Wat is de inzet van het drama in Ivoorkust?
Artikel
14 minuten

Van 28 november 2010 tot 11 april 2011 had Ivoorkust twee presidenten en twee regeringen. Zowel de zittende president Laurent Koudou Gbagbo als oppositiekandidaat Alassane Dramane Ouattara eisten de overwinning op van de verkiezingen van november 2010. De aanhangers van beide heren gingen daarop op de vuist. Geweld in de straten, standrechtelijke executies, aanhoudingen, illegale opsluitingen en economische, sociale en menselijke vernieling waren het gevolg van de escalatie van deze situatie. Het buitenland, Frankrijk op kop, kwam uiteindelijk de strijd tussen de twee pretendenten beslechten. Op de achtergrond van dit electoraal conflict speelt eveneens een kapitalistische belangenstrijd tussen de VS en Frankrijk.

Belangenstrijd

Ivoorkust is de belangrijkste cacaoproducent ter wereld, bezit bodemrijkdommen (olie en gas), is de  grootste economie van de West-Afrikaanse Economische en Monetaire Unie (Benin, Burkina-Fasso, Guinee-Bissau, Ivoorkust, Mali, Senegal en Togo), de tweede grootste economie binnen de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS) en is het voornaamste immigratieland van sub-Sahara Afrika. Het ligt geografisch in de Golf Van Guinee waar het de toegangspoort vormt tot het hinterland van Burkina Fasso, Mali en Niger. Het is duidelijk, Ivoorkust beschikt ontegensprekelijk over een aantal geostrategische en economische troeven.Er heerst momenteel een groeiende strijd onder de grote rivaliserende imperialistische regio's voor de verovering van markten en grondstoffen onder meer in Afrika. De Amerikaanse belangstelling voor Afrika en de manifeste wil van Washington om zich in de Golf van Guinee te vestigen, bepalen de graad van belangrijkheid die Ivoorkust door de VS-strategen toegemeten krijgt. De petroleum afkomstig uit de hele Golf Van Guinee zou de komende tijd in moeten staan voor een kwart van de VS-importen. Als uitvalsbasis voor dit gebied is Ivoorkust dus van primordiaal belang. Het is dan ook niet toevallig dat de VS in de Ivoriaanse kuststad Abidjan een 'afluistercentrum' aan het bouwen is dat de hele sub-Sahara regio moet dekken. Na Zuid-Afrika heeft Ivoorkust de grootste Amerikaanse diplomatieke vertegenwoordiging in sub-Sahara Afrika. Ook op economisch vlak heeft de VS er een sterke voet aan de grond. Volgens gegevens van 2003 van de 'Direction des Relations Economiques Extérieures' (DREE), is Frankrijk de belangrijkste investeerder in Ivoorkust met 147 filialen en meer dan 1000 ondernemingen die toebehoren aan de Franse zakenwereld. Maar in de agro-industrie, en vooral de koffie- en cacaosector, moet het al een tijdje de duimen leggen voor Amerikaanse multinationals zoals ADM (Archer Daniels Midland Company en Cargill. In de concurrentiestrijd om de Ivoriaanse agro-industrie, die al opflakkerde in 1987 tussen het dominante imperialisme van de VS en het secondair imperialisme van oud kolonisator Frankrijk, kwam Washington in 2001 definitief als overwinnaar uit de bus. Dit leidde echter ook tot een agressievere houding van het ondergeschikte imperialisme. Frankrijk probeert zijn invloedssfeer en zijn plaats op de Ivoriaanse markt immers krampachtig te verdedigen. Het doet daarvoor dikwijls beroep op de politiek.

Migratie 

De Europese Unie heeft in Ivoorkust uiteraard enkele aanwezige economische actoren zoals Frankrijk en bijvoorbeeld ook de Belgische groep SIPEF die palmolie produceert. Maar het belang van het West-Afrikaanse land voor Europa ligt voornamelijk bij het migratiedossier. Ivoorkust is namelijk een belangrijke opvangplaats voor Afrikaanse migratie. Gezien de EU-politiek van gesloten grenzen voor economische vluchtelingen heeft Europa dus alle belang bij een ‘stabiel’ en ‘open’ Ivoorkust. Decennia geleden al begon de bloeiende cacao-industrie in Ivoorkust te steunen op de arbeid van de informele migratie uit naburige landen. Deze migranten en hun afstammelingen maken nu al bijna de helft van de Ivoriaanse bevolking uit. Hun statuut in het land is de laatste twee decennia onderhevig geweest aan allerlei beleidsverschuivingen. Dit ontbloot een dieper probleem van statusangst bij de oorspronkelijke inwoners van het land. De afstammelingen van de Ivorianen die al bij het begin van het koloniaal project in het land leefden, zijn nu bijna een kleinere groep geworden dan de gastarbeiders in het land. Gbagbo beweerde in zijn verkiezingscampagne deze 'angstige groep' te representeren. Het merendeel van de migranten en hun afstammelingen, die vooral in het noordelijk deel van het land gevestigd zijn, vormen de supportersbasis van Ouattara.

Geschiedenis

Vanaf 1960, toen Ivoorkust uit de koloniale klauwen van Frankrijk was ontsnapt, tot 1993 was Félix Houphouët-Boigny de president van het West-Afrikaanse land. Sinds zijn dood kent Ivoorkust de ene politieke opvolgingscrisis na de andere. De hoofdrolspelers in deze crisis, Gbagbo, Bédié en Quattara, vormden in de afgelopen 17 jaar wisselende coalities en voerden strijd tegen elkaar in een uitputtend politiek spelletje om de macht. Henri Konan Bédié was onder het presidentschap van zijn mentor Houphouët-Boigny, de eerste ambassadeur voor Ivoorkust in de VS en bij de VN. Hij bekleedde ook 11 jaar de functie van minister van Financiën. Toen er een schandaal uitbrak omdat Bédié zijn eigen zakken gevuld had met het rijkelijk vloeiende cacaogeld, werd hij ontslagen. Een paar jaar later werd hij opnieuw opgevist door Houphouët-Boigny en aangesteld als voorzitter van het parlement (waarin toen de enige legale politieke partij, de Democratische Partij van Ivoorkust, zetelde). Vanuit deze positie kon hij beginnen dromen van het hoogste ambt. De grondwet stelde immers dat de voorzitter van het parlement de functie van interim-president kreeg toegemeten in het geval de president niet in staat was om zelf te regeren. Er waren echter kapers op de kust. Alassane Ouattara, een econoom en technocraat die aangesteld was als eerste minister in 1990 kreeg van Houphouët-Boigny persoonlijk de taak het land te leiden terwijl hijzelf wegens ziekte behandeld werd in het buitenland. De vader van de natie had de grondwet speciaal hiervoor aangepast. Houphouët-Boigny stierf uiteindelijk in 1993 en Bédié eiste als voorzitter van het parlement het interim-presidentschap op, zoals de grondwet oorspronkelijk stipuleerde. Ouattara weigerde de hoogste post initieel door te geven, maar gaf onder druk van vooral Frankrijk uiteindelijk toe. Hij zou zich dan maar in de strijd gooien voor de presidentsverkiezingen van 1995. Hij sloot daarvoor een alliantie met Gbagbo, de socialistische oppositieleider die het in 1990 als enige had aangedurfd om in de verkiezingen op te komen tegen Houphouët-Boigny (en toen 18% van de stemmen wegkaapte). De alliantie was opmerkelijk want toen Ouattara nog eerste minister met volmacht was, stuurde hij de subversieve Gbagbo verplicht naar het leger als heropvoedingsmaatregel (1992). 

Ivoireté

Bédié ging in het offensief tegen de politieke oppositie van Ouattara en Gbagbo door op de 'ivoireté' (de echte Ivoriaanse nationaliteit) te spelen. In december 1994 liet hij een wet goedkeuren door het parlement die bepaalde dat enkel 'oorspronkelijke' Ivorianen zich kandidaat mochten stellen of stemmen. Hierdoor sloot hij Ouattara, die zogezegd van Burkina Faso afkomstig is, uit van de verkiezingsstrijd. Het was echter een zeer ingrijpende strategie. Een deel van de lokale elite zag zich plots immers ook afgesloten van de macht. De verkiezingsdemocratie verloor daardoor meteen haar capaciteit om de spanningen tussen de dominante klassen in het land onderling te reguleren via de verdeling van de politieke macht. De tweespalt tussen oorspronkelijke en niet oorspronkelijke Ivorianen die geïntroduceerd werd door Bédié, resulteerde in een potentieel gevaarlijke sociale verdeeldheid in het land. Iets waar Houphouët-Boigny altijd tegen had gevochten door een relatieve etnische balans te zoeken in de verdeling van de regerinsgposten. In het begin van de jaren 1990 was 25% van de bevolking die in Ivoorkust leefde van buitenlandse afkomst. Het zogenaamde 'Ivoriaans mirakel' (de enorme economische groei van het land in de jaren 1960 en 1970) draaide mede op het werk van al deze immigranten. Onder Houphouët-Boigny konden deze gastarbeiders politiek participeren door te stemmen. Bédié schafte dit voor de verkiezingen van 1995 plotseling af. Ouattara was technisch uitgeschakeld en Gbagbo besloot de verkiezingen te boycotten, waardoor Bédié uiteindelijk met 96,4% van de stemmen ging lopen. Maar in 1999 was het rijk van Bédié uit. Hij werd afgezet in een militaire coups onder leiding van generaal Robert Guéï. De onverschilligheid van Parijs voor die staatsgreep was opmerkelijk. Er was nochtans een geheime clausule opgenomen in het Defensie-akkoord tussen Frankrijk en Ivoorkust (uit 1962), die stelde dat het Ivoriaans regime geholpen zou worden in geval van subversie. Dat de lokale elites tegen elkaar opgezet waren door Bédié's concept van ivoireté was echter slecht voor de zaken, dus ook voor de enorme Franse economische belangen in het land. Parijs was niet bepaald rouwig om Bédié’s vertrek. Hoewel het er even uitzag van niet, zette Generaal Guéi de ingezette politiek van ivoireté gewoon verder en bood dus evenmin een perspectief op de verzoening tussen de heersende klassen die de nodige stabiliteit zou bieden om de (buitenlandse) economische belangen veilig te stellen. Hij bedde de ivoireté zelfs in de grondwet in. Het zal in ieder geval lang duren voor het vergif van de ivoireté uit de maatschappij zal verdwijnen, want de politieke verdeeldheid in het land loopt ondertussen parallel met de etnische grenzen. De jarenlange uitsluiting van het noorden leidde van 2002 tot 2006 al tot een gewapende rebellie.

Déja vu

Voor de presidentsverkiezingen van 22 oktober 2000 werd Bédié aan de kant geschoven en werd de kandidatuur van Alassane Ouattara geweigerd op basis van zijn 'twijfelachtige nationaliteit'. De enige 'echte' Ivoriaan die overbleef om het op te nemen tegen generaal Guéi was Laurent Gbagbo. Toen Guéï zich de ochtend na de verkiezingen realiseerde dat hij verloren had beval hij dat het tellen van de stemmen gestaakt zou worden en proclameerde hij zichzelf tot winnaar. Gbagbo riep zijn aanhangers op om op straat te komen, bestormde de Ivoriaanse Radio en Televisie (RTI) en verklaarde in de media dat hij vanaf nu het nieuwe staatshoofd van Ivoorkust was. Op 26 oktober 2000 werd Gbagbo uiteindelijk als winnaar van de verkiezingen erkend door de electorale commissie en het Hooggerechtshof, nadat betogers, gendarmes en militairen het presidentieel paleis hadden bestormd en Guéi hadden verjaagd. Frankrijk was één van de eerste landen die de overwinning van Gbagbo erkende. Binnen een paar weken werd de economische samenwerking, die opgeschort was na de staatsgreep van Guéi in december 1999, opnieuw hervat. De machtsovername door Gbagbo ging gepaard met vervolgingen en moordende repressie tegen betogers (Guéï-getrouwen of de aanhangers van Ouattara die nieuwe verkiezingen eisten). Er vielen zeker 300 doden en er werd zelfs een massagraf gevonden met 57 slachtoffers. Toch werd dankzij het relatief snelle vertrek van Guéi in 2000 een ernstige escalatie, zoals we die nu gezien hebben, vermeden. Oktober 2000 lijkt dus een soort algemene repetitie te zijn geweest voor de gebeurtenissen die zich eind 2010 zouden ontvouwen. Alleen heeft Laurent Gbagbo vandaag de rol overgenomen van Guéi in 2000. Gbagbo verklaarde zichzelf de winnaar van de verkiezingen van oktober 2010, nog voor de stemmen allemaal geteld waren. Zijn uitdager, Ouattara, spoorde zijn aanhangers aan om de straat op te komen en verscheen zelf op de Ivoriaanse Radio en Televisie (RTI) en in de buitenlandse media om te verklaren dat hij, en niet Gbagbo, de nieuwe president van Ivoorkust was. Het buitenland koos al gauw zijn kant. Gbagbo had er nochtans op gerekend dat de 'internationale gemeenschap' – na enkele ronkende verklaringen en principiële veroordelingen – bepaalde belangen zou laten primeren in hun keuze. Hij dacht dat uiteindelijk diegene erkend zou worden die de werkelijke macht in handen had: Laurent Gbagbo. Volgens de officiële verkiezingsresultaten kreeg Ouattara uiteindelijk 54% van de stemmen achter zijn naam en Gbagbo 46%. Belangrijker dan de meerderheid van de stemmen is voor het buitenland echter stabiliteit en een president die hun belangen niet in de weg staat. Dit was een probleem geworden met Gbagbo, die zich verbaal alsmaar meer profileerde als een voorstander van de echte onafhankelijkheid. 

Vals patriottisme

In de aanloop naar de presidentsverkiezingen van 2010 werd een beleid gecreëerd door bepaalde politieke figuren, partijen en de omringende elites dat erop gericht was de tegenstand uit te schakelen en het regime van Gbagbo aan de macht te houden. Met dit doel voor ogen werd de vlag van het Ivoriaans nationalisme boven gehaald. Een soort vals patriottisme dat volop inspeelde op de door de ivoireté gecreëerde sociaal-politieke kloven. De verschillende opvolgingscrisissen, de burgeroorlog van 2002 tot 2006 en de gewapende vrede die erop volgde, hadden de Ivorianen terug doen verlangen naar vrede en voedselveiliheid. Het was met deze wetenschap in het achterhoofd dat, niet alleen Gbagbo maar ook de andere presidentskandidaten, de link met Houphouët-Boigny tijdens hun campagne in de verf probeerden te zetten. De sociale en economische achteruitgang van Ivoorkust was eigenlijk al volop in gang gezet voor de dood van de vader van de natie, maar in het collectief geheugen van het volk staat het 33-jarig bestuur van Houphouët-Boigny gelijk aan welvaart en vrede. Een andere reden waarom Gbagbo plotseling zijn banden met Houphouët-Boigny wilde benadrukken was de alliantie die in 2005 tot stand kwam tussen de van de macht verdreven Bédié en Ouatarra. De voor 2005 geplande presidentsverkiezingen werden door Gbagbo alsmaar uitgesteld en de alliantie verzuurde ondertussen. Toen er in 2010 uiteindelijk toch verkiezingen kwamen werd Bédié uitgeschakeld in de eerste ronde. Het duurde een hele tijd maar Bédié sprak vlak voor de stembusgang toch zijn steun uit voor Ouattara. Met de stemmen van Bédié's achterban erbij geteld, vertegenwoordigde Ouattara een meerderheid van de bevolking. Om die meerderheid te doorbreken moest Gbagbo de Baoulé, een belangrijke etnische groep in Ivoorkust, achter zich trachten te scharen. Houphouët-Boigny was net als Bédié een Baloué. Het is totaal ironisch dat Gbagbo, die Houphouët-Boigny’s beleid en autoritaire methoden jarenlang vurig bestreed, zich in 2010 expliciet presenteerde als zijn enige echte erfgenaam.   

Vals anti-imperialisme

Voor hij in 2000 aan de macht kwam had Laurent Gbagbo zijn basis vooral uitgebouwd onder de verarmde stedelijke lagere klassen. Hij stond mee aan de basis van de creatie van de Studenten Federatie van Ivoorkust (Fesci), een vakbond die een beslissende rol zou spelen in het verdere verloop van zijn politieke carrière. In 1982 richtte hij in het geheim het Ivoriaans Populair Front (IPF) op. Toen in het begin van de jaren 1990 de overgang gemaakt werd van een eenpartijstelsel naar een systeem met meerdere partijen, presenteerde hij zichzelf als hét gezicht van de oppositie. Maar tijdens zijn termijn als president vertegenwoordigde Gbagbo, al evenmin als Bédié en Guéi in het verleden, de belangen van het getergde Ivoriaanse volk. Hij bleek vooral een pragmatisch politicus te zijn. In zijn recente verkiezingscampagne speelde Gbagbo volop in op de aspiraties van de Afrikaanse volkeren naar vrijheid en onafhankelijkheid. Vooral de blijvende sterke band met Frankrijk staat in Ivoorkust symbool voor de voortdurende buitenlandse betutteling. Gbagbo beloofde hier een eind aan te stellen. Het was nochtans hij die in 2002 de Fransen herinnerde aan het Defensie-akkoord toen hij hen vroeg om de rebellen waarmee hij geconfronteerd werd, te helpen verdrijven. En in 2003 gaf hij nog een concessie voor het beheer van de autonome haven van Abidjan aan een fransman. Dit is het kader waarin zijn valse antikoloniale propaganda gezien moet worden, net zoals de pseudo-nationaliseringen die hij afkondigde na 28 november 2010. Hij dreigde er toen mee de cacaoplantages te nationaliseren. Hoewel het volgens waarnemers een duidelijke poging was om de sympathie van de Ivorianen op te wekken waar geen praktisch vervolg aan gegeven zou worden, namen de buitenlandse actoren in Ivoorkust toch liever geen risico's. De dreiging van nationaliseringen verklaart veel meer dan de zogenaamde bezorgdheid om de democratische afloop van de verkiezingen, de buitenlandse vastberadenheid om Gbagbo af te schrijven. Maar Laurent Gbagbo is geen anti-imperialist, hij is geen anti-kolonialist en hij is geen patriot in de betekenis van een verdediger van de nationale belangen. Het volstaat hiervoor naar zijn politieke carrière en zijn economische prestaties te kijken. De hele huidige crisis draagt alvast de volgende waarheid in zich: de rijkdommen van de regio zijn altijd belangrijker geweest dat de mensen die er leven. Dit kan misschien helpen verklaren waarom de Westerse machten er zo op gebrand waren om voor één keer de implementatie van een Afrikaans verkiezingsresultaat ten volle af te dwingen, desnoods via de inzet van militaire macht. Dit ondanks het feit dat de Ivorianen ongeveer even veel gestemd hadden op de ene presidentskandidaat als op de andere.

Economische geschiedenis

Ondanks het zogenaamde Ivoriaanse mirakel geraakte Ivoorkust uiteindelijk in dezelfde negatieve schuldenspiraal verzeild als zo veel andere ontwikkelingslanden tijdens de jaren 1970 en 1980. De surplus van de enorme groei van de economie in Ivoorkust was dankzij het beleid van Houphouët-Boigny vooral in de zakken van de buitenlandse investeerders en bedrijven terecht gekomen. In 1978 zorgde een plotse daling in de cacao- en koffieprijzen voor een scherpe economische terugslag. Volgens de Wereldbank steeg het percentage van de bevolking dat onder de armoedegrens leefde tussen 1985 en 1993 van 11 tot 31%. Tegen 1987 was de buitenlandse schuld van Ivoorkust gestegen tot 10 miljard dollar. Al vanaf 1981 beweerden de dominante kapitalistische machten, specifiek bij monde van VS president Reagan, dat zij beter wisten hoe landen in het Zuiden problemen zoals de schuldencrisis moesten aanpakken dan die landen zelf. De betweterige houding van de kapitalistische machten werd vertaald in een specifiek beleid: het opdringen van de zogenaamde Structurele Aanpassingsprogramma's (SAP). Als de ontwikkelingslanden de voorwaarden van deze SAP's vervulden -allerlei marktgeoriënteerde maatregelen- kregen ze in ruil extra leningen van het IMF en de Wereldbank. Dit was ook het geval in Ivoorkust. Houphouët-Boigny zou in de jaren 1980 beginnen met het toepassen van de IMF-recepten en zijn premier vanaf 1990, Ouattara, zou ze nog verder uitdiepen. Voor hij de functie van eerste minister in Ivoorkust opnam, had Ouatarra een economie opleiding genoten in de Verenigde Staten, waar hij het tot onderdirecteur van het IMF geschopt had. Toen hij aantrad stonden de cacao-prijzen enorm laag en de nationale schuld was exponentieel gestegen. Ouatarra bestreed deze problemen met de neoliberale middelen die hij aangeleerd had: privatiseringen, terugdringen van de publieke uitgaven en belastingshervormingen. De keuze van ‘de internationale gemeenschap’ voor Outarra boven Gbagbo is in het kader van deze achtergrondinformatie niet verwonderlijk. In de periode dat   Gbagbo aan het hoofd van Ivoorkust stond, werden nochtans nooit fundamentele economische beleidwijzigingen doorgevoerd. Sinds 1999 daalde het inkomen per hoofd van de bevolking met 15%.   

Ondertussen...

De meesten Ivorianen willen simpelweg een duurzame vrede en de mogelijkheid om in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Als de diepere oorzaken van de onrust en de instabiliteit niet aangepakt zullen worden, maakt Ouattara echter niet veel kans om dit te verwezenlijken. Hij zal zeker te maken krijgen met de gevolgen van het jarenlange gevoerde ivoireté-beleid. Verder hangt alles af van de graad van onafhankelijkheid die hij kan herwinnen en van de mate waarin hij de dominantie van de heersende klassen en van de imperiale machten kan fnuiken. Op dit ogenblik biedt Ouattara geen oplossingen voor al deze fundamentele kwesties, maar dat deed ook Gbagbo niet.

Dit artikel werd gepubliceerd in Vrede: tijdschrift voor internationale politiek  mei-juni 2011. 

Thema
Land

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze digitale nieuwsbrief.