Begin mei publiceerde de Europese Commissie een strategie voor armoedebestrijding, "voor het eerst in de geschiedenis van de Europese Unie". Dat klopt, hoewel er in de jaren 1970 en 1980 wel degelijk armoedeprogramma’s waren. Ze werden ingetrokken toen bleek dat de EU helemaal geen bevoegdheden had om armoede te bestrijden.
Tot vandaag zal men in de Verdragen van de Europese Unie trouwens vruchteloos naar het woord "armoede" zoeken. Het staat nergens in. De Commissie herhaalt terecht dat armoedebestrijding een bevoegdheid is van nationale, regionale en lokale overheden. Wél mag de Unie werken tegen "uitsluiting". Die uitsluiting geldt echter in eerste instantie voor de arbeidsmarkt.
Maar goed, er is nu dus een ‘strategie’. Is dit belangrijker dan een ‘programma’? Ja, in die zin dat een strategie wellicht beter doordacht is en op lange termijn kan gelden voor diverse sectoren. Neen, in die zin dat er uit deze strategie voorlopig geen rechtstreeks handelen in het voordeel van arme mensen volgt.
De Commissie beroept zich voor dit initiatief op een ‘morele verplichting’ en op Art. 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (of het Verdrag van Lissabon), dat spreekt over een "strijd tegen sociale uitsluiting en discriminatie" en over de "bevordering van sociale rechtvaardigheid en bescherming". Bovendien wordt verwezen naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie uit 2000.
Wat stelt de Europese Commissie voor?
De bedoeling is de armoede uit te roeien tegen 2050. Dat werd al beloofd door de voorzitter van de Europese Commissie Ursula von der Leyen in haar ‘State of the Union’ van september 2025.
In tegenstelling tot de acties van vroeger, met een definitie die vooral sprak over een "gebrek aan middelen", hanteert de Commissie nu een multidimensionele definitie van armoede. Ze wil acties die de grondoorzaken van armoede uitroeien en armoede voorkomen, meer dan bestrijden.
De Europese Commissie stelde drie beleidsinitiatieven voor in de strijd tegen armoede: een voorstel voor een aanbeveling van de Raad om uitsluiting op het gebied van huisvesting tegen te gaan, een mededeling over de bestrijding van kinderarmoede en een mededeling over de rechten van mensen met een beperking. Drie voorstellen voor directe actie, inderdaad, maar zonder enige bindende waarde.
"Waardigheid, kansen en gelijkheid", zo zei Commissievoorzitter Ursula von der Leyen, "dat zijn de waarden van het Europa dat wij willen bouwen". Over ongelijkheid wordt in de strategie echter niet gesproken.
De cijfers vandaag
De Lissabon-strategie van 2010 sprak al over een "krachtdadig handelen" om de armoede uit te roeien. In de follow-up strategie EU2020 werd daar een cijfer opgeplakt: tegen 2030 zouden twintig miljoen mensen uit de armoede moeten gehaald worden. Dat doel werd niet gehaald. In het Actieplan van de Europese Pijler voor Sociale Rechten (2021) wordt een target vastgelegd voor 2030: tenminste 15 miljoen mensen uit de armoede halen waaronder minstens 5 miljoen kinderen.
In 2025 telde de Europese Unie 92,7 miljoen mensen of 20,9% van de bevolking (één op vijf!), met een risico op armoede en sociale uitsluiting. 19 miljoen van hen zijn kinderen. 72,4 miljoen mensen leven in inkomensarmoede.
De cijfers lopen sterk uiteen van land tot land. Er zijn vier Europese landen die een lager risico op armoede en sociale uitsluiting hebben dan België. De twee uitersten zijn Tsjechië met 11,5% risico en Bulgarije met 29%.
Het werkdocument waarop de Commissie haar strategie baseert, geeft een zeer volledige analyse van alle cijfers, de oorzaken en de groepen die kwetsbaar zijn om in armoede te vervallen. Ook alle bestaande Europese instrumenten worden erin besproken.
In totaal stelt de Commissie zo’n 16 verschillende initiatieven voor die nog dit jaar of in 2027 genomen zullen worden, gaande van mededelingen en raadplegingen, tot rapporten en goede praktijken ('best practices'). Ze wil ook nieuwe indicatoren uitwerken om alles beter te kunnen opvolgen.
Nogmaals, het zijn de Europese lidstaten die daarmee aan de slag moeten. Dat de Europese Commissie dit beleid wil opvolgen en coördineren is echter bijzonder positief. Het kan de lidstaten aanmoedigen om inderdaad werk te maken van een effectief beleid tegen de onaanvaardbare armoede.
Zal het?
Er zitten wel wat addertjes onder het gras.
Niemand die ze er beter van onderuit haalt als het door de Unie gesteunde Europees netwerk tegen armoede (EAPN). De organisatie wijst op de vele positieve punten in deze strategie maar stelt ook vast dat de belangrijkste klemtoon blijft liggen op economie en concurrentievermogen. Te veel armoede zou nl. de economische groei belemmeren. Belangrijke elementen zoals het belastingsysteem, herverdeling van de rijkdom en arbeidsmarktstructuur blijven onbesproken, terwijl ze toch een centrale rol spelen.
De Commissie wil ook samenwerken met 'sociaal verantwoordelijke' bedrijven en filantropische instellingen, wat onvermijdelijk meer aan liefdadigheid dan aan solidariteit doet denken.
EAPN is blij met de ‘multidimensionele’ definitie van armoede. Men kan zich afvragen of dit terecht is. Niet dat de vele dimensies van armoede kunnen ontkend worden of dat er niet aan gewerkt moet worden. Het probleem is dat de klemtoon op al die dimensies de aandacht voor het basisprobleem -te weinig inkomen- kan doen verslappen. Bovendien zijn veel van die erg verscheiden dimensies helemaal geen monopolie van arme mensen. Een menopausale vrouw is niet arm omdat ze in de menopauze zit, wel omdat haar loon of uitkering te laag is. Oude mensen zijn niet arm omdat ze oud zijn, maar omdat hun pensioen te laag is. Hen helpen met een woning of cultuurcheques is prima, maar mochten ze een decent pensioen krijgen, konden ze zelf kiezen hoe ze hun leven organiseren.
Daarover nadenken brengt meteen een hele reeks andere problemen aan het licht die de armoedestrategie van de Commissie kunnen laten ontsporen.
Er werd al herhaaldelijk en terecht op gewezen dat de Europese Unie de afgelopen jaren tal van goede en belangrijke sociale initiatieven heeft genomen. De Europese pijler voor sociale rechten is één van de belangrijkste daarvan, maar ook de richtlijn betreffende de minimumlonen en de richtlijn betreffende de verbetering van de arbeidsvoorwaarden bij platformwerk, evenals de aanbeveling over minimuminkomens zijn mijlpalen. Ze vervallen echter in het niets als tegelijkertijd op nationaal vlak de verzorgingsstaten worden afgebouwd, als het arbeidsrecht wegsmelt of openbare diensten geprivatiseerd worden.
De maatregelen die de Arizona-regering in België heeft genomen met betrekking tot de werkloosheidsuitkeringen, langdurig zieken, de index, de pensioenen of de welvaartsenveloppe zijn rechtstreekse oorzaken van verarming waar geen enkele nieuwe strategie tegenop kan.
De Europese Commissie wijst op het belang van goede lonen, goede uitkeringen en een goede sociale bescherming met toegang tot goede "sociale diensten", maar daar blijft het bij.
Hoe en of de lidstaten een gevolg zullen geven aan de goede raad van de Commissie blijft geheel vrijblijvend.
Vestzak, diepe broekzak
Men kan niet anders dan de nieuwe Europese armoedestrategie ook toetsen aan het ander beleid van de Europese Commissie.
De armoedestrategie zelf heeft geen begroting. Het geld om de lidstaten te ondersteunen moet hoofdzakelijk komen uit het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+), maar ook uit andere instrumenten zoals het Europees fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds, het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD) en de na de COVID-crisis ingestelde 'Recovery and Resilience Facility’.
Hiermee is echter niets gezegd over het soort beleid dat gevoerd zal worden, en we weten hoe makkelijk het is om op eender welke actie een ‘armoede-etiket’ te plakken.
Wat we evenmin weten is hoeveel geld er in die fondsen zal zitten. De Europese Unie is begonnen met de gesprekken over de nieuwe meerjarenbegroting voor de periode 2028-2034 en dat loopt niet van een leien dakje.
Niet alleen wil de Commissie de begroting grondig hervormen en via belastingen nieuwe ‘eigen middelen’ creëren, ze wil ook méér geld, tot 1,27% van het gezamenlijke bruto binnenlands product (BBP), van de lidstaten. Dat zint enkele landen helemaal niet. Enkele ‘zuinige’ landen, met Duitsland en bondskanselier Merz op kop, willen integendeel zwaar korten, tot zelfs min 40%! Ook al stelt de Commissie voor om een groot stuk van het beleid te hernationaliseren -en zo het Europees Parlement buiten spel te zetten-, minder EU-geld betekent minder steun aan lidstaten en regio's, en minder steun betekent minder armoedebeleid.
In het kader van het Europees Semester voor economisch beleid (een jaarlijkse cyclus waarin de EU de economieën en begrotingen van de lidstaten bespreekt), krijgen de landen specifieke aanbevelingen die vaak over sociaal beleid gaan. Steeds meer wordt armoede daarbij vermeld, maar niet zelden wordt tegelijk druk gezet tégen een ruime sociale bescherming. Het geheel kan zeer tegenstrijdig worden.
Omnibus en het 28ste regime
Addertjes kunnen ook slangen worden. De nieuwe ideologie die de Europese instellingen veroverd heeft stelt dat regels en bureaucratie de concurrentie benadelen. En dus moet er gedereguleerd worden. De Commissie is daar volop mee bezig, in eerste instantie op het vlak van de milieuwetgeving. Teksten die zelfs recent zijn goedgekeurd moeten voor de bijl. Bij de eerste ‘omnibus’-tekst in het Europees Parlement deed de rechtse EVP-fractie zonder schroom een beroep op de stemmen van de uiterst rechtse fracties. Er zitten momenteel nog een zestal ‘omnibus’-teksten in de pijplijn, en dit kan nog gebeuren. Dat ook sociale wetgeving op deze manier wordt afgebouwd is niet denkbeeldig.
Het arbeidsrecht wordt eveneens geviseerd, niet enkel via deregulering trouwens. In het inmiddels berucht geworden rapport dat Mario Draghi schreef (2024) over de toekomst van de Unie, stond een voorstel dat niet meteen glashelder was voor iedereen: hij had het over een "28th regime" voor vennootschappen. Dankzij een concreet voorstel van de Europese Commissie van maart 2026 is het wel duidelijk geworden. 'Innovatieve’ vennootschappen zouden in plaats van een registratie in een van de 27 lidstaten een Europese registratie kunnen krijgen, d.w.z. dat ze zich binnen de 48 uur laten registreren in een land van hun keuze en dan in alle andere lidstaten kunnen werken - "EU Inc” heet het nu.
Dat klinkt goed, maar houdt heel wat risico’s in. Er waren lang geleden al voorstellen voor een Europese vennootschap, maar die stuitten altijd op tegenkantingen bij het bedrijfsleven. Nu is dat anders. Bedrijven vragen er zelf om, precies omdat ze zo veel regulering kunnen vermijden. Met de Europese optie belet niets een bedrijf om zich te laten registreren in een lidstaat met hetzij een laag belastingtarief, hetzij een zwakke sociale bescherming en dan in andere en voor het bedrijf duurdere lidstaten te opereren. Het Commissievoorstel is niet bijzonder duidelijk en stelt dat wat niet uitdrukkelijk is gereguleerd op Europees niveau, onder het nationale recht blijft vallen. Dat is zeer twijfelachtig. Het is in feite een deur die wijd opengezet wordt voor postbusbedrijven met registratie in één land en werk in veel andere landen. Vervelende vakbonden en CAO’s kunnen zo omzeild worden.
Een Europees sociaal model?
In hun jaarlijks rapport over het sociaal beleid in de Europese Unie vragen het 'European Social Observatory' (OSE) en het 'European Trade Union Institute' (ETUI) zich af of en hoe het zo unieke Europese ‘sociale model’ kan overleven.
Gelet op de sociale initiatieven van de EU in het recente verleden kan de vraag overtrokken lijken, maar de spanningen nemen toe en de context verandert. Het gaat niet langer meer uitsluitend over een afweging van economische en sociale belangen, aldus het rapport, maar over de institutionele en fiscale fundamenten die aan het verdwijnen zijn. Het hele ideologische kader is vandaag anders.
De Europese leiders weten zeer goed dat een veerkrachtige verzorgingsstaat nodig is om een ‘strategische autonomie’ uit te bouwen, ze weten dat sociale investeringen en veiligheid elkaar versterken. Als die investeringen echter uitsluitend bedoeld zijn om de productiviteit te verstevigen, dan is die veerkracht niet gegarandeerd.
Men vergeet te makkelijk dat de basis van de concurrentiekracht altijd en overal de mensen zijn die het werk doen. De armoedestrategie, aldus nog het rapport, moet daarom gezien worden als een mand met goede bedoelingen, niets meer.
De nieuwe armoedestrategie van de Europese Commissie is uiteraard erg welkom. Armoede is totaal onaanvaardbaar in het rijke West- en Midden-Europa. Zolang zo’n strategie echter wordt tegengegaan door de afbouw van nationale sociale bescherming, staan we nergens. Erger nog, we komen dan terecht in de oude strategie van de Wereldbank om verzorgingsstaten met sociale zekerheid te vervangen door een armoedebeleid.
Met het wegkwijnende neoliberalisme breekt een nieuwe periode aan waarvan de ideologische context nog niet volledig is gekend. Meer en meer wordt nu gesproken over ‘care’ (‘zorg’), een concept dat uit het ecologische- en het genderdenken komt en misschien wel het nieuwe ankerpunt kan worden voor een ander sociaal beleid. De sociale zekerheid zoals we die in België kennen, maakt weinig kans om te overleven en zal grondig moeten herdacht worden. Hopelijk zijn vakbonden en andere middenveldorganisaties daar druk mee bezig, want enkele fundamentele principes ervan verdienen het om er hard voor te vechten. Dat is wat op ons afkomt: een periode van strijd om zowel onze rechten als de maatschappelijke cohesie te versterken, met en voor iedereen.
Dit artikel verscheen ook op 'Uitpers'.