Artikel
Edward Carver
Printvriendelijke versie
De mensheid verdrinkt in plastic
Plastic vervuiling, foto: Muntaka Chasant

De mensheid verdrinkt in plastic

Coca-Cola produceert 100 miljard plastic flesjes per jaar. Recycleren stopt de opstapeling van afval niet af. Er is dringend overheidsactie nodig om de plasticindustrie aan banden te leggen.

Het vermijden van plastic is momenteel populair bij de milieubewuste middenklasse. Op 21 april publiceerde de Britse krant 'The Guardian' een lang artikel waarin winkels zonder verpakkingen geprezen werden als dé manier om een “catastrofe te vermijden”. Lifestylemagazines pleiten voor tandenborstels van bamboe en het aankopen van granen in grote hoeveelheden. Vorig jaar werden er zeker een half dozijn boeken gepubliceerd over leven zonder plastic en er doken over heel Europa en Noord-Amerika plastic-vrije gemeenschappen op. Veel middenklasse-shoppers zijn zo bang om met plastic zakken gezien te worden dat de stoffen draagtassen zich thuis enorm beginnen op te stapelen – eentje voor elke keer dat ze met lege handen opdaagden in de supermarkt.

Deze trend manifesteert zich vooral sterk in het Verenigd Koninkrijk (VK). Veel Britten hebben naar David Attenborough’s 'Blue Planet II' gekeken, een BBC-docuserie uit 2017 waarin de tragische gevolgen van plasticafval op het dierenrijk getoond worden. Dit leidde tot heel wat schuldgevoelens en een groenere kijk op de wereld. Maar te midden van de hetze over plastic koffiekopjes en de nood aan recycleren, horen we nooit iets over de plasticindustrie. Sinds plastic drinkflessen voor het eerst verschenen in de jaren 1970 is de mondiale productie van plastic vertwintigvoudigd! En er wordt verwacht dat ze tegen 2050 opnieuw verviervoudigt. Toch wordt het probleem voortdurend voorgesteld als een kwestie van het individuele geweten van de consument. Dit komt de plasticindustrie perfect uit. Toen de Britse (inmiddels ex-)premier Theresa May een belasting op plasticverpakking voorstelde -de eerste in de wereld- stelde de Britse Plastic Federatie “zeer verontrust te zijn” over haar toon en wees erop dat “afval produceren” een kwestie van “persoonlijk gedrag” is.

In werkelijkheid maakt de enorme uitbreiding van de productie van plastic een aanfluiting van alle pogingen om de effecten ervan te verminderen door middel van milieubewust consumeren. In plaats van 'de kraan' van goedkoop plastic dicht te draaien, bouwt de industrie nog meer faciliteiten die de massale productie van kunststoffen garanderen voor de komende decennia. Dat is wat dringend gereguleerd moet worden.

De plastic-frontlijn

Jim Ratcliffe is met een nettowaarde van ongeveer 24 miljard dollar de rijkste man van het VK. Hij is hier zo trots op dat hij vorig jaar, voorafgaand aan de publicatie door de 'Sunday Times' van zijn jaarlijkse 'rich list', contact opnam met een redacteur om hem erop te wijzen dat zijn rijkdom in vorige edities onderschat was. Vorig jaar werd Ratcliffe geridderd door de Britse koningin wegens “zijn verdiensten in het bedrijfsleven”. Maar is zijn rijkdom wel al die eer waard? Zijn multinationaal petrochemisch bedrijf, Ineos, produceert meer plastic dan eender welk ander bedrijf in Europa en investeert in een verdere uitbreiding van de capaciteit. Ineos kondigde onlangs aan dat het zijn recent geüpgraded plastic-faciliteiten in Noorwegen en Schotland gaat uitbreiden en dat het meer dan 3 miljard euro wil investeren in een nieuwe fabriek in de haven van Antwerpen. In deze fabrieken (vaak 'crackers' genoemd) worden ethaanmoleculen in 2 gebroken en getransformeerd in ethyleen, de basisstof voor de meeste plastics.

Het ethaan dat tot voor kort gebruikt werd door Ineos was een bijproduct van de ruwe oliewinning in de Noordzee, maar het bedrijf gebruikt nu ethaan van de fracking-industrie in de Verenigde Staten (fracking is het vrijmaken van schaliegas en/of -olie uit de diepe ondergrond door het brongesteente te scheuren via explosies). Profiterend van de fracking-bonanza daar, gaf Ineos de opdracht 8 schepen te bouwen -voor een totale prijs van 2 miljard dollar- om meer ethaan over de Atlantische oceaan te kunnen vervoeren. Fracking heeft geleid tot een overvloed aan goedkope grondstoffen en tot een “verbazingwekkende stijging van het concurrentievermogen” in de productie van chemicaliën en plastic, aldus de voorzitter van de Amerikaanse Chemieraad. Zo kon Ineos' Schotse productiefaciliteit haar plastic-output verdubbelen, nog voor de geplande upgrades. Fracking komt niet zoveel voor in het VK maar Ineos lobbyt actief om de Britse fracking-wetgeving te versoepelen. Ondanks hun zelfverklaarde milieu-ambities, hebben de EU-landen Ineos financiële steun en leninggaranties aangeboden. Terwijl ethische consumenten tips uitwisselen over herbruikbare verpakkingen, neemt de plastic-productie onverminderd toe.

Ethyleen is nu zodanig goedkoop om te produceren dat het geen moeite kost voor Coca-Cola om 100 miljard plastic flesjes per jaar te maken. Sinds er schaliegas in overvloed is, heeft de Amerikaanse chemie- en kunststoffenindustrie meer dan 200 miljard geïnvesteerd in nieuwe infrastructuur, vooral voor crackers en gerelateerde faciliteiten langs de Golfkust. Chemicaliën en kunststoffen zijn al bijzonder winstgevend voor bedrijven als ExxonMobil en ze zullen nog belangrijker worden. Nieuwe faciliteiten moeten het mogelijk maken om de productie van ethyleen en propyleen (een andere veel gebruikte basisstof bij het maken van plastic) tegen 2025 met meer dan een derde te doen stijgen. Momenteel wordt ongeveer 8% van 's werelds olie gebruikt voor plastics, maar met de stijgende productie wordt verwacht dat dit percentage zal groeien tot 20% tegen 2050.

Mensen maken zich veel meer zorgen over waar plastic uiteindelijk terechtkomt dan over de manier waarop ze geproduceerd worden. We zitten niet onterecht in met de plastic soep in de oceaan of met de stranden die bezaaid liggen met verpakkingsafval, maar de nadelen van plastics beginnen lang voor ze worden weggegooid. “We proberen echt een meer holistisch beeld te schetsen van de impact van plastics, te beginnen bij de boorput”, zegt Priscilla Villa van de campagneorganisatie 'Earthworks' in Texas. “Als we spreken over fracking en schaliegas, dan spreken we over plastic”. Sommige gemeenschappen waarmee Villa samenwerkt bevinden zich slechts op een paar 100 meter van petrochemische fabrieken of worden omringd door de industrie. Ze zijn bevoorrechte getuigen van de gezondheidseffecten ervan. Voor de achtergestelden begint het gevaar al met zaken als industriële opslagtanks nabij hun huizen. Eind maart en begin april woedden er 2 petrochemische branden in de omgeving van de stad Houston. Ze veroorzaakten één sterfgeval en enorme vervuiling. Tijdens dergelijke incidenten ontvangen de nabijgelegen gemeenschappen schuilinstructies die voor de meeste Amerikanen apocalyptisch zouden lijken. Alle ramen en deuren moeten afgedekt worden met plasticfolie, de airconditioning moet worden uitgeschakeld en iedereen moet zich naar het midden van het huis begeven, waar gewacht moet worden op een 'all-clear'.

Veel milieuorganisaties maken zich zeer terecht ernstige zorgen over de gemeenschappen in het mondiale Zuiden die overspoeld worden met geïmporteerd westers afval. Volledige dorpen in zuidoost Azië stinken naar brandend plastic, en meer dan de helft van het afval in Zuid-Azië, Afrika en het Midden-Oosten wordt gewoon gedumpt op open afvalbergen. Het andere front van de oorlog tegen plastic wordt echter vergeten door de meeste milieuorganisaties. Meadhbh Bolger, campagnevoerder bij 'Friends of the Earth' Europa, vertelde me over een lezing die ze onlangs gaf in Leuven, een klein uurtje rijden van de plaats waar Ineos zijn nieuwe cracker wil bouwen. Niemand was er op de hoogte van die plannen en haar publiek bestond nochtans uit studenten die het vak Duurzame Ontwikkeling volgden. Je kan je niet ontdoen van de gedachte dat de studenten een pak verontwaardigder gereageerd zouden hebben als Bolger gesproken had over in plastic verpakte avocado's.

Plastic-overvloed

Wanneer de petrochemische industrie überhaupt al gewag maakt van het plastic-probleem, dan wordt het gekaderd als een afvalbeheerskwestie. Nooit wordt erkend dat we in de eerste plaats moeten stoppen met zoveel plastic te maken. Het grootste deel ervan eindigt als afval waar we voor altijd mee te maken zullen hebben - misschien als onzichtbare microdeeltjes in onze voedselketen, of als het verbrand wordt, in onze lucht.

De industrie geeft de consumenten al decennialang de schuld voor vervuiling en heeft recycleren gebombardeerd tot dé enige en finale oplossing. De mondiale recyclage-graad van plastic is echter minder dan 20%, en zelfs als die de 50% zou bereiken tegen 2050 -wat beschouwd wordt als het best mogelijke scenario- zou de plasticvervuiling gezien de toenemende productie nog altijd verdubbelen tegen die tijd. De oceanen bevatten tegen dan mogelijk meer plastic dan vissen. Het recycleren zelf vereist energie en plastic degradeert in kwaliteit wanneer het gesmolten wordt. Zo kunnen de polymeren in een frisdrankflesje maar 5 tot 10 keer hergebruikt worden in een andere fles.

Naast het beschuldigen van de westerse consumenten, wijst de industrie ook met de vinger naar Azië, waar het meeste plastic in de oceaan terechtkomt. De Trump-regering is een grote promotor van dit discours. Landen als China hebben ongetwijfeld nood aan meer recyclage- en afvalinfrastructuur, maar een van de redenen waarom de infrastructuur zo tekortschiet is dat ze overspoeld wordt door westers vuilnis, vooral laagwaardig plastic zoals bessen- en yoghurtpotjes. Begin vorig jaar kwam China tot bezinning en vaardigde het een verbod uit op de import van gebruikt plastic. Andere zuidoost-Aziatische landen zoals Thailand en Maleisië werden daarop overladen met plasticafval en voerden al snel een gelijkaardig importverbod in. Het verbod wordt echter niet altijd afgedwongen door deze landen.

“Het is duidelijk dat we onze vuiligheid overzees dumpen”, stelt Sam Chetan-Welsh van 'Greenpeace UK'. “We maken prullige verpakkingen en die gaan dan naar andere landen om er gedumpt of verbrand te worden of er de afvoersystemen te verstoppen. We smijten ze in de vuilbak van het mondiale Zuiden en hopen dat zij de boel wel zullen opkuisen.”

In het Verenigd Koninkrijk zijn het de lokale gemeentes die verantwoordelijk zijn voor de opkuis van het plasticafval. De plastic-producenten zijn momenteel verplicht om slechts 10% van de kosten van de afvalverwerking te dekken. Zowel de gemeentes als de fabrieken betalen doorgaans exportbedrijven om het probleem uit hun handen te nemen. Dit betekent dat twee derde van het plastic uit de Britse recyclage-bakken in het buitenland terechtkomt. Het plastic wordt doorgaans als 'gerecycleerd' beschouwd van zodra het zich op een schip richting buitenland bevindt. De overheid geeft het exportbedrijf kredieten – maakt niet uit of het plastic later in de oceaan gedumpt wordt. Het Milieuagentschap van de overheid inspecteert geen overzeese recyclage-sites, noch controleert het of het plasticafval ooit is aangekomen op de beoogde bestemming. Bovendien zijn de exportbedrijven niet eerlijk over hoeveel plastic ze verschepen. TheGuardian ontdekte onlangs dat Britse bedrijven, belust op overheidskredieten, beweerden dat ze 10.000den tonnen meer plasticafval geëxporteerd hadden dan de hoeveelheid die bij de douane geregistreerd stond. “Het systeem is vergeven van de corruptie,” zegt Labour-parlementslid Mary Creagh, tevens hoofd van het Milieu-audit Selectiecomité. “Iedereen kan een erkende 'afvalbeheerder' worden. Elke cowboy ter wereld is een afvalbeheerder”. Het meeste plastic dat niet geëxporteerd wordt, gaat naar binnenlandse stortplaatsen of verbrandingsovens. Afvalbedrijven verwijzen graag naar verbrandingsovens als 'energierecuperatiefabrieken', omdat veel van hen ontwikkeld zijn om afval te transformeren in warmte of elektriciteit. Maar zulke fabrieken zijn eigenlijk gewoon 'kampvuren in een doos'. Ze zijn een enorm inefficiënte energiebron en brengen grote hoeveelheden as voort. Door plastic te verbranden, creëren ze ook een aanzienlijke CO2-uitstoot. De meeste milieu-experten zijn het er over eens dat het beter is om plastic gewoon op een vuilnisbelt te laten liggen – hoe onaantrekkelijk dat ook klinkt.

Ondanks de vervuilende uitstoot, beschouwen overheden de verbranding van plastic vaak als een vorm van recycleren. De belangrijkste wetenschappelijke adviseur van het Britse milieuministerie heeft zijn weerstand tegen verbranding duidelijk uitgesproken, maar in de data van het ministerie wordt nog steeds gewag gemaakt van 'recuperatie' (lees: verbranding) en 'recyclagepercentages'. Dergelijke statistieken helpen de verbrandingsinfrastructuur die de regering de afgelopen jaren ondersteund heeft, justifiëren. De hoeveelheid plastic die in het VK weggevoerd werd voor recuperatie (in het Engels 'recovery') is meer dan verzesvoudigd tussen 2006 en 2016. In totaal komt meer dan 40% van al het plastic in Europa in verbrandingsovens terecht.

Velen van ons leerden als kind al dat we geen plastic mochten verbranden omdat er dan giftige dampen kunnen vrijkomen. Toch slagen de afvalbedrijven erin om dit idee aan beleidsmakers en gemeenteraadsleden te verkopen. Het hoeft niet te verbazen dat deze verbrandingsovens, die hoge graden fijnstof produceren, in lage inkomens-gebieden gebouwd worden. “Afvalverbranding gaat hand in hand met systemisch racisme en systemische ongelijkheid”, zegt Carroll Muffett, voorzitter van het 'Center for International Environmental Law'. De overgrote meerderheid van de fabrieken ligt in gebieden waar arme, gekleurde mensen wonen.

'LondonEnergy' is het bedrijf dat mijn afval verbrandt, samen met dat van verschillende welgestelde stadsdelen in Noord-Londen. Onze zwarte afvalzakken worden vervoerd naar het EcoPark (!) van het bedrijf in Edmonton, een van de meest achtergestelde buurten van de stad, waar het afval verbrand wordt en omgezet in energie. Als bezoeker, gekleed in een beschermend pak, kan je neerkijken op de bergen afval van het EcoPark en je heel klein voelen door de uitgestrektheid van het verzamelde materiaal. De schoorsteen is 7 dagen op 7 en 24 uur op 24 uur actief. De faciliteit zal binnenkort verbouwd en uitgebreid worden, waardoor ze de lucht nog decennia langer zal kunnen vervuilen. (Er is een lokale campagne opgestart tegen de verbouwing.)

Net zoals de petrochemische bedrijven, ontvangen afvalverwerkingsbedrijven als Viridor en Veolia voor hun verbrandingsactiviteiten heel wat overheidssteun. LondonEnergy’s nieuwe faciliteit in Edmonton zal gefinancierd worden met openbare leningen. De prijs van het project, zonder rekening te houden met de operationele kosten, wordt geschat op 850 miljoen dollar. Dit soort van faciliteiten ontvangt nog een andere vorm van impliciete overheidssteun: ze zijn vrijgesteld van het EU-systeem van handel in broeikasgasemissierechten. Dat wil zeggen dat afvalbedrijven niet moeten betalen voor koolstofemissierechten.

Plastic-belasting?

Belangrijke bedrijven in de plasticindustrie, waaronder ExxonMobil, Shell, DowDuPont, Veolia en Proctor & Gamble hebben een NGO opgericht genaamd 'Alliance to End Plastic Waste'. De missieverklaring van de organisatie beweert dat plastics “een belangrijke plaats innemen in onze wereld – maar niet in ons milieu”. Nooit is de scheiding van mensheid en natuur zo compleet geweest. Het is moeilijk te bevatten hoe ze hun objectief willen bereiken terwijl ze honderden miljarden investeren in nieuwe infrastructuur om plastic te produceren en terwijl handelsgroepen, gevormd door gelijkaardige bedrijven, lobbyen tegen heffingen op plastic zakken en tegen plastic-belastingen. De industrie heeft bovendien een ander soort lobbyverleden. Mobil Chemical, onderdeel van het huidige ExxonMobil, drong in de late jaren 1970 en de jaren 1980 net plastic zakken op aan de supermarkten.

Als de belasting op plastic verpakkingen die voorgesteld werd in het VK het verzet van de industrie weerstaat, zou ze van toepassing zijn op producten die niet gemaakt zijn van tenminste 30% gerecycleerd plastic. Voorlopig zou de invoering van de taks gepland staan op 2022. Het VK overweegt ook wetgeving in te voeren die de producenten van plastic “uitgebreide verantwoordelijkheid” toekent, waardoor deze bedrijven de kosten van de afvalverwerking zouden moeten dragen. Idealiter zou de voorgestelde nieuwe regulering de industrie ook verplichten om producten te ontwikkelen op een manier die afval reduceert. Als voor frisdrankflesjes bijvoorbeeld geen kleurstoffen en alleen gemakkelijk te verwijderen labels gebruikt zouden worden, dan zouden ze veel waardevoller zijn voor recyclagefabrieken. Het is bemoedigend dat er over de partijgrenzen heen steun is voor een aantal van deze maatregelen (dat is ongebruikelijk voor milieuwetgeving). Bovendien lijkt het doel van de voorgestelde plastic-belasting niet het genereren van inkomsten te zijn, maar het veranderen van het gedrag van de industrie en het beïnvloeden van de productiebeslissingen. Maar zelfs al is dat waar, de voorgestelde wetgeving blijft zeer gelimiteerde ambities hebben: meer recycleren wordt als het uiteindelijke beleidsdoel beschouwd.

Wanneer de mondiale gas- en olieprijzen laag zijn, zoals het geval is sinds 2014, hebben de producenten van plastic geen enkele reden om gerecycleerd materiaal te gebruiken. Het is goedkoper om nieuwe plastics te produceren. Overheden moeten ingrijpen om deze cijfermatige realiteit te veranderen. Kunststoffen zijn per slot van rekening niet per se goedkoop. Het is alleen dat de kosten voor gezondheid en milieu niet worden meegerekend. De Europese Unie verbood onlangs enkele plastic voorwerpen voor eenmalig gebruik, inclusief rietjes, maar heeft nog geen ernstige stappen gezet naar een belasting op kunststoffen.

Als een belasting op plastic rechtvaardig wil zijn en brede steun bij het publiek wil vergaren, moet ze zo ontwikkeld worden dat haar economische impact op mensen met lage inkomens miniem is. Een taks zou progressiever zijn als ze zo vroeg mogelijk in de toeleveringsketen wordt toegepast, omdat de industrie dan eerder genoodzaakt zal zijn een deel van de meerkost op zich te nemen in plaats van ze volledig te kunnen afschuiven op de consument. Een dergelijke productiebelasting heeft echter ook zijn beperkingen. Bedrijven als Ineos zouden de extra kosten gewoon kunnen absorberen en à volonté maagdelijk plastic blijven produceren. Een belasting gericht op de dagelijkse consument, die duidelijk zichtbaar en voelbaar is, zou waarschijnlijk meer doen om individueel gedrag te veranderen en het publiek debat aan te wakkeren, maar zou niet eerlijk zijn ten opzichte van mensen met lagere inkomens. Dergelijk klassenblind milieubeleid heeft de 'gilets jaunes'-beweging in Frankrijk in het leven geroepen. Toen president Macron de klimaatverandering aanvoerde als reden om de belasting op brandstof te verhogen, plaatste hij de last van verandering op de schouders van de gewone autogebruikers – en zij waren daar niet blij mee.

Een plastic-belasting alleen is lang niet voldoende om het productieprobleem op te lossen. We moeten petrochemische projecten tegenhouden voor ze kunnen beginnen opereren. Gezien de omvang en de macht van de petrochemische industrie heeft het verzet nood aan 'kracht in aantallen'. Het zou helpen als milieubewuste burgers zich actief beginnen te verzetten tegen de belangen van Jim Ratcliffe en gezelschap. Reageren op Blue Planet II door een meer zuivere levensstijl na te streven zal niet volstaan. We kunnen het ons niet veroorloven om ons af te sluiten van het probleem met andere individuele keuzes en terug te vallen op klassieke veronderstellingen over 'goede' en 'slechte' consumenten. Voor een plastiek-vrije winkel kiezen in plaats van de plaatselijke supermarkt, is voor veel mensen geen optie, en is bovendien te weinig en te laat. De petrochemische industrie is bezig met het optrekken van veel grotere 'winkels'. Het zijn die faciliteiten die we moeten bezoeken, liefst met een aantal banners in de hand.

Edward Carver is een in Londen gevestigde journalist.

Dit artikel verscheen eerder op www.jacobin.org. Het werd ingekort en vertaald door S.V.M.



steun ons

© 2019 vrede vzw - website by