Image
uruguay

Wikimedia/Mediared, CC

50 jaar na de staatsgreep eisen families gerechtigheid voor de verdwenenen in Uruguay
Artikel
10 minuten

Doorheen Latijns-Amerika hebben families de hoop nog niet opgegeven om de tienduizenden mensen terug te vinden die verdwenen tijdens de militaire dictaturen tijdens de Koude Oorlog. 

Opgravingen door forensische antropologen in een beruchte militaire basis in Toledo, Uruguay, hebben menselijke resten blootgelegd. Het zijn waarschijnlijk de overblijfselen van een van de vele slachtoffers van de campagne van gedwongen verdwijning, uitgevoerd door de staat tijdens de militaire dictatuur die vijf decennia geleden begon. Het zijn de eerste stoffelijke resten die in meer dan tien jaar zijn ontdekt. Ze vormen een pijnlijke herinnering aan de inspanningen die het leger deed om dissidenten en linkse mensen voorgoed te laten verdwijnen tijdens een campagne die 12 jaar duurde. 

Voor families van vermisten bracht het nieuws een mengeling aan emoties met zich mee. Het is pas de zevende persoon die teruggevonden is van de 204 slachtoffers die gedwongen verdwenen tijdens die brutale periode tijdens de Koude Oorlog. “Voor ons is er iedere keer dat er een vondst is, veel onrust, maar ook blijdschap omdat we een familielid kunnen verlossen”, zegt Graciela Montes De Oca, activiste bij de Uruguayaanse organisatie Moeders en Familieleden van Verdwenen en Gevangen Uruguayanen, wiens vader, Otermín Montes De Oca Domenech, onder dwang verdween in december 1975. We voelen ook “veel onzekerheid, nervositeit en angst omdat het proces om dat lichaam te identificeren ongeveer 30 dagen duurt”. 
Montes De Oca was slechts 11 jaar oud toen ze haar vader verloor. 

Volgens de berichtgeving zijn de menselijke overblijfselen gevonden dicht bij de lichamen van twee andere mannen, Julio Castro en Ricardo Blanco, die in 1975 onder dwang van het militaire regime verdwenen. Hun overblijfselen werden iets meer dan een decennium geleden ontdekt, in respectievelijk 2011 en 2012.

Het nieuws kwam er niet zo lang voor de 50ste verjaardag van de staatsgreep op 27 juni die het begin inluidde van meer dan een decennium militair bestuur. In de jaren na de terugkeer van de democratie in 1985 begonnen familieleden en activisten te zoeken naar mensen die onder het regime gedwongen waren verdwenen. De roep om gerechtigheid in het Zuid-Amerikaanse land nam toe. 

Sinds 1996 houden familieleden en dierbaren van de verdwenenen in Uruguay een optocht om gerechtigheid te eisen in wat bekend staat als de ‘Mars van de Stilte'. Ook dit jaar verzamelden duizenden mensen op 20 mei in een stille optocht met foto’s van de vermisten in hun handen. Hun doel is het doorbreken van het stilzwijgen van de militaire functionarissen van de dictatuur.

De datum van de mars is belangrijk, vermits het de moorden op 20 mei 1976 herdenkt van vier belangrijke Uruguayaanse dissidenten: de politici Zelmar Michelini en Héctor Gutiérrez Ruiz, en de activisten Rosario Barredo en William Whitelaw. Ze werden allemaal vermoord terwijl ze in ballingschap leefden in Buenos Aires, Argentinië

“In 1996 werd een oproep gedaan om hulde te brengen aan hen en alle anderen”, zegt Montes De Oca, die uitlegt dat de optocht klein startte. “Maar we begonnen het elk jaar te doen: de waarheid en gerechtigheid te eisen, en ‘nooit meer’ te zeggen, ‘nooit meer staatsterrorisme’.” Het aantal mensen dat jaarlijks komt opdagen is aanzienlijk gegroeid. De eisen begonnen door te dringen tot alle aspecten van de samenleving. 

De campagne van gedwongen verdwijningen heeft een gat geslagen in de harten van veel families en de samenleving, en de erfenis van de brute campagne hangt bijna 50 jaar later nog steeds boven de regio. Dit verlies wordt verbeeld door een wit madeliefje dat een bloemblaadje mist. Het is een belangrijk symbool geworden van de beweging en duikt regelmatig op in de marsen. 

De schaduw van de Koude Oorlog

De Uruguayanen zijn helaas niet de enigen die inspanningen leveren om vermiste dierbaren te vinden. Anderen doorheen Zuid-Amerika streven ook naar gerechtigheid voor de slachtoffers van de transnationale Operatie Condor, de wrede gecoördineerde onderdrukking van politiek links, dissidenten en activisten door de militaire dictaturen in de regio. Tegen de tijd dat Operatie Condor tot een einde kwam in de jaren 1980, waren over de hele regio tussen de 50.000 en 60.000 mensen vermoord, 30.000 mensen gedwongen verdwenen en meer dan 400.000 mensen gevangen genomen en gemarteld. 

De operatie werd gelanceerd in 1975, toen Uruguay, Chili, Argentinië, Bolivia en Paraguay samenkwamen om een grensoverschrijdende terreurcampagne te lanceren om dissidentie te smoren. Drie andere landen, Brazilië, Peru en Ecuador zouden de operatie vervoegen in 1976 en 1978.

Deze "landen waren de politieke oppositie in eigen land al een aantal jaren aan het onderdrukken", zegt Francesca Lessa, professor in Latijns-Amerika studies aan de Oxford Universiteit en auteur van het boek ‘The Condor Trials: Transnational Repression and Human Rights in South America’. “Maar omdat veel ballingen en dissidenten hun land hadden verlaten en vooral naar Argentinië waren verhuisd, waar ze politiek actief bleven en aan de kaak stelden wat er in hun land van herkomst gebeurde, hadden de [verschillende dictatoriele] regimes dezelfde behoefte om deze dissidenten het zwijgen op te leggen.” De regimes gingen heel ver om hun tegenstanders te laten verdwijnen. Ze gooiden zelfs dissidenten in de oceaan of in het geval van Guatemala werden ze naar verluidt in vulkanen gesmeten.

De brutaliteit van de campagne wordt het best weergegeven in het boek ‘Days and Nights of Love and War’ door de betreurde Uruguayaanse auteur Eduardo Galeano. In dit boek omschrijft Galeano zijn eigen leven als een jonge journalist die gedwongen wordt om in Argentinië in ballingschap te gaan en er de geruchten opvangt over het verlies van collega’s en vrienden.

De oorlog tegen links en dissidentie in Latijns-Amerika vond plaats terwijl de Verenigde Staten en Rusland verwikkeld waren in de Koude Oorlog. De wreedheden in de Amerika's maakte deel uit van de proxy-oorlog tussen deze twee wereldmachten. De gecoördineerde operatie door de militaire dictaturen werd gezien als een deel van de internationale strijd tegen het communisme en kreeg de steun van de Verenigde Staten, dat de militairen in de regio training gaf.

“De Verenigde Staten gaf steun aan Uruguay, Argentinië en Chili”, zegt Montes De Oca. Het was "zeer betrokken bij wat de militaire regeringen hier deden. De legers gingen studeren aan de ‘School of the Americas’ waar ze leerden hoe te martelen en te onderdrukken in onze landen." Deze wrede tactieken, die hun schaduw wierpen over generaties, werden in heel Latijns-Amerika toegepast. Gedwongen verdwijningen behoorden tot de favoriete tactieken van de militaire dictaturen tijdens de vuile oorlogen op het hele halfrond.

In Colombia verdwenen tijdens de vier decennia durende burgeroorlog naar schatting 70.000 mensen onder dwang. Centraal-Amerikaanse regimes gebruikten de tactiek ook regelmatig tijdens de interne gewapende conflicten en dictaturen in de regio, waaronder in Guatemala en het naburige El Salvador, waar respectievelijk ongeveer 45.000 mensen en ongeveer 9.000 mensen verdwenen.

In het geval van Guatemala werd de tactiek van gedwongen verdwijningen ingevoerd en regelmatig gebruikt tegen dissidenten na het bezoek in 1965 van John Longan, de belangrijkste adviseur voor openbare veiligheid in Venezuela. Zijn bezoek legde de basis voor de campagne. Tegen het volgende jaar, in 1966, onderschreef de ‘Central Intelligence Agency’ (CIA) er de verdwijningen en buitengerechtelijke executies van communisten en andere dissidenten. Eind de jaren 1970 en begin de jaren 1980 werden ook inheemse rechten-activisten een doelwit.

Vandaag blijven families in de hele regio nog altijd naar hun dierbaren zoeken. Afbeeldingen van de vermisten hangen over heel Guatemala City en gedenkplaten markeren de plaatsen waar mensen werden ontvoerd en verdwenen of werden vermoord door doodseskaders die gesteund werden door de regering. 

“Operatie Condor en de terreurmachine opgezet door de Latijns-Amerikaanse dictaturen hebben duidelijk hun impact gehad op vele generaties”, zegt Martín Fernández, een advocaat werkzaam voor het ‘Instituto de Estudios Legales y Sociales del Uruguay’, dat slachtoffers van de dictatuur vertegenwoordigt. Zoals Fernández aangeeft, zijn de gevolgen van deze misdaden tegen de menselijkheid verergerd door het ‘pact van stilzwijgen’ in Uruguay en het hele halfrond.

Degenen die de misdaden gepleegd hebben, weigeren te zeggen waar hun slachtoffers zich bevinden. Het doorbreken van deze stilte is de grootste uitdaging in de zoektocht naar de mensen die onder dwang verdwenen. 

Streven naar gerechtigheid en doorbreken van de stilte

De jaarlijkse Mars van de Stilte in Uruguay is slechts een van de vele manifestaties in de regio georganiseerd door degenen die getroffen zijn door de vuile oorlog en die gerechtigheid eisen voor zij die ten onrechte werden opgesloten en gemarteld, en gedwongen zijn verdwenen. De druk vanuit de civiele maatschappij neemt toe in heel Latijns-Amerika, in het bijzonder vanwege de families die dierbaren verloren. Ze roepen systematisch op tot de vervolging van oorlogsmisdadigers, wat de afgelopen jaren effectief geleid heeft tot aanklachten wegens oorlogsmisdaden tegen hooggeplaatste militairen en soldaten. 

In Guatemala, worden voormalige leden van het leger en de politie geconfronteerd met strafrechtelijke vervolging voor hun aandeel in de campagne van gedwongen verdwijningen op basis van een rapport. Gekend als ‘El Diario Militar', documenteert dit rapport de systematische marteling en de executies van 195 vermeende dissidenten en guerrillastrijders in het midden van de jaren 1980. Andere militaire leiders worden strafrechtelijk vervolgd voor hun aandeel in de verdwijning van meer dan 500 mensen in Militaire Zone 21, in Coban in het noorden van Guatemala, hoewel deze zaak momenteel stilligt. 

De inspanningen om oorlogsmisdadigers te vervolgen voor mensenrechtenschendingen tijdens het interne gewapende conflict in Guatemala zijn het resultaat van een jarenlange strijd voor gerechtigheid door de getroffen families. Sinds 2011 zijn al verschillende hooggeplaatste militaire functionarissen en leden van paramilitaire groeperingen veroordeeld voor hun misdaden, waaronder het vonnis van 2022 dat vijf voormalige paramilitairen naar de gevangenis stuurde voor seksueel geweld tegen inheemse vrouwen in de stad Rabinal in de jaren 1980. 

Organisaties zoals de Guatemalteekse Forensische Antropologie Stichting blijven proberen om de stoffelijke overschotten van slachtoffers te identificeren om een uitkomst en vrede te kunnen bieden aan zij die achterbleven. Gelijkaardige inspanningen worden geleverd in Uruguay, Argentinië, Mexico en Colombia.

In Panama zijn de families en de staat een schikking overeengekomen voor de misdaden gepleegd door de dictatuur. De creatie van organen die de transitionele justitie moeten overzien in Colombia, waaronder de oprichting van de Speciale Jurisdictie voor Vrede, hebben de deur geopend om te beginnen zoeken naar diegenen die vermist zijn, maar de praktijk van gedwongen verdwijningen is echter nog altijd een probleem in het land.

Inspanningen om oorlogsmisdadigers te vervolgen voor de wreedheden die zijn uitgevoerd in het kader van Operatie Condor hebben voortgang gemaakt in landen als Argentinië en Chili. Maar voor Uruguay leek gerechtigheid net buiten bereik, ondanks de verwoede pogingen om het leger ter verantwoording te roepen. Uruguayaanse organisaties stapten naar het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens om gerechtigheid na te streven voor de verdwijning van een jonge vrouw in 1975. De zaak leidde ertoe dat het Uruguayaans Hooggerechtshof de algemene amnestie voor militairen ophief. In de jaren die volgden werden een handvol zaken berecht, wat resulteerde in veroordelingen. 

Een van de grootste uitdagingen waarmee families in de zuidelijke regio van Latijns-Amerika geconfronteerd worden bij hun streven naar gerechtigheid voor de vermisten, blijft echter het voortdurende persoonlijke en institutionele stilzwijgen van de militairen. “Waarom mogen ze niet weten waar [hun geliefden] zijn?”, zegt Fernández. “Wat hebben ze met hun familieleden gedaan? Waarom vertellen ze het hen niet? Waarom geven ze hen niet het recht om hen te begraven en een plek te hebben om hen op te zoeken?”

Te midden van het stilzwijgen van degenen die tijdens de dictatuur aan de macht waren, gaan organisaties zoals Moeders en Familieleden van Verdwenen en Gedetineerde Uruguayanen door met het levend houden van de herinnering aan de vermisten in het land. De toegenomen deelname aan de Mars van de Stilte is een van de voorbeelden van het succes van hun beweging. Elk jaar spreken meer en meer mensen uit de hele samenleving zich uit voor gerechtigheid. Als gevolg van hun inspanningen tijdens de afgelopen decennia werd de maand mei erkend als de 'maand van herinnering' aan wat er tijdens de vuile oorlog in Uruguay is gebeurd.

Naast de Mars van de Stilte organiseren ze zich om het onderricht over de vermisten te bevorderen in het onderwijs en te garanderen dat deze geschiedenis zich niet herhaalt. Ze hebben hard gewerkt en druk uitgeoefend op de opeenvolgende regeringen om deze informatie op te nemen in de sholen. Hun inspanningen hebben succes gehad onder de vorige regeringen van Tabaré Vázquez en José ‘Pepe’ Mujica. Maar Montes De Oca vertelt dat ze achteruitgang zien tijdens de huidige regering van Luis Lacalle Pou, die volgens haar “de zaken verkeerd wil weergeven”. 

“Al deze gebeurtenissen die plaatsvonden tijdens de dictatuur moeten onderwezen worden in de scholen”, zegt ze. “Het enige wat ons kan helpen is dat mensen zich bewust zijn van alle terreur en horror en de onmenselijke daden die gepleegd werden door het militaire regime. Dat de nieuwe generaties dit weten, is het enige wat ervoor kan zorgen dat dit niet meer gebeurt”. 

Dit vertaalde artikel verscheen eerder in Z-magazine.


Iets fouts of onduidelijks gezien op deze pagina? Laat het ons weten!

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze digitale nieuwsbrief.