Dossier
Soetkin Van Muylem
Printvriendelijke versie
Het Mysterie Myanmar

Het Mysterie Myanmar

De leider van Myanmar, generaal Than Shwe, plande in 2010 de eerste nationale verkiezingen sinds 1990. Toen werd de overwinning van de partij van oppositieleidster Aung San Suu Kyi door de regerende militaire junta naast zich neergelegd.

Suu Kyi's 'Nationale Liga voor Democratie' liet eind maart weten dat ze niet zou deelnemen aan de eerste verkiezingen in 20 jaar tijd, wegens oneerlijke verkiezingsreglementen. Than Shwe maakte op 13 augustus 2010 eindelijk de datum bekend waarop de reeds lang aangekondigde verkiezingen zouden plaatsvinden. Op 7 november 2010 zou de bevolking van Myanmar naar de stembus trekken.

Opbouw van het dossier: in een eerste deel wordt vooral de geschiedenis van het land onder de loep genomen. Een tweede deel behandelt het einde van de burgeroorlog in de grensgebieden en de installatie van het huidige regime. In een derde deel zal dieper ingegaan worden op de oppositiebewegingen in Myanmar, met speciale aandacht voor de monnikenprotesten van 2007. Een vierde deel belicht de de andere oppositionele krachten in het Aziatische land.

Deel 1: Van Birma tot Myanmar

Iedereen die een politiek-historische analyse wil maken van Myanmar kan de overweldigende geografische kenmerken niet negeren. Het land is 676.552 km² groot (dat is groter dan Frankrijk, België en Nederland samen) en wordt van noord naar zuid doorkruist door 3 bergketens (een langs elke kant van het land en een recht door het midden), die allen een behoorlijk obstakel vormen voor de mobiliteit, de handel en de interactie in het algemeen. Myanmar is bovendien een etnisch lappendeken. Er leven Kachins en Karins in de noordelijke en oostelijke bergen. In het westen vindt men Arakanezen en Chins. In de meer bevolkte valleien en het oostelijk plateau leven vooral Bamar (of Birmanen), Mons en Shans. De Bamar maken volgens de schattingen de grootste etnische groep uit (ongeveer 60 à 70% van de bevolking), maar vooral verspreid over de grensstaten, leven meer dan 130 verschillende etnische minderheden.

Briste kolonie

De fundamenten van de gecentraliseerde maar tegelijkertijd hoogst gedifferentieerde macht waar het regime in Myanmar vandaag op steunt, werden gelegd in de koloniale periode. Op 1 januari 1886 na heel wat agressieve veldslagen, werd Birma ingelijfd door de Britten. Het werd een sub-provincie in het Brits-Indische rijk in plaats van een aparte kolonie. De Britten dachten zo een meer kneedbaar regime te kunnen installeren, maar al gauw brak er een wijdverspreide anti-koloniale opstand uit. Tegen februari 1887 vochten meer dan 40.000 Britse en Indische troepen een pacificatieoorlog uit tegen cellen van opstandelingen verspreid over heel Hoger en Lager Birma. De Britten waren voorspelbaar meedogenloos. Indische troepen kregen de opdracht iedereen dood te schieten die ervan verdacht werd wapens te bezitten. Ze verbrandden en verdreven volledige dorpen en voerden publieke afranselingen en massa-executies uit. Als een deel van het pacificatiesysteem werd een 'rationeler' administratief systeem opgelegd. Met een pennenstreek schaften de Britten de eeuwenoude politieke en sociale systemen af en installeerden nieuwe geografische districten die gecontroleerd, belast en geregeerd werden door een nieuwe klasse van administratief personeel, voornamelijk ingevoerd vanuit Madras, Bengali en andere delen van India. Het resultaat was een nog grotere steun van de bevolking voor het verzet. Monniken waren vaak de meest vocale criticasters van het koloniale regime. Uiteindelijk zou hongersnood het Birmaans verzet enorm verzwakken, maar kleinere groepen bleven het Brits-Indische leger nog een decennium het leven zuur maken. Het langere termijn resultaat van al dit verzet was dat de doorgaans gebruikte mechanismen van onrechtstreeks imperiaal bestuur via onderdanige lokale elites, vervangen werd door een brute en doordringende vorm van directe heerschappij. Om bureaucratische redenen werd het land opgedeeld in 2 zones. Het 'Eigenlijke Birma' (het centrum, de maritieme gebieden en de vruchtbare Irrawaddy Delta) werd rechtstreeks geregeerd door ambtenaren van de Britse staat. In de tweede zone, de 'Grens' of 'Uitgesloten Gebieden', meer bepaald de bergachtige regio's bevolkt door een veelheid aan kleine etnische groepen, rekenden de Britten volledig op de traditionele leiders. Deze opdeling zou een zeer radicale invloed hebben op de toekomst van de bevolking. Voor de volgende 50 jaar werd het Eigenlijke Birma uitgebouwd tot een administratief aanhangsel van Brits India. Honderdduizenden Indische immigranten en verchristelijkte Karens werden in dienst genomen om in sneltempo wegen, bruggen, banken, spoorlijnen en later telefoonlijnen aan te leggen, en om scholen, politie- en militaire eenheden te bevolken. Het is belangrijk om te vermelden dat de Bamar zelf, zeer zelden werden ingeschakeld om deze taken te vervullen. Britse handelshuizen domineerden de meest lucratieve sectoren van de economie (zoals de export van rijst, teak-hout, edelstenen en olie), de interne handel en kleinschalige verwerking van landbouwproducten waren grotendeels in de handen van Chinese en Indische immigranten. De Britten legden de moerassige Irrawwady-delta droog voor de aanleg van rijstvelden en dwongen 300.000 boeren te verhuizen hiervoor. De grotendeels op eigen consumptie gerichte prekoloniale economie werd nu overspoeld door de eisen van de internationale markt, met rijst als belangrijkste exportproduct. Concurrentie dreef de prijzen van de gronden, voedsel en geïmporteerde consumentengoederen de lucht in, terwijl de rentevoeten op de geleende kredieten aan het begin van het plantseizoen de kleine boeren ruïneerden. Verarmde Birmaanse boeren verloren hun gronden (meestal aan Zuid-Indische geldschieters) en zagen zich verplicht te concurreren met de Indische arbeiders voor manueel werk in de delta en de Rangoon-regio. De druk van de markt zorgde dus voor een groeiende landloosheid, schuldenophoping, wanhoop en criminaliteit. De reactie van de koloniale autoriteiten was het opleggen van zware straffen en de uitbreiding van het leger en de politie. Deze instrumenten van repressie werden vooral bevolkt door Indiërs en christelijke minderheden. Binnen het Eigenlijke Birma installeerde men dus een structurele scheiding onder de bevolking op basis van etnische lijnen. De periode van koloniale heerschappij was relatief kort, maar wel zeer destructief voor de Birmaanse maatschappij.

Japan vs het Britse Rijk

De inlijving van Birma in het Brits-Indische rijk (Birma werd uiteindelijk nog een aparte Britse kolonie in 1937), leidde wel tot de ontwikkeling van hogere educatie, maar tegen 1930 was de campus van Rangoon een broeinest van anti-koloniale agitatie geworden. Het is daar dat een nieuwe generatie van Birmaanse leiders gevormd werd. De 'Dobama Asiayone' (Onze Birmaanse Associatie) werd er in 1930 opgericht en stond als nationalistische anti-koloniale beweging op de barricades voor de onafhankelijkheid. Met het uitbreken van wereldoorlog II keken de Birmaanse anti-kolonialisten, net zoals vele Indische nationalisten, naar de vijanden van Engeland als potentiële bondgenoten en bevrijders. In 1939 werd het Vrijheidsblok opgericht, een alliantie van 'Dobama Asiayone', monniken, studenten en oudere nationalisten, die opriepen tot een opstand. De Britten reageerden met massale arrestaties en brutale repressie. Aung San, een Birmaanse opstandeling, die naar het buitenland gevlucht was omwille van de Britse repressie, had zich ondertussen aangesloten bij het Japanse leger dat aan het oprukken was. Met Japanse hulp had Aung San het Birmaanse Onafhankelijkheidsleger opgericht (bijna uitsluitend bestaand uit Bamar) en aan de zijde van de Japanners veroverde hij in een blits Birma. De Britse vertegenwoordigers vluchtten naar het Westen van het land samen met zo'n half miljoen Indische vluchtelingen. In de westelijke bergachtige 'Uitgesloten Gebieden' hergroepeerden de geallieerden zich en trainden en bewapenden de Kachin, de Shan, de Chin en andere inheemse groepen om te vechten tegen Japan en de nieuwe Birmaanse regering, waarin Aung San de minister van Oorlog was. Van 1942 tot 1945 was Birma het toneel van een oorlog tussen de twee imperiale machten Japan en Groot-Brittannië, met alle destructieve gevolgen van dien. Met het einde van de 2de wereldoorlog in zicht keerden Aung San's Revolutionaire Partij van het Volk en de Communistische Partij van Birma zich tegen Japan en sloten zich aan bij de geallieerden. Zij vormden de belangrijkste politieke krachten in Birma bij de terugkeer van de Britten.

Post-oorlogsorde

Drie jaren van bombardementen, gevolgd door de techniek van de verschroeide aarde toegepast door het Japanse leger toen ze het land verlieten, lieten de toenmalige Birmaanse hoofdstad Rangoon in puin achter. Mandalay, de tweede grootste stad van het land, werd platgelegd en de meeste provinciale steden waren tot ruïnes herleid. De oogst was vernietigd en de hongersnood lonkte. Rebellen die zich ver van huis bevonden, verdreven dorpelingen en stedelijke vluchtelingen hadden het moeilijk om te overleven, net zoals de gewapende groepen etnische minderheden. De Britten hadden maar weinig zin en redenen om de kosten van de reconstructie van Birma op zich te nemen. Er was evenmin een collaborerende landelijke oligarchie die ze opnieuw konden installeren. Toch waren de Britten vastberaden om net zoals in Pakistan en India, hun stempel te drukken op de post-koloniale Birmaanse staat door de groepen die hen het best gediend hadden te belonen met macht om zo hun eigen invloed in de toekomst te verzekeren. Net zoals ze maar weinig geïnvesteerd hadden in het land toen het nog een kolonie was, mikten ze nu op een goedkope post-koloniale oplossing: ze eisten in de onderhandelingen voor onafhankelijkheid een leidende rol in het leger voor de door hen getrainde Karen officieren; een blijvende kleine Britse aanwezigheid; een federalistische grondwet waarin politieke representatie verzekerd werd voor de Karen en de andere minderheden; en de uitsluiting van de Communistische Partij.

In januari 1947 ondertekenden Aung San en de Britse premier Attlee een initiële onafhankelijkheidsverklaring, grotendeels onder Attlee's voorwaarden. Aung San weigerde wel het lidmaatschap van het Britse Gemenebest en verwierp op die manier ook George VI als formeel staatshoofd. Onafhankelijkheid werd gepland voor januari, exact een jaar later. Op 19 juli 1947 terwijl de onderhandelingen nog altijd aan de gang waren, werden Aung San en vijf collega's van het interim-kabinet vermoord, blijkbaar in opdracht van hun politieke rivaal, U Saw. Op die manier werd niet Aung San, maar U Nu, een van de oudere vooroorlogse nationalistische anti-koloniale leiders, de eerste premier van de onafhankelijke staat Birma. Generaal Smith Dun, een door de Britten getrainde christelijke Karen werd aangeduid als stafchef van het leger. Onmiddellijk na de definitieve ondertekening brak er een opstand uit vermits de Communistische Partij, een zeer belangrijke bondgenoot in de anti-koloniale strijd, uitgesloten werd van de macht door de Attlee-overeenkomst. U Nu droeg het leger op om de communistische opstand neer te slaan. De communisten werden wel verdreven naar de grensgebieden, maar daar hielden ze decennia lang stand. Binnen de eerste maanden van de onafhankelijkheid vielen de Birmaanse strijdkrachten (tatmadaw) ook uiteen -alweer een gevolg van de Britse overeenkomst. De door Karen gedomineerde hogere rangen en hun nauwe banden met de Britten waren onverdraaglijk voor het overlevende leiderschap van het anti-koloniaal verzet. Generaal Ne Win zorgde er bijgevolg voor dat het volledige Karen-officierenkorps ontslaan werd. Het resultaat was een massale desertie van de door de strijd geharde Karens en de start van een opstand die zou voortduren tot in de 21ste eeuw. Het Birmaans leger werd dus gedecimeerd en de nieuwe staat werd geconfronteerd met een stijgend aantal gewapende rebellengroepen in de grensregio's. Om deze dreigingen het hoofd te kunnen bieden werd het leger vlug uitgebreid. Onder het bevel van generaal Ne Win en zijn kameraden werden de tatmadaw geherstructureerd naar het model van het professionele Britse leger met een geïntegreerde verticale commando-structuur en effectieve logistieke ondersteuning. Geen enkele officier van een etnische minoriteit kreeg nog een belangrijke leiderspost. Tegen het einde van de jaren 1950 stond de competentie van het leger in fel contrast met de groeiende verlamdheid van de burgerlijke instellingen en de interne onenigheid die daar welig tierde, zowel in de leidende als de oppositionele partijen.

Toch kende het eerste decennium van de onafhankelijkheid een aantal verwezenlijkingen: steden werden heropgebouwd en de infrastructuur in het land werd verbeterd. Rangoon werd een van de meest moderne steden in Zuid-Oost Azië. Eerste minister U Nu stelde een neutralistisch buitenlands beleid voor, samen met een economisch plan dat opgesteld was door Amerikaanse raadgevers die verblind waren door de New Deal. Hij hing ook een populistische versie van het boeddhisme aan die hij zelf verpersoonlijkte. Deze visie sloeg buiten de boeddhistische kernregio echter niet aan. In Myanmar vochten anti-koloniale Bamar strijdkrachten gedurende het grootste deel van de oorlog tegen de door de Britten-gesteunde minderheden. Alleen de allerlaatste maanden van de oorlog in 1945 vochten ze aan de zijde van de andere etnische troepen uit de grensstreken tegen de Japanners. Tegen de Britse herbezetting van Rangoon in mei van hetzelfde jaar was het weinige dat de volkeren in Myanmar verenigde al lang weer weggeëbd. Het overbruggen van de historisch nog versterkte etnische en religieuze verschillen, was nooit een prioriteit van de Nu regering in de jaren 1950. Politici uit de minderheidsgroepen aan wie federalistische toegevingen beloofd waren in ruil voor hun steun aan een unitaire grondwet, ergerden zich aan hun politieke marginalisatie en eisten een grotere autonomie.

Ne Win's heerschappij

Het Birmaans leger, als de verdediger van de staat gedisciplineerd, verantwoordelijk, en patriottisch, oordeelde zich beter in staat om het land te leiden dan de kibbelende burgerlijke politici, hun voormalige strijdmakkers in de anti-koloniale beweging van de jaren 1930. In 1958 namen de tatmadaw van Ne Win de macht al kortstondig over, maar de militaire regering hield verkiezingen in 1960 waardoor de triomferende U Nu opnieuw zijn post kon innemen. Nu's pogingen om van het boeddhisme de staatsgodsdienst te maken -een van zijn verkiezingsbeloftes- lokten een tweede interventie uit van het leger. Het militair leiderschap was sterk gekant tegen U Nu's plannen, omdat ze vreesde de niet-boeddhistische minderheden nog meer te zullen vervreemden. En inderdaad, in 1962 kwamen een aantal leiders van minderheidsgroepen samen om te spreken over een federalistische grondwet. Dit werd beschouwd als een bedreiging voor de eenheid van de natie en Ne Win greep de macht opnieuw. De staatsgreep (die positief onthaald werd door de Kennedy-administratie) werd geconfronteerd met vastberaden studentenprotesten. Het protest werd gebroken toen Ne Win's mannen het gebouw van de Studentenraad in de Universiteit van Rangoon opbliezen. Ne Win's bestuur vertoonde desalniettemin een bepaalde continuïteit met Aung San en U Nu 's visies van een sterk eengemaakt Birma als een zelfvoorzienende, ontwikkelende staat, vrij van buitenlands voogdijschap en bemoeienissen. Dit werd schriftelijk vastgelegd in 'Ne Win's Weg naar het Socialisme' een mix van boeddhisme, nationalisme en een soort planeconomie. In eigen land bleef de tatmadaw -die nog altijd de vaandel droegen van Aung San's nationalistische revolutie- een door Bamar bewonderde institutie. Binnen het leger koos Ne Win hoogstpersoonlijk zijn ta-byee (volgelingen) uit voor promotie en zorgde ervoor dat zijn rivalen nooit op het voorplan kwamen. Terwijl militaire corruptie vrij regelmatig voorkwam was de schaal ervan redelijk gelimiteerd, niet in het minst omdat hun zelfgekozen isolationisme de generaals geen toegang gaf tot de Koude Oorlog-rijkdommen. Ook de ascetische Ne Win zelf deed zich niet te goed aan kleptocratische plunderingen. Corruptie was wijder verspreid binnen de officiële Birmaanse Socialistische Programma Partij (de enige legale partij gedurende Ne Win's beleid), waarvan vele hogere posten bezet werden door voormalige legerofficieren. De BSPP-regering voerde een nationalisatie van de private ondernemingen door en nam uiteindelijk de export-import van rijst, hout, olie en andere grondstoffen over, net zoals de meeste groothandelaars en winkels. Het resultaat van dit economisch beleid was dat zo'n 300.000 Indiërs en 100.000 Chinezen, vooral handelaars, het land verlieten tussen 1963-1967. Zelf een overtuigd seculier, trok Ne Win de Staatsreligie Beschermingswet van U Nu in en nationaliseerde hij de kloosterscholen. Protest werd geconfronteerd met zware repressie. Dissidentie binnen het leger zelf werd even fervent uitgeroeid. In 1976 leidde een mislukt officierencomplot om Ne Win te vermoorden tot een grootschalige zuivering, die de toenmalige leider van de gewapende strijdkrachten, Tin Oo, zijn post kostte (dezelfde Tin Oo, ondervoorzitter van de Nationale Liga voor Democratie, die in februari 2010 na tien jaar gevangenschap en huisarrest werd vrijgelaten door de junta). Hij werd toen beschuldigd van hoogverraad en werd veroordeeld tot zeven jaar in een werkkamp.

Maar ondanks deze strenge greep op het centrum van het land, was de autoriteit van de regering gedurende de halve eeuw na de onafhankelijkheid bijna onbestaande in de meeste grensstaten van Birma. Hier werden de tatmadaw geconfronteerd met goed bewapende troepen -sommigen gesteund door buitenlandse staten of donors zoals de VS, China of Thailand. Anderen onderhielden zichzelf met de opbrengsten van de extractie van natuurlijke rijkdommen en het heffen van taksen op illegale smokkel over de grenzen. Daarbovenop waren grote 'bevrijde gebieden' langs de Thaise en Chinese grens nog altijd onder controle van de duizenden troepen tellende, maoïstisch geïnspireerde Communistische Partij van Birma (CPB). De Kachin Onafhankelijkheidsorganisatie en de Karen Nationale Unie (op een bepaald moment een bondgenoot van de CPB) hadden gelijkaardige aantallen soldaten ter beschikking en vochten voor secessie van- of autonomie binnen de unitaire Birmaanse staat. Waarschijnlijk was een kwart van het land onder controle van gewapende tegenstanders van het centrale regime. Miljoenen dorpelingen vielen in deze gebieden ten prooi aan rovende milities, drugsbaronnen en smokkelaars die hun goederen en arbeid opeisten. Alle strijdende partijen waren verantwoordelijk voor verkrachtingen, folteringen, buitenrechtelijke executies en de vernieling van huizen. Het eveneens brute anti-rebellenbeleid van de regering (bekend onder de naam Pya Ley Pya of Vier Sneden) werd gevoerd met weinig middelen door slecht uitgeruste tatmadaw die ver van Rangoon gestationeerd waren. Er wordt geschat dat elk jaar ongeveer 10.000 mensen -boeren, handelaars, monniken, pastoors, leraars, regeringssoldaten en gewapende rebellen -stierven in de vier decennia van Birma's burgeroorlogen. De doorgedreven verdeling van het land werd voor het eerst doorgevoerd door de Britten, maar werd onder de door Bamar gedomineerde staat verdergezet. Dit was zowel op politiek als op moreel vlak een mislukking.

Trauma van 1988

Tegen het einde van de jaren 1980, begon het falen van het economisch beleid ook zeer duidelijk te worden. Terwijl de buurlanden (Thailand, Maleisië, Singapore en uiteindelijk ook China) kapitaal aantrokken via hun reserve aan zeer goedkope geschoolde arbeidskrachten, stond de autarkische economie van Birma na 25 jaar van militaire heerschappij op het randje van het failliet. Op 5 september 1987 verklaarde de BSSP, in een zeer slecht geadviseerde zet, dat alle kyat-briefjes (kyat is de Birmaanse munteenheid) in omloop, waardeloos waren en vervangen werden door een nieuwe serie briefjes. De weinige spaarders die hun geld in de staatsbanken bewaarden, konden het omzetten in de nieuwe kyat-briefjes, maar het merendeel van de mensen, die hun spaargeld liever onder de matras verstopten, moesten toezien hoe al hun reserves van de ene op de ander dag waardeloos waren geworden. In 1988 volgde dan ook de grootste politieke opstand van Birma's post-koloniale geschiedenis. Er werd op verschillende plaatsten gedemonstreerd. De opposanten kregen onmiddellijk af te rekenen met repressie, maar de betogingen bleven als paddenstoelen uit de grond schieten in een cyclus die tot een climax kwam in de zomer van 1988. In Rangoon en Mandalay legden door studenten geleide protesten de steden plat. Tegen het einde van juli hadden de monniken de controle over de straten van Mandalay overgenomen. Zwaaiend met hun stokken patrouilleerden ze de straten. Ook in vele kleinere steden waren er nooit geziene protesten. Op het einde van juli zag Ne Win, ondertussen 78 jaar oud, zich verplicht af te treden. In zijn afscheidsspeech waarschuwde hij dat het leger in het vervolg raak zou schieten. Ondanks deze bedreiging kwamen op 8 augustus (8/8/88) miljoenen mensen op straat -waaronder veel staatsambtenaren- in een nooit gezien volksprotest. De interim-regering beval een einde aan de demonstraties en 's avonds op 8 augustus begon het leger te schieten op de ongewapende menigte. Nog meer protesten en een algemene staking volgden hierop. Uiteindelijk greep het leger rechtstreeks de macht. Het richtte de 'State Law and Order Restoration Council' (SLORC) op, schafte de grondwet van 1974 af en voerde een krijgswet in. Na een veelbelovende start strandde de volksbeweging -waarvan Aung San Suu Kyi (dochter van) een gezicht was geworden- na 12 maanden, omwille van de zware repressie en interne onenigheid.

Deel 2: de transformaties van de junta

SLORC’s nieuwe weg

Omwille van maandenlange hevige volksopstanden in 1988 in quasi alle Birmaanse steden, grepen legerleiders op 18 september de rechtstreekse macht en installeerden de 'State Law and Order Restoration Council' (SLORC), voorgezeten door generaal Saw Maung. Het land zou voortaan de naam Myanmar dragen en de hoofdstad Rangoon werd Yangon herdoopt. Zoals nog beloofd door de in juli 1988 afgetreden Ne Win, organiseerde de SLORC in mei 1990 wel verkiezingen. De generaals beperkten de campagneactiviteiten van de oppositie enorm. De versplintering van de oppositie na het mislukken van de turbulente opstand van 1988, werd gereflecteerd in de 93 partijen die verkiezingskandidaten aanboden. Maar de Nationale Liga voor Democratie (NLD), opgericht in 1988, was veruit de dominantste oppositiepartij, met Aung San Suu Kyi als leidend figuur. Geboren in juni 1945 als de dochter van martelaar en Vader van de Natie Aung San, trok ze samen met haar moeder Khin Kyi in 1960 naar Dehli toen die aangeduid werd als Birmaans ambassadeur in India. Aung San Suu Kyi studeerde in Oxford en spendeerde het grootste deel van haar jeugd in het buitenland. Ze keerde terug naar Birma in maart 1988 om haar zieke moeder te kunnen verzorgen en zag zichzelf al gauw aan het voorfront van de groeiende oppositiebeweging geplaatst. In het begin van de verkiezingscampagne nam ze een min of meer gemodereerde positie in tegenover het leger (tatmadaw) maar tegen het einde van 1988 en het begin van 1989 zwelde haar kritiek geleidelijk aan. Ze zei tegen Westerse journalisten: “Mijn vader richtte het Birmaans leger niet op om het volk te onderdrukken”. Op 20 juli 1989 werd ze onder huisarrest geplaatst voor een eerste periode die zou duren tot 1995. Ondanks dit huisarrest won de Nationale Liga voor Democratie 60% van de stemmen (392 van de 492 zetels). De door het leger gesteunde Nationale Eenheidspartij won slechts 21% van de stemmen en maar 10 zetels, -resultaten die onder de omstandigheden verbazend corruptievrije verkiezingen suggereren. Maar de generaals diskwalificeerden, arresteerden of joegen de winnende kandidaten van de NLD (en de partijen waarmee het bondgenootschappen gevormd had) op de vlucht. In 1993 werd een Nationale Conventie georganiseerd met voor het merendeel door het SLORC aangeduide afgevaardigden, die belast werd met het uitzetten van de krijtlijnen voor een toekomstige grondwet. De NLD participeerde aan dit proces tot 1995.

Het leger was verrast geweest door de gebeurtenissen van 1988 en bevreesd de controle over de straten nogmaals te verliezen, breidde de tatmadaw ondertussen haar eigen rangen uit. De modernisatie van wat het meest onderbemande en slecht uitgeruste leger in de regio was geworden, gebeurde aan een indrukwekkend tempo omdat dit noodzakelijk geacht werd door de junta. Tegen 1995 was het leger uitgebreid van 180.000 troepen tot 350.000. Gedurende de jaren 1990 werd bijna de helft van het staatsbudget gespendeerd aan de veiligheidssector, gefaciliteerd door goedkope leningen van China, India en Thailand. De groei van het leger creëerde nieuwe problemen voor de legerleiding: wijdverspreide disciplinaire problemen, nooit eerder geziene corruptie en dreigende factionalisering. Het voorzien van logistieke ondersteuning voor deze uit de hand gelopen reus werd onmogelijk en uiteindelijk gaf de generaal die hier verantwoordelijk voor was, het op. Dit leidde ertoe dat de gelegerde eenheden voor zichzelf moesten instaan via de lokale economie. De organisatie-cultuur van de tatmadaw, lang alleen gericht op de strijd, moest zich nu ook focussen op het zoeken naar inkomsten. De rekruteringsstandaarden werden omlaag getrokken, aangezien gezonde jonge mannen de hoger betaalde fabrieksjobs in Thailand en Maleisië prefereerden. De oude generaals hadden de promoties altijd gemanipuleerd, maar met het vrijkomen van teinduizenden nieuwe posities in deze uitbreidingsfase, groeiden de vriendjespolitiek en het nepotisme exponentieel, net zoals de opdeling in allerlei fracties. De militaire inlichtingendiensten werden ook uitgebreid en omgevormd van een op strijd gefocuste organisatie, naar een soort geheime politie ter verdediging van het regime, dat ondersteund werd door een groot aantal betaalde of gecoöpteerde informanten. De doeltreffendheid van het systeem van sociale controle van de generaals, was meer gebaseerd op de wijdverspreide angst dat men gearresteerd kon worden, dan op de rechtstreekse onderdrukking. De beperkingen die de mensen zichzelf oplegden in het publieke leven, leken een kleine prijs om uit het vizier van het regime te blijven.

Staakt-het-vuren

De tot dan toe gesloten economie werd door de SLORC opengesteld voor buitenlandse exploitatie van de natuurlijke rijkdommen (en was al gauw onderhevig aan een jaarlijkse inflatie van 40%). Deze economische ommezwaai speelde een belangrijke rol in het beëindigen van vier decennia strijd met de opstandelingen in de grensgebieden. Binnen de twee maanden na het neerslaan van de grote opstand van 1988, had de SLORC een deal gesloten met de generaals in Thailand waarbij grote Thaise houtbedrijven toegang kregen tot de gigantische maagdelijke bossen in het zuidoosten van Myanmar. Bangkok liet daarop haar jarenlange beleid van steun aan de gewapende rebellen varen. Oorspronkelijk was dit Thaise Koude Oorlogsbeleid ontwikkeld in de jaren 1950 om een buffer te creëren tussen Thailand en het socialistische China en Birma. De Thaise leiders adviseerden hun nieuwe zakenpartners van de SLORC om wegen aan te leggen en de door de rebellen gecontroleerde grensregio's te ontwikkelen. Het was op die manier dat Thailand (onder leiding van VS-adviseurs) erin geslaagd was haar eigen communistische opstand in de jaren 1980 te fnuiken. Grote 'bevrijde gebieden' in Myanmar waren tot dan immers nog altijd in handen van de Communistische Partij van Birma (CPB), die sinds haar uitsluiting van de officiële politieke scene en de daaropvolgende opstand (1947), verdreven was naar de grensgebieden van het land, dat ook bevolkt wordt door ontelbare etnische minderheidsgroepen. Toen in 1989 de Wa- en Kokang-soldaten in het noordoosten van Myanmar in opstand kwamen tegen het (Birmaanse) leiderschap van de CPB daar, greep het SLORC haar kans. Generaal Khin Nyunt bood aan de leiders van de Wa en Kokang-minderheden aparte vredesakkoorden aan, waarin ze een uitgebreide lokale autonomie over economische, sociale en lokale politieke zaken kregen. Ze mochten ook hun milities behouden. Samen met de beëindiging van de Russische en Chinese steun voor de linkse groeperingen na de val van het Oostblok, maakte deze deal een eind aan de 41 jaar oude communistische opstand.

Onder druk van China en Thailand, die ondertussen volop betrokken waren bij deals met de SLORC rond de extractie van natuurlijke rijkdommen, onderhandelden nog zo’n 25 andere groeperingen een staakt-het-vuren. Ze gaven zich over aan de SLORC, of aan haar opvolger de 'State Peace and Development Council' (SPDC) die opgericht werd in 1997. Rangoon weigerde te praten met gewapende coalities, zoals het Nationaal Democratisch Front dat gevormd was in 1976 door de grootste niet-communistische milities, maar onderhandelde wel volop met aparte groeperingen. Dit beleid van onderhandelingen en individuele vredesakkoorden heet de 'Roadmap to Discipline'. Aangezien elk akkoord andere voorwaarden bevatte, werd geen enkel ervan publiek gemaakt. In de grensgebieden van Myanmar ontstond zo een overweldigende waaier aan politieke regelingen, gaande van een beperkte autonomie tot een bijna totale autonomie. De vredesakkoorden boden echter geen blijvende oplossingen voor de sociale, politieke en economische klachten die Myanmars opstanden lange tijd munitie gaven. Toch waren de oorlogen in de grensstreken tegen het midden van de jaren 1990 grotendeels tot een einde gebracht en konden de dorpelingen hun naoorlogse leven beginnen modelleren.

Nieuwe rijken

Toen het vechten stopte haastte het Birmaanse leger zich om contracten voor de exploitatie van teak, goud en edelstenen binnen te rijven, en om de controle te verwerven over lucratieve handelsroutes naar China en Thailand. Buitenlandse investeringen werden gekanaliseerd in joint ventures met bedrijven die eigendom waren van het Birmaanse leger en die grote sommen afroomden. Terwijl deze contracten miljoenen opbrachten voor de generaals, creëerden ze maar weinig jobs voor de Birmaanse arbeiders. De Chinese bedrijven betrokken bij de rubberplantages en het kappen van teakhout, brachten bvb. hun eigen arbeiders mee.

Naast de rijkdommen van het bos werden grote hoeveelheden gasreserves ontdekt in de Birmaanse wateren: in de Andaman Zee, de Golf van Mottama en meer recent in de Baai van Bengalen. In 1999-2000 stond aardgas maar in voor 1% van alle exportopbrengsten, maar tegen 2006-2007 maakte het al 40% uit van de inkomsten in Myanmar. Tegen het einde van 2007 waren er honderdduizend miljoenen dollars binnengerold. Gesitueerd in een energiehongerige regio, geven deze reserves de SPDC een ultieme troef en het regime speelt de buitenlandse geïnteresseerden slim tegen elkaar uit. De competitie is het grootst tussen India en China, specifiek voor de output van het Shwe-gasveld voor de kust van de staat Rakhine. Dit veld alleen al zal de regering van 2010 tot 2030 een geschatte 800 miljoen dollar per jaar opbrengen. China, met haar veto in de VN-Veiligheidsraad als troefkaart, lijkt de wedren met India gewonnen te hebben en staat op het punt een pijplijn te bouwen van 2380 km lang, van de westelijke kust van Myanmar tot de Chinese provincie Yunnan. Maar ook India sloot in september 2007 -temidden van de monikkenprotesten die uitgebreid in de mondiale media kwamen- nog een gasexploratiecontract met de SPDC van 150 miljoen dollar. Er worden 25 gebieden voor de kust onderzocht door joint ventures tussen overheidsbedrijven en oliebedrijven uit Australië, Groot-Brittannië, Frankrijk, Canada, China, Indonesië, India, Maleisië, Rusland, Zuid-Korea en Thailand.

Met de opbrengsten van al deze economische activiteiten begonnen de tatmadaw aan een grootschalige herinrichting van de staat en de maatschappij. Het belangrijkste focuspunt was de creatie van de splinternieuwe hoofdstad Nay Pyi Taw. Deze stad, landinwaarts gelegen en niet zonder enige zin voor megalomanie geconstrueerd, bestaat uit vier delen elk met hun eigen functie: handel/commercie, wonen, leger en bureaucratie. Privileges worden bepaald door de rang. Alle vice-ministers krijgen bijvoorbeeld hetzelfde soort huis in dezelfde wijk. Ook de voormalige hoofdstad Yangon, tot voor kort een bijzondere versleten stedelijk overblijfsel uit de jaren 1950, kent een vlaag van modernisering. Er zijn tien nieuwe gemeenten gebouwd aan de rand van de stad, net zoals luxueuze buitenwijken, hoogbouw en winkelcentra. Honderden pagodes zijn opgericht over heel het land en er zijn plannen om zich aan te sluiten bij het Aziatisch Autostraden project. Het ministerie van Informatie heeft het over de bouw van 26.127 bruggen, 17 luchthavens en 6801 scholen sinds 1988. Dit alles ging gepaard met het ontstaan van een ostentatieve nieuwe elite. De families van de hogere militairen een de top van het regime hebben de kansen gegrepen die zich aandienden door Myanmars economische opening. Profiterend van de connecties met de dictatuur en hun monopolieposities, leeft deze met luxe overladen klasse bijna in een parallel universum, ver verwijderd van de problemen van de gewone bevolking. Het ultieme symbool hiervan was de trouw in 2008 van generaal Than Shwe's dochter met een legerofficier. De bruid was overladen met diamanten en kreeg voor een geschatte 50 miljoen dollar aan geschenken, terwijl de gasten getrakteerd werden op een rijkelijk banket en een champagne receptie.

Sociaal bloedbad

Gewone burgers werden verplicht om zich ergens anders te vestigen om plaats te maken voor al deze veranderingen of moesten werken op de bouwwerven. Alleen een heel klein percentage van de Birmanen heeft kunnen profiteren van 's lands nieuwe rijkdommen en het niveau van ongelijkheid is de laatste 20 jaar enorm gestegen. In het centrum van Myanmar hebben duizenden voordien zelfvoorzienende rijsttelende dorpen en rurale gemeenten te kampen met ernstige moeilijkheden.

Van bij het begin reguleerde de SLORC/SPDC de prijs van de rijst. Door de boeren te verplichten de rijst aan artificieel lage prijzen te verkopen, kon er goedkope rijst gaan naar de stedelijke markten en de legerkantines. In 2003 dereguleerde de regering officieel de rijsthandel, maar veel lokale militaire commandanten hebben restricties opgelegd aan de beweging van de rijst naar markten, zodat ze de surplussen van de boeren kunnen blijven opkopen aan superlage prijzen, soms zelfs lager dan wat het kost om het telen. Landbouwers verloren hun land aan geldschieters die geld leenden aan intresttarieven van 10 tot 15% per maand voor boeren met eigen land en 25 tot 20% per dag voor bezitloze dus hoge-risico leners. Het resultaat is dat vele families zich verplicht zagen om als dagloners te werken op land dat voordien van hen was. Zelfs in de relatief meer vruchtbare Irrawaddy-delta wijzen studies erop dat pachtgebruik, schulden en voedselonzekerheid wijdverspreid zijn. In hun wanhopige zoektocht naar andere manieren om geld te verdienen, hebben velen hun kinderen weggestuurd naar stedelijke gebieden om te werken in fabrieken of in agro-industriële plantages. Miljoenen Birmezen verhuisden eveneens naar andere landen om te werken als huishoudhulp, prostituees of arbeiders. Op het einde van 2008 waren er in Thailand alleen al 3 tot 4 miljoen Birmaanse gastarbeiders, dat is bijna 8% van de bevolking. Uit een rapport van het VN Ontwikkelingsprogramma, opgesteld in 2005 met medewerking van de Birmaanse regering, bleek dat 90% van de bevolking moest overleven met minder dan 65 dollarcent per dag. Het gemiddelde huishouden spendeert driekwart van haar inkomen aan voedsel. Volgens VN-cijfers lijdt een derde van de kinderen onder de 5 jaar aan ondervoeding in een regio waarin de gemiddelde ondervoedingsgraad bij kinderen 15% is. Elk jaar krijgen bijna 700.000 mensen malaria en 130.000 mensen tuberculose. De kindersterfte is dubbel zo hoog als in de andere landen van de regio en 109 op de 1000 kinderen sterven voor de leeftijd van 5 jaar.

Het sociale weefsel van centraal Myanmar was tot 1988 relatief intact gebleven, maar kwam onder heel wat druk te staan gedurende het liberaliseringsproces van de SLORC. Vandaag beëindigen de helft van de Birmaanse kinderen hun lagere school niet, vooral omdat de inschrijvingsgelden -die de hopeloos lage lonen van de leraars moeten aanvullen- de inkomens van de meeste families zwaar overstijgen. Middenklasse families in de Irrawaddy-vallei schrapen fondsen bij elkaar om hun kinderen het land uit te sturen voor werk of een educatie, vermits er geen toekomst zit in het uitgeholde onderwijs of de eigen miserabele ambtenarij. In sommige dorpen kan men geen jonge mensen tussen de 16 en 30 jaar oud meer vinden. De plannen en dromen van een familie kunnen weggerukt worden door de kosten van één begrafenis, een overstroming, een slechte oogst of zelfs een niet al te ernstige ziekte. In de boeddhistische gebieden, vormden de kloosters lang het belangrijkste sociale opvangnet. Ze boden onderdak aan daklozen en onderwijs aan kinderen wiens families de inschrijvingsgelden van de regeringsscholen niet konden betalen. Maar de monniken zijn in ruil afhankelijk van de lokale gemeenschappen voor rijst, curry en andere voorraden die ze ontvangen in de vorm van dagelijkse aalmoezen en ceremoniële donaties. Met de verarming van de laatste jaren mogen veel van Myanmars rurale en stedelijke inwoners echter al van geluk spreken als ze zelf een (vleesloze) maaltijd per dag hebben. De monniken zijn zich zeer bewust van de groeiende crisis. Kloosters over het hele land worden overspoeld door wezen, gehandicapten en de allerarmsten op zoek naar onderdak, zorg en voedsel. Monniken moeten soms kandidaat-monniken of mensen in nood weigeren omdat er simpelweg geen eten genoeg is.

Besluit

Onder het SLORC zouden de structuren die de Birmaanse maatschappelijke orde lang hadden gekenmerkt, helemaal binnenste buiten gekeerd worden. De gesloten economie werd opengesteld voor buitenlandse exploitatie van de natuurlijke rijkdommen. Het relatieve egalitarisme van het boeddhistisch-nationalisme werd afgeschaft door de tweede generatie tatmadaw-leiders en in de plaats kwam een ongebreidelde zelfverrijking. Het militaire systeem werd wel opgesmukt met een ad hoc constitutionalisme. Maoïstische guerrilla’s en de door de Britten getrainde Karen-generaals werden als oppositionele iconen vervangen door de frêle en fotogenieke Aung San Suu Kyi. De grensgebieden kregen zekere graden van autonomie toegewezen. In de meeste van deze voormalige oorlogszones kregen de ex-rebellengroepen echter de toestemming om hun wapens te behouden. Zo konden ze hun eigen territoria bewaken en hun soldaten gebruiken als privé-veiligheidstroepen om ondernemingen te beschermen. Het recht om wapens te dragen zou vervallen eens het Roadmap-proces tot een einde gekomen was. Deze regeling was dus een potentiële tijdbom. In april 2009 toen het einde van het 'Roadmap-programma in zicht kwam, eiste de junta dat de troepen van de minderheden ontwapenden en zich onderwierpen aan het centraal gezag van het nationale leger, waarbij ze zich zouden aansluiten als een soort nieuwe grenswacht. Een aantal van de kleinere staakt-het-vuren groepjes deden dit, maar ten minste vier grotere groepen hebben dit tot nu toe geweigerd. Ze hergroepeerden zich in het 'Myanmar Vrede en Democratie Front'. Met de deadline in zicht werden Birmaanse artillerie-eenheden in positie gebracht rond de autonome zones van de weerspannige gemeenschappen, waaronder de Wa en de Kachins. Op 8 augustus 2009 profiteerden de tatmadaw van een interne machtsstrijd binnen de Kokang-groep (een van de vier onwelwillende groepen) om op te rukken en haar leider omver te werpen. Duizenden angstige dorpelingen vluchtten de grens met China over. Een gezamenlijk persbericht buiten beschouwing gelaten, deden de andere leden van het Vrede en Democratie Front maar weinig om de Kokangs te helpen. Op korte termijn kunnen de verkiezingen die dit jaar zouden moeten doorgaan de aanleiding vormen voor het opnieuw oplaaien van conflicten in de grensregio's.

Deel 3: Mars van de monniken

De nakende val van Myanmars kleptomane dictatoriale militaire regime is al meermaals aangekondigd afgelopen twee decennia. Er waren de massale protesten van 1988 waarin Aung San Suu Kyi naar voren trad als het gezicht van de pro-hervormingsbeweging. Na een jaar strandde deze beweging na een veelbelovende start door repressie en interne onenigheid. Aung San Suu Kyi werd in juli 1989 opgepakt en onder huisarrest geplaatst. In 1996-1998 legden de EU en de VS, na extensief lobbywerk van mensenrechtengroepen, economische sancties op aan Myanmar. Er werd gedacht dat aangehouden internationale druk zou slagen waar de interne volksbewegingen faalden, maar tegen dan maakte de junta al serieuze winsten via de handel in teak-hout, jade en robijnen met haar buurlanden. Pogingen van de 'National Endowment for Democracy' (een Amerikaanse organisatie die ijvert voor de installatie van VS-vriendelijke democratieën via cash-fondsen) en anderen, om een oppositiebeweging op te richten onder Birmaanse vluchtelingen, hadden maar weinig effect. De dictatuur overleefde het ene negatieve mensenrechtenrapport na het andere, net zoals de vele veroordelingen door wereldleiders, Nobelprijslaureaten en Hollywood-beroemdheden. In september 2007 leken de 'mars van de monniken' en de massale protesten het einde in te luiden voor generaal Than Shwe en zijn 'State Peace and Development Council' (SPDC). Deze keer zou de macht van de nieuwe media de dictatuur breken. Bloggers, studenten en familieleden van de Birmaanse diaspora overstelpten het internet met gsm-beelden en positieve voorspellingen die aangedikt werden door de buitenlandse pers. Binnen de kortste keren sloeg de regering de protesten echter neer en werd de gsm-democratie stilgelegd via het blokkeren van de netwerken.

Acht maanden later, op 2 mei 2008, raasde de cycloon Nargis door de Irrawaddy-delta en maakte 200.000 dodelijke slachtoffers. Opnieuw voorspelden onze media dat de junta deze tegenslag niet zou overleven. Terwijl twee met voorraden volgestouwde Amerikaanse oorlogsschepen de kusten van Myanmar patrouilleerden, dacht men dat de junta de toegang niet meer zou kunnen weigeren aan de Westerse noodhulpwerkers, wiens aanwezigheid ondertussen als een voorwaarde voor regimeverandering beschouwd werd. VN-secretaris Ban Ki-moon reisde af naar Myanmar op 22 mei en ruilde miljoenen dollars aan noodhulp voor een aantal dozijn visa's voor buitenlandse noodhulp-experts. De catastrofe stelde een aantal NGO's effectief in staat om hun operaties in het land op te krikken, maar de regeringscontroles bleven dwarsliggen en de junta bleef ongemoeid. Van zodra de vroege noodfase van de ramp voorbij was, bleken de internationale donors bovendien veel minder bereid om de langetermijn-engagementen nodig voor herstel en rehabilitatie, op zich te nemen.

Voor de internationale media en vele Westerse supporters van Aung San Suu Kyi, is de reden voor de persistentie van de junta simpel: repressie. Met het neerslaan van de mars van de monnikken in september 2007 leek het wel alsof de grote steden in Myanmar tot slagvelden werden herleid. In werkelijkheid was het geweld vooral geconcentreerd in de hoofdstad Rangoon en het dodental lag tussen de 30 en de 40 (waaronder een Japanse persfotograaf) in plaats van de honderden of zelfs duizenden geschat door de Westerse media. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat de repressie onbetekenend was: sommige activistenleiders zijn veroordeeld tot 65 jaar gevangenisstraf. De regeringsmilitie 'Swan Arr Shin' (letterlijk 'meesters van de kracht'), bestaat uit getrainde boeven die in totale straffeloosheid opereren aan de zijde van de oproerpolitie en het leger. Maar repressie alleen kan de hardnekkigheid van het regime niet verklaren. Veel moorddadigere dictaturen (zoals die van Soeharto in Indonesië en Marcos in de Filipijnen) zijn omvergeworpen door het volk, net zoals regimes met een veel grondigere politiecontrole (Hongarije, Polen,...). Myanmar heeft helemaal geen vergelijkbaar controle- of repressieapparaat, maar toch heeft het al die andere regimes overleefd. De voornaamste reden hiervoor is dat de verschillende opponenten van her regime zich tot nu toe niet konden verenigen. Er bestaat dus geen enkel tegenwicht dat de dominantie van de junta op nationaal vlak kan contesteren. Wanneer er partiële oppositie ontstaat, zijn de generaals capabel om ermee af te rekenen via een combinatie van repressie en omkoperij, zo verging het ook de monniken in 2007.

Mars van de monniken

Op 15 augustus 2007, waarschijnlijk als een ad hoc oplossing voor haar cash-flow probleem, kondigde het regime een onmiddellijke daling in de brandstofsubsidies aan, waardoor de prijzen voor petroleum, diesel en aardgas plotseling tot 500% stegen. Het effect op de al labiele economie was traumatiserend. De allerarmste mensen die aan de rand van de stedelijke gebieden wonen, zoals dagloners uit Rangoons satellietsteden Zuid-Dagon, Hlaing Thar Yar of Noord Okkalapa, werden het hardst getroffen. Ze wonen ver van de mogelijke werksites in het centrum van de steden, waar ze misschien 83 dollarcent (1000 kyats) per dag kunnen verdienen. De nachtelijke pendel in stadsbussen aan hogere tarieven zou serieus in hun inkomen snijden, waarvan het meeste sowieso al gespendeerd werd aan transport en voedsel. Ondernemingen, studenten en anderen werden ook getroffen. Met een weinig betrouwbare elektriciteitsvoorziening, behalve in de nieuwe hoofdstad van de generaals, zijn dieselgeneratoren essentieel voor gelijk welke zaak om te kunnen overleven. Ze voorzien ook vele families van licht na 6 uur 's avonds.

Om te protesteren tegen de nieuwe economische beproevingen organiseerden tientallen activisten op 19 augustus 2007, een vreedzame stille mars door Rangoon. Er participeerden onder meer middelbare school- en universiteitsstudenten, individuele leden van Suu Kyi's Nationale Liga voor Democratie en bekende leiders van de '88-Generatie', voormalige politieke gevangenen die vastgezet werden voor hun rol in de prodemocratische opstand van 1988 (de meesten werden vrijgelaten in 2004). De volgende dagen kreeg dit initiatief navolging met meerdere kleine demonstraties, tot de angstaanjagende nieuwe militie Swan Arr Shin op het toneel verscheen. Meer dan honderden betogers werden gearresteerd, inclusief 13 leden van de '88-Generatie'. Onverschrokken gingen andere betogers -waaronder boeddhistische monniken of sangha- door met het organiseren van sporadische en kleine demonstraties in verschillende delen van het land. Niemand weet hoeveel monniken er precies leven in Myanmar omdat de kloosters gedecentraliseerd zijn en boeddhisten vrij kunnen in- of uittreden, maar rond een half miljoen is een realistische schatting. In 1988 deed een deel van de sangha volop mee aan de opstand. Via een beleid dat kloosters sponsorde, specifiek de meer spirituele a-politieke soort, slaagde de SPDC er sinds 1988 grotendeels in, om de sangha om te kopen en te coöpteren. Maar weinigen hadden dus verwacht dat de doorgaans conservatieve monniken verder zouden zetten waar de betogers in augustus 2007 mee begonnen waren. De effecten van de sociale en economische crisis op de kloosters werden echter onderschat. Op 5 september 2007, net als de brandstofprotesten hun momentum begonnen te verliezen, voegden verschillende honderden monniken van een groot klooster in de rurale stad Pakokku zich bij de gewone inwoners in een lokale demonstratie. Pakokku, gelegen in de centrale Magway-provincie en bekend voor haar grote en zeer gerespecteerde kloosters, was ten prooi gevallen aan de alsmaar verder om zich heen grijpende armoede, kenmerkend voor de meeste steden in centraal Myanmar. Wat er zich precies allemaal heeft afgespeeld, is nog altijd niet helemaal duidelijk, maar het lijkt erop dat de politie en de soldaten op 5 september met echte en rubberen kogels gevuurd hebben boven de hoofden van de betogers. Toen die zich niet lieten verdrijven vielen veiligheidstroepen, waaronder een aantal bruten van Swan Arr Shin, de betogers aan. Daarbij werd vermoedelijk een monnik gedood. De volgende dag, toen een delegatie vertegenwoordigers van de stad het Maha Visutarama-klooster bezocht, werden ze gegijzeld door kwade monniken die een officiële verontschuldiging van de junta eisten voor de slagen en verwondingen. Op 9 september werd een statement verspreid op het internet van de 'All Burma Buddhist Monks' -een voordien onbekende groep, waarschijnlijk bestaande uit jonge meer geradicaliseerde monniken– waarin de regering de deadline van 17 september kreeg opgelegd om zich te excuseren en waarin een reductie van de prijzen voor levensmiddelen en brandstof werd geëist. Omdat er geen verontschuldigingen volgden, draaiden monniken in Rangoon, Mandalay, Sittwe en een handvol andere steden hun offerkommen symbolisch om, als een teken dat ze geen donaties meer zouden aanvaarden van militair personeel en hun families. In Chauk startten de monniken met hun processies op 17 september. Rangoon volgde de volgende dag. Verschillende dagen na elkaar marcheerden gestaag groeiende aantallen monniken gedisciplineerd door de straten. De timing van de protesten was niet onbelangrijk: op 18 september grepen de generaals de rechtstreekse politieke macht in de coups van 1988. De marsen kwamen er op het einde van een exceptioneel regenachtig seizoen, specifiek in Rangoon. In plaats van te mediteren binnen de veilige muren van hun kloosters, marcheerden lange processies van monniken door de straten te midden van stormachtige regenbuien, slechts gekleed in hun gewaden en flipflops, in naam van het lijden van de bevolking van Myanmar. Binnen een paar dagen werden de monniken vervoegd door tienduizenden burgers die beschermende kettingen vormden aan de rand van de processies. Sommigen breidden de oorspronkelijke eisen van de marcheerders -een verontschuldiging van de regering en dalende brandstofprijzen- uit naar democratische hervormingen en een regimewissel. Beelden van de protesten, gemaakt met gsm's en digitale camera's circuleerden al gauw op het internet en werden uitgezonden door buitenlandse nieuwszenders.

Reactie junta

Het kostte de generaals bijna een week om te reageren op de groeiende protesten. Nadat de topmilitairen en bureaucraten, hun families in 2005 geïnstalleerd hadden in de spiksplinternieuwe hoofdstad Nay Pyi Taw, verloren ze hopeloos hun voeling met de gebeurtenissen in 's lands grootste verstedelijkte agglomeratie. Terwijl de rurale economie in de loop der jaren verslechterde, kreeg het leiderschap alsmaar minder accurate informatie overgebriefd van de regionale garnizoenen of de lokale ambtenarij. Zij hadden wel eerstehands informatie over de verslechterde omstandigheden op het terrein, maar hadden een cultuur aangekweekt waarbij het doorgeven van slecht nieuws werd ontmoedigd. Het ontmantelen van de militaire inlichtingendienst in 2004, na een machtsstrijd tussen Than Shwe en Khin Nyunt (die aan het hoofd stond van de geheime dienst), heeft het gebrek aan kennis aan de top nog vergroot. Hierdoor misten de generaals de kans om bij de prille start van het protest, te beletten dat de situatie uit de hand zou lopen. Ze hadden zich kunnen verontschuldigen tegenover de monniken van Pakokku, of ze hadden de Rangoon-kloosters kunnen sluiten. Tegen de tijd dat het regime zich de schaal van de onrust realiseerde, hadden de massaprotesten al een geheel eigen momentum.

Pas op 24 september verklaarde generaal Thura Myint Maung, minister van Religieuze Zaken, dat de protesten het werk waren van “interne en externe destructieve elementen” en dreigde hij met maatregelen. De volgende avond liet het regime 33 trucks met luidsprekers uitrukken om in de wijken van Rangoon een avondklok en een verbod op publieke samenkomsten voor meer dan 5 personen aan te kondigen. Ondertussen namen de politie en het leger hun gevechtsposities in. Op 26 september vuurden de oproerpolitie en gevechtstroepen schoten af -vooral rubberen kogels maar ook echte munitie- op de ongewapende betogers. Ongetwijfeld op orders van Than Shwe vielen de veiligheidstroepen in de nacht van 26 op 27 september de kloosters van Rangoon binnen en verrasten de monniken in hun slaap. Honderden geestelijken werden gearresteerd, terwijl duizenden wegvluchtten naar rurale steden en dorpen in heel het land. Op 27 september sloegen en schoten de troepen op bepaalde plaatsen opnieuw op de betogers. Sommige demonstranten, die waarschijnlijk vooraf geïdentificeerd waren als leiders of gevaarlijke elementen, werden bewust geviseerd. Ten minste 30 mensen stierven door het harde optreden. De daaropvolgende weken voerden de veiligheidstroepen schrikwekkende raids uit in meer dan 50 kloosters en honderden huizen. Gebruik makend van de videobeelden en foto's die terug te vinden waren op blogs en nieuwssites, viseerde het regime diegenen die ervan verdacht werden de protesten te leiden. In de traditie van de Britse koloniale voorgangers pakten de veiligheidstroepen familieleden van verdachten op en hielden ze gevangen om de beoogde doelwitten uit hun schuilplaatsen te kunnen lokken. In Rangoon werden ten minste 3000 mensen gearresteerd op beschuldiging van terrorisme. Ze werden opgesloten en ondervraagd in 6 in de haast opgerichte gevangeniskampen rond de stad. Een dozijn of meer mensen, waaronder 8 monniken, stierven in gevangenschap. Binnen de twee weken na de aanvang van de protesten kon Myanmars ambassadeur bij de Verenigde Naties zelfverzekerd een terugkeer naar de normaliteit aankondigen. Zoals september 2007 aantoonde is een deel van de sangha blijkbaar nog altijd bereid om een stem te geven aan de sociale wanhoop die het heeft zien ontstaan in de laatste 15 à 20 jaar. Maar ondanks de morele invloed die ze kunnen uitoefenen, was die niet van die aard dat ze de tatmadaw (het leger) van de wijs konden brengen, laat staan het regime omver konden werpen.

Deel 4: Oppositie in Myanmar

Etnische minderheden

De best georganiseerde oppositiegroepen in Myanmar zijn ook de meest verdeelde. In de grensgebieden van het land leven allerlei etnische minderheden die zich in het verleden groepeerden in een veelheid aan milities en streden voor autonomie of secessie. Vier decennialang waren zij de meest geduchte tegenstanders van het regerende militaire regime. In de jaren 1990 onderhandelden de etnische rebellenbewegingen aparte staakt-het-vuren-akkoorden met de 'State Peace and Development Council' (SPDC), het beslissingsorgaan van de militaire junta. De inhoud van de akkoorden was, wat autonomie betreft bijvoorbeeld, verschillend voor elke rebellengroep. Een deel van hen kreeg de toestemming om een militaire vleugel te behouden tot ze aan het einde van het hele onderhandelingsproces zouden opgaan in het leger, waarbinnen ze een soort nieuwe grenswacht moesten vormen. Toen dat moment aangebroken was (april 2009), weigerden een aantal grotere groepen zich echter bij de afgesproken regeling neer te leggen en hergroepeerden zich. De positie van de leiders van de etnische minderheden was sinds de ondertekening van de akkoorden alsmaar moeilijker geworden. Vele voormalige rebellenleiders kregen af te rekenen met rivalen binnen de groep zelf of met kritiek van de diaspora die hen beschuldigden van collaboratie met de SPDC omdat ze zich in ruil voor vrede akkoord verklaard hadden met de oprichting van eigen politieke structuren. Generaal Than Shwe was er zich maar al te zeer van bewust dat de representatie van de etnische minderheden via partijen, zijn militaire regime een zekere democratische legitimiteit zou verschaffen. Hij nam dit dan ook op in de staakt-het-vuren-akkoorden, samen met allerlei beloften over ontwikkeling. Sinds het beëindigen van de grensoorlogen traden sommige randregio's inderdaad op de voorgrond wat de weinige economische opportuniteiten betreft in dit zeer arme land. De grootste winnaars waren echter een aantal drugsbaronnen, de grote Chinese en Thaise hout- en mijnbedrijven, en de nationale legerleiders die in deze regio's gestationeerd waren en bijvoorbeeld de lucratieve smokkelroutes overnamen. Overleven in de grensgebieden bleef voor de gewone bevolking een precaire onderneming, zeker in het licht van de groeiende voedselonzekerheid. Vier minderheidsgroepen: de Wa, de Kochins, de Karens en de Kokang, verenigd in het Myanmar Vrede en Democratie Front, beslisten daarom om niet te ontwapenen. Geweld laaide af en toe op in wat men een conflict van lage intensiteit kan noemen. In hun strijd tegen de milities kunnen de tatmadaw (het nationale leger) profiteren van de vele interne onenigheden binnen de rebellengroepen. Bovendien leven er in alle grensgebieden mensen die zichzelf definiëren als etnisch verschillend van de groep naar wie de staat of de post-staakt-het-vuren autonome zone waarin ze wonen, genoemd is. Dit biedt de SPDC een waaier aan mogelijke bondgenoten die te paaien vallen met de klassieke verdeel en heers methoden. Het Shan Staatsleger-Zuid, onder het commando van kolonel Yord Serk, is de grootste gewapende groep die nog altijd aan het vechten is tegen de junta en de Shan-oppositie heeft de aankomende verkiezingen dan ook verworpen. Sommige analisten vrezen dat de verkiezingen het geweld opnieuw zou kunnen doen oplaaien. Maar eigenlijk is het in niemands belang dat er een lokale oorlog uitbreekt. Bovendien zou China nooit toestaan dat er zo dicht bij zijn grens een regelrecht gewapend conflict uitgevochten wordt dat zijn economische en strategische belangen in Myanmar zou kunnen ondermijnen.

NLD

De Nationale Liga van de Democratie (NLD), beter bekend als de partij van het symbool van de democratische oppositie bij uitstek, Aung San Suu Kyi, had een te vrezen tegenstander kunnen zijn voor de junta in de opkomende verkiezingen. De NLD heeft echter tot een boycot besloten, uit protest tegen het restrictieve kader waarin deze verkiezingen gegoten zijn. De huidige electorale wetgeving is voor het overgrote deel nochtans identiek aan de regels die gehanteerd werden voor de vorige verkiezingen in 1990, die glansrijk gewonnen werden door de NLD (d.w.z. zeer restrictief wat de regelgeving voor registratie en campagnevoering betreft, maar een tamelijk vrije stemming op de dag zelf en een eerlijke telling achteraf). Het militaire regime legde de ongewenste verkiezingsuitslag van 1990 wel simpelweg naast zich neer en vervolgde de belangrijkste gezichten van de NLD. Veel westerse politieke leiders en NLD-bannelingen in het buitenland vinden dat de macht gewoon moet overgedragen worden aan de NLD, de enige entiteit die ze als legitiem beschouwen. Maar hun verkiezingsoverwinning is toch al 20 jaar oud en jammer genoeg vertoont de huidige NLD nog maar weinig kenmerken van een echte democratische politieke partij. Nadat meer dan een decennium geleden hele groepen parlementsleden in de gevangenis gestopt werden of verplicht werden om het land te verlaten, legden Aung San Suu Kyi en haar oudere luitenanten een strikt centralisme op aan het kleine groepje verkozen parlementsleden dat nog kon blijven doorwerken. Iedereen die niet akkoord ging werd uit de partij gezet, waardoor het democratisch gehalte binnen de partij zelf aanzienlijk gefnuikt werd. Met Aung San Suu Kyi onder huisarrest voor het grootste deel van de laatste twintig jaar en haar 'nonkels' -zoals de tachtigers van het Centraal Uitvoerend Comité genoemd worden- aan het roer, is de NLD niet langer een zeer dynamische en mobiliserende kracht. De NLD-leiders hadden even weinig voeling met de realiteit als de generaals van het regime toen de betogingen tegen de gestegen brandstofprijzen in augustus 2007 de economie verlamden. Een NLD-woordvoerder veroordeelde de protesten zelfs. Niet lang daarna verliet de jongerensectie de partij. Een aantal NLD-leden splitsten zich recent nog af om onder de vlag van een nieuwe politieke partij, het Nationaal Democratisch Front, toch te kunnen participeren aan de verkiezingen. Sommige waarnemers stellen zich dus ernstige vragen bij de werkelijke capaciteit van de NLD om te regeren. De persoon Aung Suu Kyi zelf blijft daarentegen de adoratie genieten van vele Birmanen, ook van de minderheden. Zij zijn echter niet vergeten dat 'de nonkels', ex-officieren zijn, die nog militaire campagnes geleid hebben tegen de opstandelingen in de grensgebieden. De Nationale Liga voor Democratie wordt gedomineerd door etnische Birmanen (Bamar) en staat al decennialang wantrouwig tegenover de federalistische eisen van de militante minderheidsgroepen. De verdeeldheid tussen de twee belangrijkste oppositiegroepen in Myanmar wordt volop in stand gehouden door de militaire junta.

Birmaanse diaspora

Een ander oppositiefront wordt gevormd door de Birmaanse vluchtelingen in het buitenland, die vaak gesteund en getraind worden door allerlei transnationale netwerken. De jongeren van de opstand van 1988 die het land uit vluchtten zijn erin geslaagd om in Westerse kringen “Bevrijd Birma!” even luid te doen weerklinken als “Bevrijd Tibet!”. Ze hebben ook zeer professionele media-agentschappen opgericht zoals 'Mizzima' en 'Irrawaddy'. Maar hun discours wordt vaak herleidt tot een gemakkelijk verteerbaar, a-historisch verhaal op maat van het Westerse publiek, dat staat te springen om online petities te ondertekenen of media-vriendelijke campagnes te vervoegen. De miljoenen dollars die gespendeerd worden aan pro-democratische campagnes buiten de Birmaanse grenzen, mogen talentvolle jonge studenten dan wel voorzien hebben van bruikbare technische training en een hogere educatie, ze hebben nog geen organisaties voortgebracht die in staat zijn om een aanzienlijke politieke verandering te cultiveren in het land zelf. De tactiek van de Westerse economische sancties, die ze ondersteunen, lijkt vooral een schadelijk effect te hebben op de kleine boeren, de handelaars en de vakmannen in het geviseerde land. De generaals blijven rijkdom accumuleren. Overzeese pleitbezorgers blijven maar aandringen op betere en 'slimmere' maatregelen, maar binnen Myanmar zelf wordt het sanctiebeleid van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk beschouwd als mislukt in het brengen van democratische hervormingen.

Overlevingsinstinct

Het is duidelijk dat het militaire regime in Myanmar niet blijft overleven bij gebrek aan kritiek of oppositie. In de centrale regio's heerst er een wijdverspreide volkswoede en minachting voor de dictatuur. Vele Birmanen zijn dan ook trots op hun dagelijkse kleine daden van verzet -zoals het lachen met video's van blunders van de militairen. Maar de macht van het regime is nog altijd groot. Het bleek tot nu toe onmogelijk voor de belangrijkste verschillende opponenten -de NLD, dissidente monniken, etnische rebellenbewegingen en oppositiegroepen in ballingschap- om zich te verenigen. Er is dus geen enkel tegenwicht dat de dominantie van de junta op nationaal vlak kan uitdagen. Wanneer er partiële oppositie ontstaat, zijn de generaals capabel om ermee af te rekenen via een combinatie van repressie en omkoperij, zoals bijvoorbeeld gebeurde met de studentenprotesten in Rangoon in 1996 en de monnikenprotesten in 2007. Ze kunnen daarbij steunen op een waaier van pacificatiemethoden die nog dateren uit de koloniale periode. Een echte bedreiging voor het regime zou de diepe verdeeldheid moeten overbruggen. Het zou zowel de minderheden als het sterk verarmde centrum en delen van het leger achter een economisch programma moeten kunnen scharen dat de enorme ongelijkheden in het land wil wegwerken en achter een politiek plan dat een grondwettelijke regeling steunt die tegelijk federaal en democratisch is.

steun ons

© 2021 vrede vzw - website by