Europese defensie

Europese defensie
Basisinformatie

Inhoud

Inleiding

In haar ‘Staat van de Unie 2021’ zei voorzitter van de Europese Commissie Ursula Von der Leyen dat er nood is aan een Europese ‘defensie-unie’. Binnen de Europese politieke top lijkt men het er over eens te zijn dat Europa militair meer op eigen benen moet staan. Het debat over een ‘autonome strategie’ kwam vanaf 2016 in een stroomversnelling. De ‘America first’-koers onder president Trump (2016-2020) en de Britse beslissing om de EU de rug toe te keren (2016), zijn daar niet vreemd aan.

Bovendien is de strategische omgeving drastisch veranderd. De VS blijft de belangrijkste grootmacht, maar moet China en Rusland als opkomende machten naast zich dulden. De NAVO spreekt van “strategische rivalen”. De VS en het Verenigd Koninkrijk (VK) hebben hun militaire aandacht deels verlegd naar het Zwarte Zeegebied en vooral de zogeheten ‘Indo-Pacifische ruimte’.

Zo sloten de VS en het VK in september 2021 een defensiepact met Australië (AUKUS) tot groot ongenoegen van vooral Frankrijk dat zich gepasseerd voelt en een belangrijke duikbootdeal door de neus geboord ziet. Het voorval vond plaats kort na de chaotische aftocht van de buitenlandse troepen uit Afghanistan, eind augustus 2021. In Europa is er ongenoegen over het eigengereid optreden van de VS.

Hoewel de meeste landen van de Europese Unie ook lid zijn van de NAVO en het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid van de Europese Unie al enkele decennia in ontwikkeling is, wordt de Europese militaire samenwerking vooral de jongste jaren uitgediept.

Beginnende Europese (militaire) samenwerking

In maart 1948 sloten vijf Europese landen (Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, België, Nederland en Luxemburg) het Verdrag van Brussel af, waarin een militaire bijstandsverplichting werd opgenomen. Met het toetreden van Duitsland en Italië en het mislukken van de Europese Defensiegemeenschap (zie verder), zal het Verdrag in 1954 opgaan in de West-Europese Unie (WEU), een West-Europese organisatie voor militaire samenwerking die tot 2011 bestond.

Het bestaan van de NAVO zorgde ervoor dat de WEU bijna de hele Koude Oorlog lang geen rol van betekenis speelde. Pas in 1987-1988 zal de WEU geactiveerd worden met de coördinatie van een mijnopruimingsmissie in de Perzische Golf.

De Europese integratie kwam er via een ander project, dat economische samenwerking beoogde. In 1950 stelde de Franse minister van Buitenlandse Zaken, Robert Schumann, een stapsgewijze integratie voor tussen Frankrijk, Duitsland en een aantal West-Europese landen, te beginnen met een gemeenschappelijk economisch systeem dat noodzakelijk geacht werd om “de vrede te bewaren”.

Meer nog dan het bewaren van de vrede, speelden de belangen van de economische elite in de VS, die gebaat was bij de opname van Duitsland in een groter economisch geheel. In 1951 sloten Frankrijk, Duitsland, Italië en de Benelux-landen een verdrag voor de oprichting van een Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), die in 1957 zal omgevormd worden tot de Europese Economische Gemeenschap (EEG) via het Verdrag van Rome. 

Dezelfde zes landen richtten in 1952, een jaar na de start van de EGKS, de Europese Defensie Gemeenschap (EDG) op, met als belangrijkste doel het mogelijk maken van de herbewapening van Duitsland als dam tegen het communistisch blok. De organisatie bleef dode letter omdat het Frans parlement het oprichtingsverdrag weigerde te ratificeren.

Verdrag van Maastricht of het EU-Verdrag

Pas na de Koude Oorlog, begin de jaren 1990, kwam het proces op gang om een echt Europees Veiligheids- en Defensiebeleid op te zetten. Met de oprichting van de Europese Unie in het Verdrag van Maastricht, kortweg het EU-Verdrag (1992), beslisten de 12 toenmalige Europese lidstaten om hier werk van te maken van.

Het EU-Verdrag voorziet in de mogelijkheid om een gezamenlijk defensiebeleid te ontwikkelen, met de vermelding dat dit geen afbreuk doet aan de verplichtingen aan de NAVO voor de betrokken lidstaten. Het zal sindsdien een voortdurende en delicate evenwichtsoefening worden tussen de landen die streven naar een zo groot mogelijke autonome Europese militaire capaciteit en zij die de voorkeur geven aan de NAVO voor hun collectieve defensie en veiligheid.

Voor die laatste groep landen kan een militaire integratie van Europa wel, maar dan moet die ondergeschikt zijn aan de NAVO en de Atlantische alliantie ten goede komen. In 2003 sloten de EU en de NAVO een akkoord met een concreet pakket van regelingen, ‘Berlijn Plus’, waardoor de EU voor ‘crisisbeheersingsoperaties’ onder haar leiding gebruik kan maken van NAVO-middelen en -capaciteiten. Het luidde het begin in van de verankering van de EU aan de NAVO op militair vlak.

Autonome Europese militaire capaciteit

Het Verdrag van Maastricht creëerde ook een institutionele band tussen de EU en de WEU. De WEU werd gezien als de ‘defensiecomponent’ van de EU, en diende de Europese pijler van de NAVO te versterken. Een paar maanden na Maastricht, in juni 1992, stelden de WEU-lidstaten tijdens een bijeenkomst in Bonn een verklaring op om de operationele rol van de WEU te versterken.

De militaire taken van de WEU die er werden vastgelegd, omvatten humanitaire- en reddingsoperaties, vredeshandhavingsopdrachten (‘peacekeeping’), crisisbeheersingsmissies en operaties om vrede af te dwingen (‘peacemaking’). Deze ‘Petersbergtaken’ werden in 1997 ondergebracht bij het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) van de EU. Dit beleid kreeg een eigen gezicht met de creatie van de post van Hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid. Deze functie werd in 1999 voor het eerst bekleed door Javier Solana.

De crisis in Joegoslavië in de jaren 1990 weekte veel los. De dominantie van de VS bij het optreden tijdens de Bosnische burgeroorlog (1992-1995) en de oorlog in en om Kosovo (1998-1999), zorgde voor wrevel bij verschillende Europese leiders. Eind 1998 vond een Brits-Franse topontmoeting plaats in Saint-Malo. In een gezamenlijke verklaring stelden de Britse premier Tony Blair en de Franse president Jacques Chirac dat de EU “een capaciteit moet hebben voor autonome actie, ondersteund door geloofwaardige militaire troepen en middelen, en de bereidheid moet tonen ze in te zetten als antwoord op internationale crisissen”.

Op de Europese Raad in Keulen (1999) bevestigden de lidstaten de ambitie voor een Europese Veiligheids- en Defensiepolitiek (ESDP), een autonome militaire capaciteit. Er werden instellingen in het leven geroepen die moesten instaan voor de analyse, planning en uitvoering van de militaire operaties van de EU. Het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) wordt het permanente orgaan in Brussel, bestaande uit vertegenwoordigers op ambassadeursniveau. Een Militair Comité bestaande uit militaire vertegenwoordigers doet aanbevelingen aan het PVC. Een Militaire Staf staat in voor de Europese militaire missies.

EU Battle Groups

Op een EU-top in Helsinki (december 1999) werd afgesproken om werk te maken van een Europese Snelle Reactiemacht (ERRF), bestaande uit 50.000 tot 60.000 troepen, verdeeld over 15 brigades, die binnen de 60 dagen kunnen ontplooid worden voor een periode tot 1 jaar. Dit initiatief geraakte echter nooit van de grond.

Een paar jaar later probeerden de EU-landen hier een mouw aan te passen met de oprichting van de ‘EU Battle Groups’, roterende bataljons van rond de 1500 troepen uit verschillende EU-landen. Deze Battle Groups bestaan sinds 2007, maar werden nog nooit ingezet.

Ze dienen niet voor de verdediging van het grondgebied – dat wilden pro-NAVO-lidstaten in de EU, zoals het Verenigd Koninkrijk, toen niet. Ze moeten missies kunnen uitvoeren zoals opgesomd in het EU-Verdrag (de geactualiseerde Petersbergtaken): “gezamenlijke ontwapeningsacties, humanitaire en reddingsmissies, advies en bijstand op militair gebied, conflictpreventie en vredeshandhaving, missies met het oog op crisisbeheersing, waaronder vredesstichting, alsmede stabiliseringsoperaties na afloop van conflicten”.

Europese Veiligheidsstrategie

In 2003 legde de EU voor het eerst de beginselen en duidelijke doelstellingen van het in Maastricht overeengekomen Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid vast in een Europese Veiligheidsstrategie (EVS). De EVS bevatte een duidelijk pleidooi om meer en beter samen te werken op het vlak van defensie.

De Veiligheidsstrategie opende optimistisch: “Europa is nog nooit zo welvarend, veilig en vrij geweest. Het geweld van de eerste helft van de 20ste eeuw heeft plaatsgemaakt voor een in de Europese geschiedenis nog nooit eerder geziene periode van vrede en stabiliteit”. Met Rusland moet de EU “blijven werken aan nauwere betrekkingen”.

“Sinds het einde van de Koude Oorlog zijn de dreigingen veranderd”, klonk het verder. Volgens de EVS waren de belangrijkste bedreigingen waartegen de EU zich moest wapenen het terrorisme, de verspreiding van massavernietigingswapens, regionale conflicten, het falen van staten en de georganiseerde misdaad. Met dergelijke dreigingen “bevindt de eerste defensielinie zich vaak buiten de Europese Unie”, zo stelde de Veiligheidsstrategie.

Er was erkenning voor het feit dat veel dreigingen niet militair van aard zijn, maar desalniettemin lag de focus van de EVS op de ontwikkeling van een steviger militair apparaat.

Europees Defensie Agentschap

In de zomer van 2004 werd het Europees Defensie Agentschap (EDA) opgericht. Dat kwam er op aanraden van een 'Europese Adviesgroep voor Ruimtevaart’ waarin naast vijf Europese Commissieleden en twee Europarlementsleden, zeven toplui van de luchtvaartindustrie zetelden.

De opdracht van het EDA werd een paar jaar later (2007) in het Verdrag van Lissabon omschreven: “De lidstaten verbinden zich ertoe hun militaire vermogens geleidelijk te verbeteren”. Vrij vertaald betekent dit dat EU-lidstaten zich meer en beter moeten bewapenen. Het Agentschap moet daarvoor onder meer “de industriële en technologische basis van de defensiesector versterken”.

De belangen van de militaire industrie werden daarmee in feite verdragsrechtelijk vastgelegd. Het EDA moet ook het onderzoek in de defensietechnologie stimuleren.

Het Verdrag van Lissabon

Het Verdrag van Lissabon (2007), dat het functioneren van de Unie wijzigde via een reeks amendementen op de Verdragen van Rome en Maastricht, besteedde een apart luik aan het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid (GVDB). Hier werd het hele instrumentarium van de militarisering van de EU uitgewerkt. Het omzetten in de praktijk zou vanaf 2016 in een stroomversnelling komen.   

Het Verdrag van Lissabon legitimeerde de NAVO als een belangrijke instelling wat betreft de gemeenschappelijk defensie in Europa. In een aan het Verdrag gekoppeld protocol over de Permanente Gestructureerde Samenwerking heet het dat “een meer nadrukkelijke rol van de Unie op het gebied van veiligheid en defensie de vitaliteit van een hernieuwd Atlantisch Bondgenootschap ten goede zal komen”.

Er is ook een bijstandsclausule opgenomen in het Verdrag. Deze verplicht de EU-lidstaten “met alle middelen” hulp en bijstand te verlenen, indien een lidstaat op zijn grondgebied gewapenderhand wordt aangevallen.

Het Verdrag van Lissabon voorziet verder in de oprichting van een Permanente Gestructureerde Samenwerking (PESCO), een samenwerking tussen bepaalde lidstaten waarvan de militaire capaciteiten voldoen aan strengere criteria en die daarrond verregaande verbintenissen zijn aangegaan voor de “uitvoering van de meest veeleisende taken”. Het zou nog tot eind 2017 duren vooraleer de EU ministers van Buitenlandse Zaken PESCO tot leven wekken.

Waar is het principe van de ontwapening gebleven?

In het Verdrag van Lissabon verbinden de lidstaten zich ertoe “hun militaire vermogens geleidelijk te verbeteren”. Het woord ontwapening komt in de verdragstekst niet voor, tenzij het gaat over militaire ontwapeningsmissies buiten de Unie als onderdeel van de Petersbergtaken (militaire missies buiten de Europese Unie).

Het debat dat in de periode kort voor en na het einde van de Koude Oorlog in Europa begon met de ondertekening van de Slotakte van Helsinki (1975) op de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, had nochtans een heel andere toon. De Slotakte was een akkoord over een Europese veiligheidsarchitectuur tussen landen van beide toenmalige rivaliserende militaire blokken (de NAVO en het Warschaupact), dat de ondeelbaarheid van veiligheid in Europa erkende. De ondertekenaars beloofden zich te onthouden van militaire dreigingen en hun conflicten op vreedzame wijze op te lossen. Het uiteindelijke doel van de Slotakte was de “algemene en volledige ontwapening”.

Op basis van de principes van de Slotakte van Helsinki werd na de Koude Oorlog de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) opgericht. Maar de organisatie zal niet de verhoopte civiele pan-Europese veiligheidsorganisatie worden.

Globale Veiligheidsstrategie van de EU

Sinds de Europese Veiligheidsstrategie (EVS) van 2003 werd Europa met een paar crisissen geconfronteerd, zoals de financiële crisis van 2008, de problemen in de Krim en Oekraïne (2014), internationaal terrorisme, groeiende migratiestromen en de klimaatverandering. Het pleidooi van Javier Solana, geformuleerd in de EVS, om nauwer samen te werken met grootmachten die als potentiële tegenstanders worden gezien, moest plaats ruimen voor een politiek van toenemende concurrentie en confrontatie met rivaliserende grootmachten.

De nieuwe Globale Veiligheidsstrategie van de EU, opgesteld in 2016, toont zich veel pessimistischer over de evolutie van de internationale strategische omgeving dan de versie van 2003. “Het doel, en zelfs het bestaan van onze Unie wordt ter discussie gesteld. (…) Onze ruimere regio is onstabieler en onveiliger geworden”, zo luidt het in de inleiding. De nieuwe Veiligheidsstrategie legt de nadruk op de noodzaak van een autonoom strategisch vermogen.

Hoewel de Globale Veiligheidsstrategie van de EU het concept ‘veiligheid’ op het eerste zicht breed benadert -met oog voor de civiele component ervan- is het een document dat vooral een aanzet geeft om de militaire component verder te ontwikkelen. In de praktijk ligt de focus op het uitwerken van militaire instrumenten, zoals de 13 acties van de Raad van de Europese Unie (november 2016) die bedoeld zijn om de Globale Veiligheidsstrategie van de EU in de praktijk om te zetten.

De nieuwe Veiligheidsstrategie kwam er op het ogenblik dat de Britten er in een referendum voor kozen om de EU te verlaten. Het vertrek van het zeer pro-Atlantische VK bracht de Europese militarisering in een stroomversnelling. Hetzelfde jaar nog komt er een Europees Defensie Actieplan (2016), dat de Europese basis van de defensie-industrie moet versterken met financiering uit een nieuw Europees Defensiefonds. Een ‘Onderzoeksvenster’ moet investeringen in gezamenlijk Europees onderzoek ondersteunen en een ‘Capaciteitsvenster’ zorgt voor Europese cofinanciering van gemeenschappelijke projecten voor de ontwikkeling van militair materieel en -technologieën.

Voor de periode 2021-2027 voorziet het Europees Defensiefonds bijna 8 miljard euro: 2,7 miljard euro voor gezamenlijk defensieonderzoek en 5,3 miljard euro voor de ontwikkeling van militaire capaciteiten als aanvulling op de nationale bijdragen.

In 2016 werd –zoals voorgesteld in de nieuwe Globale Veiligheidsstrategie van de Unie– de samenwerking tussen de EU en de NAVO verder uitgediept met een gezamenlijke verklaring op de NAVO-top in Warschau.

Concreet gaan beide organisaties samenwerken op 7 domeinen: het tegengaan van hybride bedreigingen; op operationeel gebied, ook op zee; migratie; cyberveiligheid en defensie; de ontwikkeling van defensiecapaciteiten; defensie-industrie en onderzoek; militaire oefeningen; en de ondersteuning van de inspanningen voor capaciteitsopbouw van de oostelijke en zuidelijke partners.

PESCO

Op 11 december 2017 blies de Europese Raad leven in de Permanent Gestructureerde Samenwerking (PESCO), die sinds het Verdrag van Lissabon louter op papier bestond. Alle Europese lidstaten, behalve Denemarken, Malta en het Verenigd Koninkrijk, dat toen volop bezig was met de Brexit, ondertekenden een gemeenschappelijke kennisgeving (‘notificatie’), waarin ze zich ertoe verbonden 20 criteria te respecteren.

Zo moeten de defensiebudgetten van de deelnemende lidstaten “regelmatig” stijgen. Van dat defensiebudget moet 20% gebruikt worden voor militaire investeringen, een norm die eerder al in NAVO-verband afgesproken werd. 2% van het nationaal defensiebudget moet specifiek gaan naar militair onderzoek en technologie. Verder worden maatregelen genomen om de defensiesamenwerking binnen de EU te verbeteren, waarbij een centrale rol wordt weggelegd voor het Europees Defensiefonds. Andere afspraken gaan o.a. over de beschikbaarheid en inzetbaarheid van de troepen, zoals de EU Battle Groups.

Elke twee jaar stellen de PESCO-landen een lijst op van gezamenlijke militaire ontwikkelingsprojecten. Tussen maart 2018 en eind 2021 werden er in totaal 60 projecten ingediend rond de ontwikkeling van land-, lucht- en maritieme capaciteiten.

De 25 PESCO-landen moeten elk hun engagementen vastleggen in een Nationaal Implementatieplan. De uitvoering wordt jaarlijks beoordeeld in een rapport zodat ze kan worden bijgestuurd. Dat betekent dat de lidstaten maar weinig bewegingsruimte krijgen en zich aan normen moeten houden met grote budgettaire en militair-strategische consequenties.

PESCO is nauw verbonden met het Europees Defensiefonds en de in 2017 opgestarte ‘Coordinated Annual Review on Defence’ (CARD). Het doel van CARD is om de lidstaten en de EU een beeld te geven van het defensielandschap in de verschillende lidstaten om zo mogelijke vormen van samenwerking te kunnen identificeren.

Militarisering van de Europese grenzen

De groeiende militarisering van de Europese Unie is ook heel erg zichtbaar bij de bewaking van de Europese buitengrenzen. Die valt onder de verantwoordelijkheid van het in 2004 opgerichte Frontex. In 2016 werd het mandaat van Frontex uitgebreid tot een volwaardig Europees Grens- en kustwachtagentschap.

Officieel moet Frontex de migratie ‘beheersen’ en de grensoverschrijdende criminaliteit bestrijden. In de praktijk gaat het om de militaire afscherming -met biometrische surveillance, wapens en militair materieel- van de EU-grenzen, wat zorgt voor miljoenencontracten voor de militaire industrie. De middelen van Frontex stijgen jaar na jaar exponentieel – van 6 miljoen euro in 2005 naar 460 miljoen euro in 2020.

Europese verantwoordelijkheid in het ontstaan van veiligheidsproblemen

Binnen de Europese instellingen is er weinig ruimte voor een kritische reflectie over de Europese verantwoordelijkheden in het ontstaan van veiligheidsproblemen. In de Globale Veiligheidsstrategie van de EU staat bijvoorbeeld dat de verspreiding van massavernietigingswapens “een groeiende bedreiging vormt voor Europa en de rest van de wereld”. EU-lid Frankrijk blijft evenwel zwaar investeren in zijn kernwapenarsenaal. Vier andere EU-lidstaten (België, Duitsland, Italië en Nederland) herbergen VS-kernbommen in het kader van de nucleaire taakverdeling in NAVO-verband.

Een ander voorbeeld is de rol van Europa als wapenexporteur. Volgens het onderzoekscentrum SIPRI was de Europese Unie in 2020 verantwoordelijk voor 26% van de wereldwijde export van grote wapensystemen. Op NAVO-niveau gaat het om bijna twee derde van alle wapenhandel. Volgens de officiële Europese data over wapenexport is Saoedi-Arabië de afgelopen 20 jaar het belangrijkste bestemmingsland, met uitvoervergunningen ter waarde van in totaal 35 miljard euro. Meer dan de helft van deze vergunningen is na 2015 toegekend, het jaar dat het land een oorlog ontketende in Jemen met talrijke burgerslachtoffers tot gevolg.

Verschillende EU-lidstaten waren ook betrokken bij destabiliserende oorlogen in landen als Afghanistan, Irak en Libië. Militaire inmenging voedt de redenen (vernietiging van de economische infrastructuur, onveiligheid, ...) waarom mensen op de vlucht slaan.

Europese militaire industrie

Het zit in de logica van de ontwikkeling van een gemeenschappelijke defensiecapaciteit dat dit een versterking van de Europese Technologische en Industriële Basis van Defensie (EDTIB) vereist. Volgens het Verdrag van Lissabon is die versterking een van de opdrachten van het Europees Defensie Agentschap. Volgens de EDTIB-strategie (2007) die door de Europese ministers van Defensie werd aanvaard, is het de ambitie om een “capaciteitsgedreven, competitieve en competente EDTIB op te richten en in stand te houden”.

‘Competitief’ heeft als gevolg dat de Europese militaire industrie zich -ondersteund door de Europese Commissie, met middelen van het Europees Defensiefonds- ook op de mondiale markt begeeft. Begin 2016 verscheen op vraag van de Europese Commissie een rapport met de titel ‘European Defence Research’ over de EU-financiering van militair onderzoek en technologie, waarin de noodzaak wordt geformuleerd van een defensie-industrie die de concurrentie kan aangaan op de wereldmarkt: “Vanuit industrieel oogpunt is toegang tot internationale markten een noodzaak, maar niet alleen ter compensatie van een krimpende thuismarkt: een toename van de uitvoer draagt aanzienlijk bij tot het behoud van de kritische massa van Europese defensiebedrijven en maakt de concurrentiekracht, het vermogen, de prestaties en betrouwbaarheid van de Europese exportproducten zichtbaar”.

Verderop klinkt het: “Als de EU-lidstaten niet investeren in de volgende generatie defensietechnologieën en niet tot een gemeenschappelijk standpunt komen over defensie-export, zullen andere landen uiteindelijk de Europese leveranciers verdringen op de exportmarkten”.

Het resultaat is dat wapens die met Europese begrotingsmiddelen zijn ontwikkeld vlot naar derde landen geëxporteerd worden. Er is weliswaar een ‘Common Position’ (een in principe bindende afspraak die de wapenhandel reguleert), met acht ethische criteria waaraan voldaan moet worden alvorens wapenexportlicenties toegekend worden – een bevoegdheid van de individuele EU-lidstaten.

De criteria omvatten garanties dat de geëxporteerde wapens niet gebruikt zullen worden voor mensenrechtenschendingen of in een conflict, maar in de praktijk is er veel ruimte voor politieke interpretatie van de kant van de lidstaten en bestaat er geen sanctiemechanisme. Daardoor leveren lidstaten zeer regelmatig exportlicenties af voor problematische bestemmingen.

Invloed van de militaire industrie op het GVDB

De invloed die de militaire industrie uitoefent bij het uitstippelen van het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid is een probleem. President Eisenhower waarschuwde al in 1961 in zijn afscheidsrede voor een vervlechting met de belangen en de invloed van het militair-industrieel complex. Er zijn heel wat indicaties dat de militaire industrie inderdaad mee de pen vasthoudt van het Europees Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid.

De Groep van Experten die het European Defence Research-rapport schreef, telde zeven CEO’s van wapenbedrijven, op een totaal van 16 leden. Het is dan ook weinig verwonderlijk dat er in het rapport geconcludeerd werd dat er meer Europees geld moet gaan naar defensieonderzoek en naar gezamenlijke Europese investeringen in militair materieel.

Het voorstel van de Europese Commissie in 2016 om in een testperiode 90 miljoen euro per jaar en vanaf 2020 jaarlijks 500 miljoen euro aan defensieonderzoek te besteden, was een rechtstreekse aanbeveling uit het rapport.

De invloed van de militaire industrie bestaat ook op het vlak van grensbewaking. Uit een onderzoek van ‘Corporate Europe Observatory’ blijkt dat Frontex overwegend vertegenwoordigers van de militaire industrie over de vloer krijgt (108 op de 138 vergaderingen tussen 2017 en 2019). Corporate Europe Observatory concludeert: “Er bestaat een verontrustende trend waarbij wapen-, bewakings- en biometrische bedrijven een buitenmaatse rol krijgen -ongeëvenaard door andere stemmen- bij het vormgeven van het EU-grenscontroleregime”.

De militaire- en veiligheidsindustrie lijkt ook een drijvende kracht achter de uitbesteding, via akkoorden, van de Europese grensbewaking aan 35 derde landen. Uit een studie blijkt dat de helft van deze landen als autoritair geclassificeerd kan worden en systematisch mensenrechten schendt. De financiering van het systeem verloopt via de ‘EU Emergency Trust Fund for Africa’ (EUTF), grotendeels bestaande uit middelen van het Europees Ontwikkelingsfonds dat sinds 2021 onder de Europese begroting valt.

Grote militaire en veiligheidsbedrijven zoals Thales, Rheinmetall en Airbus leveren militair en veiligheidsmaterieel. Ook zijn ze betrokken bij advies-, trainings- en managementtaken. Een voorbeeld is het Franse semi-overheidsbedrijf CIVIPOL (gedeeltelijk in eigendom van Thales, Airbus en Safran), dat in 2003 een invloedrijk rapport schreef voor de Europese Commissie over grensbeveiliging. Het rapport legde de funderingen voor een aantal militaire grensbewakingsmaatregelen waarvoor CIVIPOL vervolgens contracten in de wacht sleepte.

De militarisering van de grensbewaking verhoogde de dodentol van vluchtelingen en migranten. Volgens data van de Europese Unie is die op zee gestegen van 2087 doden in 2019 naar 2598 in 2021. De grensbewaking en de sturende rol van de militaire industrie zorgen voor contradicties in het Europees beleid dat zich nochtans formeel schraagt op het internationaal recht, de democratie en het respect voor de mensenrechten.

European Peace Facility

Op 22 maart 2021 bereikte de Raad van de Europese Unie een akkoord over de oprichting van een ‘European Peace Facility’ (EPF). De gekozen naam is bedrieglijk omdat het de facto een militaire faciliteit is die de gemeenschappelijke kosten moet financieren van militaire missies in het kader van de Gemeenschappelijke Veiligheids- en Defensiepolitiek (GVDB) van de EU. De daarvoor voorziene 5 miljard euro (voor 2021-2027) wordt gerealiseerd buiten de EU-begroting. Uitgaven ter ondersteuning van militaire operaties moeten volgens het EU-Verdrag immers met afzonderlijke bijdragen van de lidstaten worden gefinancierd.

Het EPF vervangt het Athena-mechanisme en de African Peace Facility (APF). Het Athena-mechanisme stond in voor de financiering van de gemeenschappelijke kosten gerelateerd aan militaire operaties van de EU in het kader van het GVDB. Het APF kreeg zijn middelen van het Europees Ontwikkelingsfonds. Het AFP mocht expliciet geen middelen voorzien voor militaire uitrusting, wapens of militaire training. Via het nieuwe EPF kan de EU voortaan op bilaterale basis militaire steun of uitrusting leveren aan derde landen in Afrika en in de rest van de wereld (wat nieuw is).

Volgens een persbericht van de Raad van de EU kan de Unie dankzij de European Peace Facility voor het eerst de activiteiten van haar gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) “aanvullen met bijstandsmaatregelen”. Zo kan op verzoek van derde landen of van regionale of internationale organisaties bijvoorbeeld militaire en defensie-gerelateerde uitrusting, infrastructuur of bijstand geleverd worden.

Het EPF stuit op kritiek. In een gezamenlijke verklaring stellen 40 Europese NGO’s dat de European Peace facility “de EU in staat stelt militairen over de hele wereld op te leiden en uit te rusten met dodelijke wapens. Dit ondanks het feit dat experts, waaronder het maatschappelijk middenveld, hun bezorgdheid uiten over het feit dat het fonds conflicten zou kunnen verergeren en zou kunnen bijdragen aan mensenrechtenschendingen in onstabiele regio's”.

Anno 2021 worden zeven EU-missies door de Europan Peace Facility gefinancierd.

Strategisch Kompas

Sinds 2019 werkt de ploeg rond Josep Borrell, de huidige Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlands en Veiligheidsbeleid, in overleg met de lidstaten aan een ‘Strategisch Kompas’. Concreet gaat het om een blauwdruk van een militaire strategie voor de komende vijf tot tien jaar, vergelijkbaar met het Strategisch Concept van de NAVO. De tekst zelf is eind 2021 nog niet publiek gemaakt. Wel zijn de grote lijnen gekend en is het voorwoord van Borrell reeds gepubliceerd.

Een van de meest in het oog springende voorstellen in het Strategisch Kompas is de oprichting van een snel inzetbare militaire macht van 5000 troepen, modulair samengesteld en met inbegrip van land-, lucht- en maritieme componenten. Om te vermijden dat deze troepen niet ontplooid kunnen worden, zoals dat tot nu toe het geval is met de EU Battle Groups, wordt gedacht aan een flexibelere regeling voor de besluitvorming, via een soort van coalitie van bereidwilligen (‘coalition of the willing’). In het voorjaar van 2022 komt er in Frankrijk een defensietop waar een vergelijk uit de bus moet komen over het Strategisch Kompas.

Vrede vzw over het GVDB van de EU

  •  De vredesbeweging loopt niet warm voor de sterke militaire uitbouw van de Europese Unie. De normalisering van de militaire benadering zorgt ervoor dat ook andere beleidsdomeinen, zoals migratie en ontwikkelingssamenwerking, worden aangetast.
  • De balans tussen de civiele en militaire componenten van de Europese Unie moet worden hersteld. Voor de grondoorzaken van gewelddadige conflicten (grondstoffen, ongelijkheid, effecten van de klimaatverandering, een scheefgetrokken handelsbeleid, wapenhandel, …) bestaan er geen militaire oplossingen. Ze moeten structureel worden aangepakt. De Europese Unie is bovendien zelf een drijvende kracht achter een aantal van deze oorzaken.
  • De impact van de ver doorgedreven militarisering moet gemeten en geëvalueerd worden. Er is nood aan een grondige reflectie over de gevolgen van militaire optredens in het buitenland, zowel in het algemeen als specifiek in het kader van het Europees GVDB. De militaire versterking van de EU wordt onvoldoende in een kritisch kader geplaatst en lijkt bijna een doel op zich.
  • Buitenlands militair optreden is zelden belangenvrij en kan bestaande conflicten verder doen escaleren, zoals in 2011 het geval was met de interventie in Libië, die vervolgens de hele Sahel zou destabiliseren.
  • Bewapening mag geen doelstelling op zich vormen, ontwapening wel. De EU kan een rol spelen in de multilaterale ontwapeningsinitiatieven.
  • De militarisering van het Europees Buitenlands en Veiligheidsbeleid slorpt de middelen op die nodig zijn voor het garanderen van menselijke veiligheid (gezondheidszorg, armoedebestrijding, klimaatactie, …) en draagt bij tot een confrontatiepolitiek.
  • Het GVDB moet zich heroriënteren in de richting van echte ‘gemeenschappelijke’ veiligheid (veiligheid is ondeelbaar) in plaats van confrontatie (zie de Slotakte van Helsinki). België zou in Europees verband het initiatief kunnen nemen voor maatregelen die tot ontspanning leiden, gebaseerd op de principes van de Olof Palme Commissie (die het begrip gemeenschappelijke veiligheid in 1982 heeft uitgewerkt). 
  • De EU heeft nood aan een kritische zelfreflectie over de coherentie van haar beleidsverklaringen en haar veiligheidsbeleid – zowel wat betreft het naleven van zelfverklaarde principes, als wat de concrete gevolgen van haar militarisering betreft.
  • Het is verachtelijk dat de militarisering van het GVDB en de belangen van de militaire industrie verdragsrechtelijk vastgelegd zijn. Deze evolutie moet teruggeschroefd worden. 
  • Er moet meer transparantie komen over de invloed van de militaire- en veiligheidsindustrie op het GVDB en aanverwante terreinen. Om te kunnen garanderen dat het GVDB niet onderhevig is aan de belangen van de militaire industrie, moeten er duidelijkere scheidingslijnen getrokken worden tussen het beleid en de lobbystructuren.
  • Er moet een halt toegeroepen worden aan de militarisering van de buitengrenzen van de EU en de financiering ervan.

 

 

Image
tijdlijn europese defensie

Source URL: https://vrede.be/basisinfo/europese-defensie