schijn van Amerikaanse onpartijdigheid. Naast de intrekking van de jaarlijkse Amerikaanse bijdrage aan de VN-vluchtelingenorganisatie voor Palestijnen (UNRWA), verhuisde de VS zijn ambassade in Israël van Tel Aviv naar Jeruzalem. De Amerikaanse erkenning van de annexatie van Oost-Jeruzalem en van Jeruzalem als ondeelbare hoofdstad van de Joodse staat (door Israël vastgelegd in een basiswet in 1980), was daarmee een feit. Daarnaast erkende de Trump-regering ook de soevereiniteit van Israël over de geannexeerde Syrische Golanhoogten.  

In januari 2020 kwam de VS-president op de proppen met het politieke luik van zijn zelfverklaarde ‘Deal of the Century’, een vredesplan dat “de verbetering van de levens van het Palestijnse en Israëlische volk” voor ogen had.

Bij de totstandkoming van het plan werd echter geen enkele Palestijnse leider of onderhandelaar betrokken en bij de voorstelling ervan stond de Israëlische premier Netanyahu aan Trumps zijde. Het kwam dan ook tegemoet aan alle wensen van de Israëlische regering en vereiste dat de Palestijnen aan hun rechten verzaakten.

Trumps ‘deal’ verankerde het nederzettingenkolonialisme en het zionisme en toonde een volledige minachting voor rechtvaardigheid, soevereiniteit, zelfbeschikking en het internationaal recht. Zo steunde het plan onder meer de volledige Israëlische annexatie van alle illegale Joodse nederzettingen op bezet gebied, de aanleg van een complex netwerk van door Israël gecontroleerde tunnels en wegen voor Palestijnen zodat ze heen en weer kunnen gaan tussen hun geïsoleerde Bantoestans, en de confiscatie van de vruchtbare gronden in de Jordaanvallei.  

Verder moesten de Palestijnen Israël erkennen als “een Joodse staat”, wat neerkomt op het officieel accepteren van racisme, permanente ongelijkheid en een rechtvaardiging voor etnische zuivering. Het plan eiste een volledige demilitarisering van het verbrokkelde gebied dat toegewezen zou worden als de Palestijnse staat, terwijl het Israëlisch leger -gesterkt door de jaarlijkse militaire VS-steun van 3,8 miljard dollar- er heer en meester bleef.      

Trumps ‘vredesplan’ werd verworpen door de Palestijnen. Op veel vlakken is het echter al een weerspiegeling van de huidige realiteit. Het bevestigt de aan de gang zijnde realisering van de zionistische droom van een ‘Groter Israël’, een Joodse staat op een zo groot mogelijk deel van het voormalig Brits Mandaatgebied Palestina, met zo weinig mogelijk Palestijnen erin.

Trumps plan bekrachtigt ook het failliet van het zogenaamde vredesproces gebaseerd op een tweestatenoplossing waarbij het gebruik van de term ‘staat’ in het geval van de Palestijnen geen betekenisvolle soevereiniteit of zelfbeschikking inhoudt.

BDS

Ondanks de vele VN-veroordelingen van het Israëlisch apartheids-, bezettings- en nederzettingenbeleid worden amper inspanningen geleverd om het internationaal recht op te leggen of Israël ter verantwoording te roepen.

Mede dankzij de quasi onvoorwaardelijke steun van de VS, die bijvoorbeeld systematisch zijn veto gebruikt in de VN-Veiligheidsraad om Israël de hand boven het hoofd te houden, legt Israël de internationale kritiek al decennia simpelweg naast zich neer. Ook andere regeringen in de wereld ondernemen, op occasionele verbale veroordelingen na, niets om Israël aan te sporen het internationaal recht na te leven.  

Vanuit de vaststelling dat niet op de internationale diplomatieke architectuur gerekend kan worden om hun basisrechten af te dwingen, gooiden de Palestijnen het over een andere boeg. Geïnspireerd door de internationale boycotcampagne die mee aan de basis lag van de beëindiging van het apartheidsregime in Zuid-Afrika, lanceerde de Palestijnse civiele maatschappij in 2005 de BDS-beweging.

BDS staat voor boycot, desinvestering en sancties. Uitgaand van het principe dat Palestijnen dezelfde rechten verdienen als de rest van de mensheid probeert deze geweldloze beweging voor vrijheid, gerechtigheid en gelijkheid druk te zetten op Israël met de hulp van georganiseerde burgers overal ter wereld.

BDS is ondertussen uitgegroeid tot een levendige en diverse beweging. Vakbonden, academische verenigingen, een waaier aan NGO’s, religieuze verenigingen en allerlei grassrootsorganisaties wereldwijd steunen ondertussen de drie objectieven van de BDS: 1. De beëindiging van de bezetting en kolonisatie van de Westelijke Jordaanoever inclusief Oost-Jeruzalem, Gaza en de Syrische Golanhoogten; 2. De erkenning van de fundamentele en gelijke rechten van de Arabisch-Palestijnse inwoners van Israël; 3. Het respecteren, beschermen en bevorderen van het recht op terugkeer van Palestijnse vluchtelingen zoals gestipuleerd in VN-resolutie 194 (december 1948).

BDS-campagnes viseren de Israëlische staat omdat ze verantwoordelijk is voor ernstige schendingen van het internationaal recht, maar ook bedrijven en instellingen die participeren en medeplichtig zijn aan deze schendingen. Alle vormen van Palestijns verzet tegen de bezetting worden door Israël beschouwd als een bedreiging voor zijn nationale veiligheid, ook geweldloze methodes zoals het oproepen tot boycot, desinvestering en sancties.

Israël doet zijn uiterste best om veroordelingen van het bezettingsbeleid, van zijn schendingen van het internationaal recht en zijn mensenrechtenschendingen gelijk te stellen met antisemitisme. Kritiek op het zionisme amalgameert het met de verwerping van het jodendom. Israël is echter een staat, geen persoon. Iedereen heeft het recht om de onrechtvaardige acties van een staat te veroordelen.

Vrede vzw over het conflict tussen Israël en de Palestijnen

  • Vrede vzw steunt al decennia de strijd van de Palestijnen voor een rechtvaardige oplossing van het conflict met Israël, gebaseerd op respect voor het internationaal recht, voor de mensen- en burgerrechten en voor het recht op zelfbeschikking. Het betreft een conflict met totaal scheefgetrokken machtsverhoudingen, waarbij een onderdrukkende bezettingsmacht een apartheidsregime oplegt aan een bezet volk dat strijd om zijn fundamentele rechten.
     
  • Vrede vzw gelooft dat de zionistische ideologie en Israëls huidige standpunten over demografie de grootste obstakels vormen voor vrede in Israël en Palestina. Palestijnen worden beschouwd als een militair doelwit, een veiligheidsrisico en een demografische tijdbom. Het is daarom onvermijdelijk dat racisme, apartheid en etnische zuivering een onderdeel zijn gaan uitmaken van het Israëlisch overheidsbeleid.
     
  • Vrede vzw veroordeelt elke aanval op burgers van alle betrokken partijen.
     
  • Vrede vzw steunt de internationale BDS-beweging actief en voert er in België campagne rond.
     
  • Zolang Israël flagrant het internationaal recht en de fundamentele rechten van de Palestijnen blijft schenden, is Vrede vzw voor de opschorting van het Associatieverdrag tussen Israël en de Europese Unie. Dit verdrag -dat Israël een bevoorrechte positie geeft op de Europese markten- omvat een mensenrechtenclausule die dit strikt genomen zelfs verplicht maakt.
     
  • Vrede vzw pleit voor een verbod op elke wapenverkoop aan Israël door de Europese Unie en zijn lidstaten op grond van de Europese Gedragscode rond wapenuitvoer naar landen in conflict. Tegelijk moet er een verbod komen op alle invoer van Israëlische wapens en militair materieel zolang Israël flagrant het internationaal recht en de fundamentele rechten van de Palestijnen blijft schenden.

 


Iets fout of onduidelijk gezien op deze pagina? Laat het ons weten!

Campagne

BDS

De Boycot, Desinvestering & Sancties-beweging (BDS) wil een einde brengen aan de internationale steun voor de Israëlische onderdrukking van de Palestijnen. Vrede vzw ondersteunt de BDS-beweging in België. 

Image
Tijdlijn Palestina

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze digitale nieuwsbrief.