Artikel
Ludo De Brabander
Printvriendelijke versie
Turkije vaart neo-Ottomaanse koers
Illustratie: geralt (pixabay.com)

Turkije vaart neo-Ottomaanse koers

De afgelopen maanden gaf Turks president Erdoğan zijn politiek in binnen- en buitenland een nieuwe nationalistische impuls, deels als bliksemafleider van de financieel-economische crisis in zijn land, maar ook als een – vooralsnog weinig geslaagde - poging de bevolking opnieuw te verenigen achter zijn leider.

De buitenlandse militaire avonturen die daar het resultaat van zijn, kosten handenvol geld. Ze verergeren de crisis en dat in volle Covid-pandemie, waardoor de druk op overheidsbudgetten onhoudbaar dreigt te worden en de ontevredenheid van de bevolking alleen maar lijkt toe te nemen. Daarenboven is er een niet te onderschatten diplomatieke tol.

Machtswissel in de VS

Wanneer Joe Biden in januari 2021 het roer overneemt van Trump als 46ste VS-president, zal  Erdoğan - zo is de verwachting – het moeilijker krijgen om zijn buitenlandse avonturen in het Witte Huis te slijten. Trump vaarde de afgelopen vier jaar een wispelturige en op persoonlijke relaties gebaseerde koers. Hij noemde de autoritaire Turkse president “mijn goede vriend” en een “goede leider” ook al zat er geregeld wel wat haar in de boter. Erdoğan bezit blijkbaar de gave om Trumps ijdelheid te strelen waardoor hij kon ontsnappen aan diens toorn in gevoelige dossiers zoals de Turkse aankoop van het Russische luchtafweersysteem S-400. De Turkse leider verstaat als geen ander de kunst te laveren tussen de VS en Rusland en zo nodig beide grootmachten tegen elkaar uit te spelen.

De Turkse leider verstaat als geen ander de kunst te laveren tussen de VS en Rusland

Onder president Trump viel het Turkse leger verschillende keren Noord-Syrië binnen om de strijd aan te binden met de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF), hoewel die de belangrijkste plaatselijke pijler vormt van de Amerikaanse ‘strijd tegen de terreur’ in het land. De SDF is een in oktober 2015 opgerichte alliantie rond de Koerdische Zelfbeschermingseenheden (YPG/YPJ). Turkije zet deze weg als een afdeling van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) en spreekt daarom van ‘terroristen’. Het ‘Koerdische terrorisme’ fungeert al jaren als vrijgeleide voor buitenlandse militaire operaties, ook al gaat het over overtredingen van het internationaal recht, waarvoor de jongste jaren beroep wordt gedaan op extremistische milities die ideologisch soms nauwelijks verschillen van Daesh (Islamitische Staat). Turkije slaagde er als NAVO-lid ook in om deals met Rusland te sluiten zelfs al gaan die, zoals in Syrië, ten koste van de Amerikaanse invloed in Noord-Syrië.

Onder Biden zouden de relaties met het Witte Huis wel eens wat meer spanningen kunnen vertonen. Biden steekt zijn ongenoegen over Trumps relaties met de autoritaire Erdoğan niet onder stoelen of banken. De toekomstige Amerikaanse president heeft al te verstaan gegeven dat hij liever heeft dat Erdoğan in 2023 de verkiezingen verliest vanuit de veronderstelling dat diens opvolger een trouwere NAVO-koers zal varen en niet langer zoete broodjes zal bakken met Moskou.

Binnenlandse repressie

Opgezweept door de MHP (Nationalistische Actiepartij), de extreemrechtse coalitiepartner van  Erdoğans AKP (Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling), valt het op hoe de Turkse leider de jongste weken de nationalistische trom weer roert en zwaar uithaalt naar de Koerdische oppositie in zijn land.

Van de 65 HDP-burgemeesters uit de verkiezingen van 31 maart 2019 zitten er inmiddels 48 achter de tralies

Begin oktober 2020 verordende een rechtbank de arrestatie van de burgemeester van Kars, Ayhan Bilgen, lid van de linkse en pro-Koerdische Democratische Volkspartij (HDP). Samen met hem werden ook 16 andere HDP-politici gearresteerd op beschuldiging van aanzetten tot geweld. De aanklacht is een gevolg van een onderzoek naar uit de hand gelopen demonstraties waarbij naar schatting 50 doden vielen. De Koerden in Turkije reageerden woedend op de Turkse ‘passiviteit’ tijdens het offensief van de Islamitische Staat tegen Kobani, een Koerdische stad die aan Turkije grenst. Dat de autoriteiten pas 6 jaar na de feiten tot arrestaties overgaan, illustreert dat Erdoğan de confrontatie met de Koerdische linkse beweging opvoert door hen telkens weer te linken aan ‘terrorisme’ in een poging de oppositie te verdelen. Van de 65 HDP-burgemeesters uit de verkiezingen van 31 maart 2019 zitten er inmiddels 48 achter de tralies, meestal op grond van beschuldigingen banden te hebben met het terrorisme of propaganda voor de Koerdische Arbeiderspartij, de PKK, te voeren. De regering heeft ze vervangen door gouverneurs. Ondertussen zitten er honderden prominente leden van de HDP in de gevangenis, onder wie een aantal parlementsleden, zoals de voormalige presidentskandidaat Selahattin Demirtaş.

Turkse Lira in vrije val

De regering staat onder druk nu de Turkse munt de afgelopen vijf jaar driemaal in waarde is gedaald.  Dat heeft de populariteit van Erdoğan en diens regerende AKP aangetast. Volgens recente opiniepeilingen zou hij bij presidentsverkiezingen (voorzien voor 2023, maar wellicht worden die vervroegd), de duimen moeten leggen voor de vermoedelijke CHP-kandidaat Ekrem Imamoglu, de huidige burgemeester van Istanbul. Begin november zorgde de financieel-economische crisis ervoor dat  Erdoğans schoonzoon, minister van Financiën Berat Albayrad, ontslag moest nemen. Hij gaf daarvoor gezondheidsredenen op.

Even leek het erop dat de crisis de Turkse president tot bezinning zou nopen en hij het over een andere boeg zou gooien door terug te keren naar zijn hervormingspolitiek van de eerste jaren van zijn leiderschap. Zo kondigde hij een nieuw “actieplan voor mensenrechten” aan. De verwachting was dat politieke gevangenen zoals voormalige HDP-leider Selahattin Demirtaş en de filantroop Osman Kavala, die gevangenzit voor zijn aandeel in het Gezi-parkprotest, zouden vrijkomen. Dat een prominent parlementslid van Erdoğans partij behoorlijk kritisch was voor hun gevangenschap werd gezien als een teken aan de wand.

Erdoğans lot is verbonden aan dat van zijn extreemrechtse coalitiepartner

Op 20 november beloofde Erdoğan inderdaad een nieuwe start: “We werken aan zowel de versterking van ons economisch beleid als aan het hoger leggen van de lat voor de democratie en de vrijheden, terwijl we het dagelijks leven voor onze burgers vergemakkelijken.” Maar enkele uren voor zijn toespraak vond een nieuwe arrestatiegolf plaats tegen advocaten, journalisten, dokters en politici. Opnieuw luidde de aanklacht: banden met een terroristische organisatie.

Hoewel de Turkse president best wel weet dat hij zijn lot en dat van de AKP in de peilingen alleen maar succesvol kan doen keren als hij erin slaagt om de economische crisis aan te pakken, speelt hij het hard tegen de Koerdische oppositie. Zijn lot is immers verbonden aan dat van zijn extreemrechtse coalitiepartner. Als de MHP de stekker uit de regering trekt dan dreigen nieuwe verkiezingen en dat is momenteel het laatste wat hij wil.

Pan-Turkisme

In een poging om de aandacht af te leiden van de economische crisis en de internationale invloed te vergroten, voert Erdoğan in het buitenland een pan-Turkse koers. Zo hoopt hij zowel de MHP aan zich te binden, als de grandeur van het Ottomaanse Rijk te herstellen.

Ankara beschikt inmiddels over in totaal 14 militaire basissen in het noorden van Irak

In juni 2020 lanceerde het Turkse leger de operaties ‘Arendsklauw’ en ‘Tijgerklauw’ in Noord-Irak, een militaire aanval met gevechtsvliegtuigen en drones, gevolgd door een militaire grondoperatie in de zone waar de PKK haar hoofdkwartier heeft. Kort daarop kondigde de Turkse regering de oprichting aan van drie nieuwe militaire basissen. Daarmee zou Ankara inmiddels over in totaal 14 militaire basissen in het noorden van Irak beschikken. Bagdad moet machteloos toekijken hoe zijn noorderbuur zonder veel internationale tegenkanting militaire operaties en basissen opzet op zijn grondgebied. De Iraakse regering beschuldigde Turkije ervan verantwoordelijk te zijn voor tientallen burgerslachtoffers in de afgelopen jaren. De Turkse operatie in Noord-Irak kon rekenen op de steun van Iran dat in eigen land strijd voert tegen PJAK, een Koerdische militante zusterbeweging van de PKK. Nochtans is Iran op het terrein een bondgenoot van het Syrische regime in Damascus, dat Turkije bestrijdt met Turkse troepen en huurlingen in Idlib.

Noord-Syrië

De jongste weken is Ankara druk in de weer om de militaire aanwezigheid in de bezette gebieden van Noord-Syrië op te voeren. In Idlib, een opstandige Syrische provincie aan de westelijke kant van de zuidgrens van Turkije, heeft het Turkse leger zich stevig ingegraven. Het ontplooide er naar schatting goed 10.000 trucks en pantervoertuigen, naast duizenden militairen. Ook in andere delen van de noordelijke grensstrook, vooral in het veroverde gebied ten noorden van Ain Issa, heeft Turkije zijn militaire aanwezigheid versterkt en vinden er geregeld schermutselingen plaats met de SDF. Volgens verschillende bronnen wijst dat er op dat Turkije nog voor de machtsoverdracht in de VS de controle over Noord-Syrië wil consolideren en zo mogelijk uitbreiden.

Erdoğan blijft benadrukken dat hij een bufferzone wil onder Turks gezag langs de hele Noord-Syrische grensstreek.

Turkse troepen en de door Ankara betaalde Syrische huurlingen houden sinds oktober 2019 een brede strook tussen Tell Abyad (Girê Spî) en Ras al Ayn (Serekanye) bezet. Dat is een gevolg van de invasie ‘Lentevrede’. De operatie was gericht tegen het Autonome Bestuur in Noord-Syrië die door Ankara als PKK-gebied en dus als ‘terroristisch’ wordt gebrandmerkt. Erdoğan blijft openlijk benadrukken dat hij een bufferzone wil onder Turks gezag langs de hele Noord-Syrische grensstreek. Het zou ook kunnen dat Ankara bij Ain Issa de vitale M4-verbindingsweg wil blokkeren die parallel loopt met het grensgebied. Rusland heeft er wellicht daarom inmiddels twee militaire posten opgericht en de SDF gevraagd om Ain Issa over te dragen aan het Syrische leger. Zoals steeds probeert Moskou de situatie uit te buiten om zijn eigen positie of die van zijn bondgenoot te versterken.

Met ‘Operatie Lentevrede’ was Turkije niet aan zijn proefstuk toe. Het ging al om de derde Turkse inval. Eerder, in de zomer van 2016, viel het Turkse leger en leden van het door Turkije getrainde en betaalde Vrije Syrische leger de grensregio van Jarablus-Azaz binnen onder het voorwendsel te strijden tegen Daesh. In werkelijkheid wilde Turkije verhinderen dat heel de Syrische grensregio onder controle zou komen te staan van het Koerdische Autonome Bestuur. Begin 2018 vielen Turkse troepen en Syrische huurlingen Afrin aan, dat tot dan van geweld was gespaard gebleven. Afrin is een Koerdische enclave die in het uiterste noordwesten van Syrië is gelegen. Zowel Rusland als de VS stonden deze invasie oogluikend toe. Voor de VS ligt Afrin buiten het gebied waar het aan de zijde van de SDF strijdt tegen Daesh. Voor Rusland mocht Turkije zijn gang gaan nadat de SDF weigerde in te gaan op het Russische voorstel om Syrische troepen in Afrin te laten ontplooien.

Op 14 september jl. publiceerde de Onafhankelijke Internationale Onderzoekscommissie voor de Arabische Republiek Syrië in opdracht van de VN-Mensenrechtenraad een rapport met haar bevindingen uit de eerste helft van dit jaar. Volgens de Onderzoekscommissie bezondigden leden van het Syrische Nationale Leger (SNL) – zoals de Syrische huurlingen in de bezette gebieden zichzelf noemen – zich aan tal van mensenrechtenschendingen. In een aantal gevallen is er mogelijks sprake van oorlogsmisdaden. Het rapport documenteert hoe het door Turkije gesteunde Syrische Nationale leger in de bezette gebieden op “gecoördineerde wijze” plundert en zich eigendommen toe-eigent. Burgers zijn er slachtoffer van gijzelingen, wrede behandelingen, martelingen en verkrachtingen.

De Turkse invasies in Noord-Syrië zijn in strijd met het VN-Handvest

De Turkse invasies in Noord-Syrië zijn in strijd met het VN-Handvest. Maar als de EU-landen in de VN-Veiligheidsraad een verklaring indienen die Turkije vraagt om de ‘unilaterale militaire actie’ te stoppen, spreken zowel de VS als Rusland een veto uit. De secretaris-generaal van de NAVO, Stoltenberg, verklaarde alleen dat Turkije "in de voorhoede van de crisis staat en legitieme veiligheidsproblemen heeft" en voegde eraan toe dat "de NAVO door de Turkse autoriteiten is geïnformeerd over de lopende operaties in Noord-Syrië" en Turkije vraagt ​​om "terughoudend te handelen". Een paar maanden later, in februari 2020, sprak Stoltenberg de steun van de NAVO uit aan de Turkse militaire operaties in Idlib: “Turkije blijft de NAVO steunen met een reeks maatregelen, onder meer door de luchtverdediging te vergroten ...".

Neo-Ottomanisme

De Turkse inmenging in Syrië staat niet op zichzelf, noch beperkt het buitenlands beleid zich tot de strijd tegen de Koerdische bevrijdingsbeweging. Het maakt deel uit van een ambitieus neo-Ottomaans project dat de internationale invloed en expansie van Turkije moet waarborgen. Een paar maanden na het begin van de opstand in Syrië in 2011 sprak Erdoğan al de wens uit om een ​​Turkse bufferzone van 30 km te creëren over de hele Noord-Syrische grensstreek. De volledige bezetting van deze gebieden, samen met de noordelijke zones in Noord-Irak, waar Turkije militaire basissen heeft gevestigd, zouden gedeeltelijk overeenkomen met de kaart zoals die in 1920 is vastgelegd in de laatste zitting van het Ottomaanse parlement. In dat ‘Nationaal Pact’ omschreven de Ottomaanse parlementairen het gewenste grondgebied van Turkije. Uiteindelijk legde het Verdrag van Lausanne (1923) de grenzen van Turkije vast, zonder de gebiedsaanspraken van het Nationaal Pact ten zuiden van het land en in de Middelllandse Zee helemaal te honoreren. Erdoğan refereert in zijn toespraken geregeld aan dat National Pact en verheelt niet dat zijn nationalistische regering een herziening wil van het Verdrag van Lausanne.

Turkije ziet de toegang tot de grondstoffen in de Middellandse Zee geblokkeerd

Dat heeft ook consequenties voor Griekenland en Cyprus en vormt een verklaring voor de recente spanningen over de Exclusieve Maritieme Zone in de Middellandse Zee. Turkse nationalisten vinden dat Griekenland destijds te royaal bedeeld werd, zoals moet blijken uit de Griekse soevereiniteit over eilanden dicht bij de Turkse kust. Turkije ziet zo de toegang tot de grondstoffen in de Middellandse Zee geblokkeerd. Dat was ook de belangrijkste reden voor de steun van Turkije aan de Libische Regering van het Nationaal Akkoord in Tripoli. In het najaar van 2019 tekende Turkije een akkoord met de Tripoli-regering waarin beide landen een exclusieve economische zone in de Middellandse Zee overeenkwamen. Dat leverde banbliksems op van Griekenland, Cyprus, Egypte en Frankrijk die er gasbelangen hebben. De Turks-Libische relaties kregen daarop een militair verlengstuk. Als wederdienst voor het maritiem akkoord schoot Turkije de Tripoli-regering te hulp met Turkse militairen, duizenden Syrische huurlingen en de inzet van drones en ander militair materieel en slaagde er zo in de troepen van generaal Haftar terug te dringen. Haftar staat aan het hoofd van het Libische Nationale Leger - samengesteld uit verschillende milities - dat het grootste deel van Libië controleert met hoofdkwartier in het oostelijke Benghazi. Door Haftar in het defensief te dwingen verstevigde Turkije zijn machtspositie in Noord-Afrika ten koste van Egypte, dat de rivaliserende Benghazi-regering en de troepen van Haftar steunt. Onder Erdoğan vormen de relaties met Afrika volgens de website van de Turkse regering een van de belangrijkste prioriteiten van het Turkse buitenlands beleid. Het land ontwikkelde er militaire relaties met landen als Somalië, Soedan en Ethiopië.

In Nagorno-Karabach toont Turkije dat het niet aarzelt om militair tussenbeide te komen aan de zijde van een broedervolk

Een ander aspect van het neo-Ottomanisme vloeit voort uit het pan-Turkse gedachtegoed. In het conflict om Nagorno-Karabach toont Turkije dat het niet aarzelt om eveneens militair tussenbeide te komen aan de zijde van het broedervolk in Azerbeidzjan. Volgens het Syrisch Observatorium voor de Mensrenrechten zette Turkije 850 opnieuw goed betaalde Syrische 'jihadistische' huurlingen in om te vechten tegen Armeense troepen. Volgens de getuigenis van een Syrische huurling in CNN beloofde de Turkse regering een soldij van 1500 dollar per maand. Azerbeidzjan kon mede dankzij Turkse steun militaire successen boeken en terrein heroveren op Armenië. Maar zoals ook in andere conflicten waar Turkije zich mengt hangt daar wel een diplomatieke kost aan vast. Ankara opereerde in de ‘achtertuin’ van Rusland, dat er in slaagde om na zes weken gevechten een wapenbestand naar zijn hand te zetten, met de ontplooiing van 2000 Russische ‘peacekeepers’ in Nagorno-Karabach.

Overspeelt Turkije zijn hand?

De militaire operaties doen de kosten van het legerapparaat behoorlijk toenemen en happen 13% uit de overheidsbegroting. Daarnaast stopt de regering ook veel geld in de onafhankelijkheid van de Turkse wapenindustrie, waardoor het volledige militaire apparaat maar liefst een kwart van de overheidsmiddelen opsoupeert. De omzet van de Turkse militaire industrie is in minder dan twee decennia meer dan vertienvoudigd tot $ 11 miljard vorig jaar. Het land staat daarmee wereldwijd op de 14e plaats. Alleen heeft het niet de technologische diepgang om het land echt militair onafhankelijk te maken. Ankara moet nog steeds beroep doen op de import van heel wat onderdelen en bezit niet voldoende technologische knowhow nodig om moderne wapensystemen te creëren (het staat op de 35e plaats van de 60 landen in de Bloomberg Innovation Index, achter Portugal, Roemenië of Griekenland (de aartsvijand)). Het repressieve beleid en de vriendjespolitiek van Erdoğan zorgden daarenboven voor een braindrain, vooral sinds het harde optreden na de mislukte couppoging in 2016.

De hamvraag is of het assertief, zeg maar agressief buitenlands beleid van Turkije, niet op zijn diplomatieke en economische grenzen aan het botsen is.

 

 

 

 

 

steun ons

© 2021 vrede vzw - website by