Wang Yi en talibanleider Baradar

Wang Yi en Mullah Abdul Ghani Baradar in Tianjin, 28 juli 2021. Beeld: Li Ran/Xinhua (CC4)

China weegt voorzichtig zijn kansen af in het Afghanistan van de Taliban
Artikel
10 minuten

Twee decennia geleden werd het Taliban-regime in Afghanistan omvergeworpen. De Taliban zijn sinds augustus terug aan de macht in Kaboel. De Verenigde Staten en hun NAVO-partners zijn afgedropen en hebben zelfs hun terugtrekking uit het land niet op een fatsoenlijke manier kunnen organiseren.

Volgens vele commentatoren zou China, dat nooit rechtstreeks bij de lange oorlog betrokken was, de geopolitieke hoofdprijs binnenhalen en zich in de rol van ‘sponsor van stabiliteit’ als een geldig alternatief kunnen opwerpen. Een rol die steeds meer gewicht zal krijgen naarmate de Taliban hun macht consolideren.

Volgens die redenering wil Peking de enorme minerale rijkdommen van het land inpikken en daartoe zo snel mogelijk deals sluiten met de Taliban. Nochtans, schrijft Matthew P. Funaiole in Foreign Policy, is Afghanistan voor China geen schatkamer waar de minerale rijkdom voor het grijpen ligt.

China’s pragmatische buitenlandse politiek

China heeft al lang gesnapt dat het ongepast is om gevechtstroepen in te zetten in crisisgebieden. Om zijn belangen te beschermen wil China eerder op een assertieve manier gebruikmaken van zijn militaire middelen buiten eigen land.

In oktober 2008 werden negen arbeiders van het staatsbedrijf China National Petroleum Corporation (CNPC) gegijzeld in Soedan - vier werden er gedood en één werd vermist. Een maand later kaapten Somalische piraten nabij de Keniaanse grens een Chinees vissersboot met 24 bemanningsleden aan boord. In 2016 vermoordde Al-Qaida drie Chinese blauwhelmen van de VN-vredesmacht, twee in Zuid-Soedan en één in Mali. Die feiten overtuigden China ervan dat een basis in Djibouti belangrijk kon zijn voor zogenaamde ‘Military Operations Other Than War’ (MOOTW), namelijk anti-piraterij, terrorismebestrijding, vredeshandhaving en humanitaire hulp.

Djibouti is een voormalige Franse kolonie, zo groot als driekwart van België maar met minder dan één miljoen inwoners. Belangrijk is dat het gelegen is in een geopolitieke hotspot, op een knooppunt tussen de Rode Zee en de Golf van Aden waar een derde van ‘s werelds schepen voorbij varen. De Chinese basis kwam er in de buurt van de commerciële haven van Doraleh. Bijzonder eraan is dat ze op slechts 15 minuten rijden ligt van de enige permanente basis van het Amerikaanse leger in Afrika, Camp Lemonnier.

De Chinese basis in Djibouti ligt op een geopolitieke hotspot.

Naast de militaire basis in Djibouti besloot Peking begin 2019 een nieuw steunpunt op te zetten in Tadzjikistan. De basis ligt 12 kilometer ten noorden van één van de meest afgelegen gebieden van Afghanistan, de Wakhan-corridor. Dat is een smalle 300 km lange strook in het noordoosten van het land, die tussen de 17 en de 60 km breed is. Het is een strategische doorgang voor heel Zuid-Azië. De corridor wordt door Tadzjikistan begrensd in het noorden, door China in het oosten en door Pakistan en Gilgit-Baltistan (Noord-Kasjmir)  –een gebied dat politiek betwist wordt door Pakistan en India. Gilgit-Baltistan leidt rechtstreeks naar de stad Taxkorgan in de regio Xinjiang in China.

Chinese kopzorgen

Afghanistan is dus niet ver verwijderd van China. In theorie is het best aantrekkelijker voor Chinese investeerders dan verder gelegen locaties. Maar veel van Afghanistans minerale grondstoffen bevinden zich op zeer afgelegen locaties met een beperkte infrastructuur. Decennia van oorlog en economische onheil hebben het probleem alleen maar groter gemaakt. China is best bereid om in strategische projecten in andere risicovolle landen zoals Nigeria en Zuid-Soedan te investeren, maar de complexe veiligheidsomgeving van Afghanistan is toch van een ander kaliber en niet los te zien van de stabiliteit in zowel Afghanistan zelf als in de aangrenzende landen waar grensoverschrijdende conflicten mogelijk zijn.

China’s voornaamste kopzorg in dat deel van de wereld bestaat uit organisaties als de Islamitische Partij van Turkistan (TIP), de Oost-Turkestaanse Islamitische Beweging (ETIM) en andere groepen die door Peking beschuldigd worden van terroristische aanslagen in China, meer bepaald in de regio Xinjiang. Peking is ervan overtuigd dat zij Oejgoerse separatisten rekruteren en opleiden voor de strijd voor een onafhankelijk Xinjiang. 

Kirgizstan en Tadzjikistan, die aan China grenzen, zijn zwakke staten met interetnische conflicten waar jihadistische organisaties actief zijn. In Oezbekistan zijn er dan weer etnische geschillen tussen Oezbeken en Tadzjieken, en is de Islamitische Beweging van Oezbekistan (IMU) actief.

De keuze voor de bouw van een militaire basis in Tadzjikistan was echter niet alleen belangrijk om veiligheidsredenen. Het is ook een cruciaal onderdeel van het strategisch belang dat de Chinese president Xi Jinping hecht aan de de uitbouw en bescherming van de ‘Nieuwe Zijderoute’, en daarmee van de ‘Chinees-Pakistaanse economische corridor’ (CPEC), een ambitieus project waarbij de bouw van transportinfrastructuur in Pakistan belangrijk is voor de uitbreiding van de Zijderoute richting Afrika via de haven van Gwadar. Die Pakistaande haven ligt aan de Arabische Zee en is sinds eind 2015 aan China verhuurd voor een periode van 43 jaar.

China ziet de militaire basis in Tadzjikistan als belangrijk voor de uitbouw en bescherming van de ‘Nieuwe Zijderoute’.

De relaties met Afghanistan

Terwijl het Westen een bij voorbaat verloren oorlog voerde in Afghanistan, concentreerde Peking zijn inspanningen geduldig op de economische sector. In tegenstelling tot veel andere landen die krijgsheren en invloedrijke mensen als partners kozen, had China geen favoriete lokale partner in Afghanistan. Dat is een consequentie van Pekings principe van niet-inmenging. China praat met iedereen zonder voorkeur of uitzondering.

Al lang voor de definitieve ineenstorting in augustus 2021 werkte China rechtstreeks samen met de Afghaanse regering, maar het hield sinds 2015 ook een officieel kanaal open voor dialoog en onderhandelingen met de Taliban. De Chinese minister van Buitenlandse Zaken Wang Yi bracht een eerste bezoek aan Kaboel in 2015 maar datzelfde jaar ontving Peking ook een delegatie van de Taliban.

Drie maanden geleden, op 28 juli, ontmoette Wang Yi in de Chinese stad Tianjin, Moellah Abdul Ghani Baradar, één van de stichters van de Taliban. Baradar is sinds 7 september ook de nummer 2 van de zogenaamde voorlopige Talibanregering. Volgens The Economist en The Diplomat is Baradar echter de de facto leider van de Taliban in Afghanistan.

Baradars bezoek aan China werd gezien als een diplomatieke zet van de Taliban om hun internationale aanzien op te krikken.

Zijn bezoek aan China werd gezien als een cruciale diplomatieke zet van de Taliban om hun internationale aanzien op te krikken. Baradar prees er China als een betrouwbare vriend van Afghanistan en voor zijn belangrijke rol bij de wederopbouw van de natie. Hij vertelde zijn Chinese gastheer ook dat de Afghaanse Taliban nooit zullen toestaan dat het Afghaans grondgebied gebruikt wordt om zich in te laten met “handelingen die schadelijk zijn voor China”, en dat er “geen buitenlandse troepen in het land zullen blijven”. Dat was één van de voorwaarden waaraan de nieuwe regering in Kaboel moest voldoen als ze hulp van China wilden verkrijgen.

De bodemschatten van Afghanistan

Afghanistan heeft een overvloed aan nog niet aangeboorde voorraden steenkool, aardgas, olie, koper, goud, ijzererts, lood, kobalt, lithium, bariet, chromiet, edelstenen en halfedelstenen, zout, zwavel, talk, zink en vele andere mineralen en zeldzame aardmetalen. De waarde ervan zou kunnen oplopen tot 1 triljoen dollar (een 1 met twaalf nullen of 1000 miljard). China slaagde erin -als eerste niet-Afghaanse investeerder en in concurrentie met India- om de rechten te verwerven voor de exploitatie van de grootste mineraal- en energievoorraden in Afghanistan.

De ontmoeting tussen Wang Yi en Mullah Abdul Ghani Baradar moest de weg effenen voor een strategisch akkoord in het belang van zowel Beijing als Kaboel. Maar de praktijk zal moeten uitwijzen hoe en wanneer het geconsolideerd wordt. Het is onwaarschijnlijk dat China op korte termijn mijnbouwprojecten in het Afghaanse achterland zal opstarten. Chinese bedrijven kunnen de cruciale mineralen immers gemakkelijker elders vandaan halen. Peking is zich zeer bewust van de risico’s die gepaard gaan met zakendoen in Afghanistan.

Tot dusver zijn de investeringen van China in de Afghaanse mijnbouwsector trouwens weinig succesvol gebleken. In 2007 tekende het staatsbedrijf ‘China Metallurgical Group Corporation’ (MCC) een overeenkomst van 2,8 miljard dollar over de huur voor 30 jaar van de kopervoorraden van Mes Aynak. Volgens sommige berichten zou de MCC 371 miljoen dollar hebben uitgegeven om het gebied te ontwikkelen, maar de werkzaamheden werden feitelijk stopgezet. Het bedrijf haalde zijn objectieven niet en er er waren talrijke beschuldigingen van corruptie.

China bezit bovendien zelf rijke voorraden zeldzame aardelementen. Volgens recente schattingen zit 37 procent van de economisch exploiteerbare wereldreserves aan zeldzame mineralen in de Chinese bodem. In Bayan Obo, in de autonome regio Binnen-Mongolië, bevat meer dan 48 miljoen ton van deze mineralen en is daarmee het grootse winningsgebied ter wereld. In Afghanistan bevat het belangrijkste gebied van zeldzame aardelementen -de provincie Helmand- ongeveer 1,3 miljoen ton. Bovendien zou het om dezelfde zeldzame aardelementen gaan als in de Chinese Bayan Obo-regio.

Naar schatting 37% van de economisch exploiteerbare wereldreserves aan zeldzame mineralen zit in de Chinese bodem.

Voor China is het Afghaans lithium misschien aantrekkelijker. In een interne memo van het Amerikaans Ministerie van Defensie werd Afghanistan ooit "het Saoedi-Arabië van het lithium“ genoemd. China zou zelf slechts 7 procent van de wereldreserves van dit metaal bezitten. En vermits China nu al de grootste producent is van elektrische voertuigen en lithium vereist is voor de productie van batterijen zouden de Afghaanse reserves daarom best aantrekkelijk kunnen zijn.

Om aan China’s vraag naar lithium te voldoen, hebben Chinese mijnbouwbedrijven reeds zwaar geïnvesteerd in de zogenaamde ‘lithiumdriehoek’ in Zuid-Amerika. De landen van deze driehoek, Argentinië, Bolivia en Chili, zijn goed voor 53% van de lithiumvoorraden in de wereld die rendabel kunnen ontgonnen worden.

Het Chinese bedrijf ‘Ganfeng Lithium’ is de belangrijkste speler bij de ontwikkeling van het Argentijnse Cochari Olaroz-lithiumproject. Wanneer de ontginning daar van start gaat, zou dit het grootste nieuwe lithiumproject in 20 jaar moeten worden. Een andere Chinese mijnbouwgigant, ‘Tianqi Lithium’, betaalde in 2018 bijna 4,1 miljard dollar om een belang van bijna 24 procent te kopen in het Chileense chemiebedrijf ‘Sociedad Química y Minera’, de grootste lithiumproducent ter wereld. Peking heeft zwaar geïnvesteerd in het binnenhalen van lithium uit Zuid-Amerika en waarschijnlijk zullen de Chinese bedrijven deze projecten eerst tot een goed einde willen brengen voor ze nog niet geteste voorraden in Afghanistan gaan exploreren.

Momenteel is er in Peking dus weinig enthousiasme om onmiddellijk in te stappen in de Afghaanse markt, en zijn er genoeg redenen om dat niet te doen. De situatie ter plaatse kan natuurlijk veranderen. Als de Taliban erin slagen de bedreigingen voor de veiligheid uit de weg te ruimen en een schijn van economische stabiliteit tot stand te brengen, kunnen zij Peking er wellicht toe overhalen het chequeboekje te openen. Maar de vooruitzichten voor een dergelijk scenario zijn niet gunstig.

De problemen waarmee de Taliban worden geconfronteerd stapelen zich in sneltempo op. Bijna 75 procent van de overheidsuitgaven van Afghanistan was afkomstig van buitenlandse hulp. Die hulp is opgeschort en de buitenlandse reserves zijn geblokkeerd. De schatkist is leeg en veel van de geschoolde arbeidskrachten van het land zijn gevlucht. Er dreigt een economische catastrofe voor een bevolking waarvan de helft al in armoede leefde. 

Bijna 75% van de overheidsuitgaven van Afghanistan voor de overname van de Taliban was afkomstig van buitenlandse hulp.

De economische ramp kan iets verlicht worden als de sancties worden herroepen en de hulp wordt hervat. Daarvoor zullen de Taliban en de donorregeringen echter moeten gaan onderhandelen. Het water tussen de partijen is (voorlopig?) te diep maar beide zullen zich op een bepaald ogenblik de vraag moeten stellen: wat zijn de kosten van het voorkomen van een totale ondergang van Afghanistan en is het dat waard?

China stuurde ondertussen wel wat materiële hulp, voornamelijk warme kleding en dekens, naar Kaboel. In september beloofde Peking 31 miljoen dollar aan humanitaire hulp. “De eerste partij hulp brengt de diepe liefde en vriendschap van het Chinese volk en weerspiegelt de rol van China als een groot land dat zijn beloften nakomt en vriendelijk is voor zijn buren,” vertelde Luo Zhaohui, het hoofd van het ‘China International Development Cooperation Agency’. “Buurlanden moeten elkaar een handje helpen in tijden van moeilijkheden”, zei de Chinese minister van Buitenlandse Zaken Wang Yi van zijn kant. Propaganda uiteraard. Maar Wang Yi voegde er ook aan toe: “Wanneer veiligheid en andere voorwaarden voorhanden zijn, is China bereid om Afghanistan te helpen bij het bouwen van projecten die zullen bijdragen aan het verbeteren van de levens van de mensen en van de vrede. Wij zullen dan de wederopbouw en economische ontwikkeling van Afghanistan ondersteunen.”

Mochten de omstandigheden gunstig evolueren zullen Chinese bedrijven uiteindelijk toch gaan investeren in Afghanistan. Die investeringen zullen eerst moeten gebeuren in de broodnodige basisinfrastructuur, zoals wegen, bruggen en spoorwegen, die door Chinese bedrijven worden aangeprezen als essentiële kenmerken van het “One Belt and One Road”-initiatief. De bodemschatten van Afghanistan zullen nog vele jaren gewoon bodemschatten blijven.


Iets fout of onduidelijk gezien op deze pagina? Laat het ons weten!

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze digitale nieuwsbrief.