Brandend actueel: de Koerdische kwestie in Turkije
6 minuten

‘Onrust in Belgisch Koerdistan’ blokte de Standaard begin maart. De Koerden protesteerden tegen de inval van de politie in tientallen Koerdische organisaties, waaronder de Koerdische satellietzender Rojtv. De federale politie verdacht Koerdische activisten binnen deze organisaties ervan jongeren te ronselen voor de strijd van de Koerdistan Arbeiderspartij, beter gekend als PKK. Reden genoeg om opnieuw de aandacht te vestigen op het reeds decennialang aanslepende conflict in het Koerdische Zuidoosten van Turkije, of ‘Noord-Koerdistan’ voor vele Koerden.

De PKK is sinds 1984 in een gewapend conflict verwikkeld met de Turkse staat. Wat oorspronkelijk begon als een kleine revolutionaire linkse guerrilla groeide in de jaren negentig uit tot een massabeweging met honderdduizenden aanhangers en enkele tienduizenden fulltime partij militanten, waarvan een vijfduizendtal nog steeds operatief als guerrilla in het bergachtige grensgebied tussen Turkije, Irak en Iran. Oorspronkelijk streed de PKK voor niets minder dan een onafhankelijk Koerdistan maar die droom werd opgegeven, ook al zindert hij soms nog na in de hoofden van mening Koerd.

Terreurlabel

Vandaag ijveren de PKK en haar legale zusterpartij de Vrede en Democratiepartij (BDP) voor lokale politieke, culturele en economische autonomie voor de Koerden, binnen de huidige grenzen van de Turkse Republiek. Sinds het einde van de jaren negentig en volgend op een eenzijdig staakt-het-vuren door de PKK (dat stand hield tot 2004) is er al een stukje werk gemaakt van de concretisering  van autonomie. In 1999 werden immers de eerste Koerdische burgemeesters verkozen voor de DEHAP, voorganger van DTP, die dan weer de huidige BDP voorafging. De verschillende Koerdische partijen volgden zichzelf op, omdat ze telkens verboden werden of omdat ze zichzelf ontbonden onder de dreiging van opheffing door het Turks grondwettelijk hof. De partijen worden telkens opnieuw verboden omdat ze beschouwd worden als een rechtstreekse bedreiging voor de integriteit van de Turkse natie en de Turkse staat, op beschuldiging van separatisme dus. Dat de Koerdische beweging vandaag niet langer een afscheiding nastreeft, wordt door velen in Turkije nog steeds niet geloofd. Maar de uitspraken van het hof hangen ook samen met een veel te grote invullingsvrijheid van het begrip ‘bedreiging’. Dit geldt trouwens ook voor de nationale (en de internationale) antiterreurwetgeving. Wat meer is, de groei en de populariteit die de PKK nog steeds geniet, wordt nog steeds ontkend door de partij af te doen als een ‘terroristische organisatie’, ook al kunnen we vandaag eerder spreken van een Koerdische beweging onder ideologische invloed van de PKK, die zowel een politieke partij met politieke vertegenwoordigers, als een eigen media en een eigen middenveld omvat, en die een legale pro-Koerdische politiek voert. 

De aanwezigheid van de PKK wordt door Turkije al van bij het begin van het conflict stelselmatig bestempeld als een terreurprobleem. De internationale gemeenschap, in het bijzonder de Verenigde Staten en de Europese Unie, hebben die stempel uiteindelijk aanvaard door in 2002 de PKK toe te voegen aan de lijst van internationale terreurorganisaties. Sindsdien levert de Koerdische beweging in de eerste plaats een strijd om van dit label af te geraken en uiteindelijk terug gehoor te vinden voor hun politieke eisen. Het ene lijkt vandaag inderdaad de voorwaarde voor het andere. De bestempeling als terreurorganisatie verhindert immers vaak de samenwerking met andere civiele organisaties en beperkt de mogelijkheden om de politieke besluitvorming in verband met Turkije te beïnvloeden. Dit laatste is nochtans essentieel voor de Koerdische beweging, die met de toetredingsonderhandelingen van Turkije en de EU, de toetreding op haar agenda plaatste. De Koerden hopen via die onderhandelingen bepaalde rechten evenals een beëindiging van het gewapend conflict te kunnen afdwingen. Op het vlak van de individuele rechten (het gebruik van de eigen taal,...) zijn de Koerden vandaag beter af, maar een onderhandelde oplossing voor het gewapend conflict, met de EU als bemiddelaar, lijkt voorlopig niet in de maak. De PKK is immers een terreurorganisatie en met ‘terroristen’ wordt niet onderhandeld, ongeacht of sommige van de Koerdische eisen legitiem zijn of niet. Daardoor zitten we vandaag met de absurde situatie dat een politieke organisatie, die signaleert vrede te verkiezen boven oorlog en tegemoetkomend aan de verzuchtingen van haar achterban een terugkeer bepleit van duizenden jonge mannen en vrouwen naar hun gezinnen, van elke (publieke) dialoog uitgesloten blijft. Het is dan ook in dit licht dat de we groeiende frustratie van Koerden in Turkije en in Europa moeten begrijpen. Er is een toenemend ongeloof dat de toetredingsonderhandelingen met Turkije voor de Koerden werkelijk het verschil zullen maken.

Mogelijke impact van oplossing

Meer en meer klinkt het nu dat er ‘binnen’ Turkije een oplossing moet gevonden worden.  Maar daar stoot de Koerdische beweging telkens opnieuw op de uitsluiting van haar politieke vertegenwoordigers. Burgemeesters en andere leden van de lokale besturen worden systematisch juridisch aangeklaagd en vervolgd op basis van hun (vermeende) banden met de PKK. Tientallen burgemeesters en leden van de Koerdische civiele maatschappij werden in 2009 en 2010, tijdens verschillende periodes van raids, aangehouden en ondervraagd op basis van dezelfde aantijgingen. De beelden van de gehandboeide burgemeesters circuleren op het internet via ‘Koerdistan online’ en ondergraven (nog maar eens) het geloof van vele Koerdische sympathisanten in een democratische oplossing voor het conflict en in het democratisch afdwingen van een grotere culturele, politieke en sociaal- economische autonomie. Het mag daarom niet verbazen dat de PKK tot op heden weigerde om ‘onvoorwaardelijk’ de wapens neer te leggen. Dat de Koerdische beweging vandaag nog steeds over een gewapende vleugel beschikt en nieuwe militanten blijft rekruteren, is zonder twijfel een jammerlijk feit, maar het geeft uitdrukking aan het aanhoudend wantrouwen tussen de Turkse staat, het leger en de huidige regerende partij aan de ene kant, en de Koerdische beweging aan de andere kant. Door het gebrek aan perspectief op onderhandelingen en publieke erkenning, blijft de Koerdische beweging de gewapende optie behouden als een soort van levensverzekering.

Een oplossing voor de Koerdische kwestie, en in de eerste plaats voor het gewapend conflict, zou echter een diepgaande transformatie mogelijk kunnen maken in Turkije. Het conflict, en meer bepaald de aanhoudende ‘terreurdreiging’, laat namelijk toe dat het Turkse leger verhoudingsgewijs een gigantisch deel van de begroting kan opeisen voor haar verdere bewapening en het uitbetalen van de honderdduizenden manschappen die in de strijd tegen de PKK worden ingezet. Het aanhoudende conflict legitimeert in grote mate de politieke en maatschappelijke invloed die het leger tot op heden blijft uitoefenen op de staat, ondanks de hervormingen onder invloed van de EU die erop gericht waren om de militaire macht terug te dringen. De invloed van het leger inperken en onder democratische controle brengen is des te belangrijker gebleken met de start van het zogenaamde Ergenekon-proces, waarbij criminele netwerken tussen topfiguren van het leger en schimmige organisaties worden opgerold. Deze organisaties speelden niet alleen een vuile rol in het gewapend conflict met de PKK (door hun verantwoordelijkheid voor tientallen kidnappingen, verdwijningen en buitenrechtelijke executies, evenals geënsceneerde ‘PKK-aanslagen’), maar beraamden ook plannen voor een staatsgreep op de conservatieve moslimdemocraten van de huidige AKP-regering. De AKP wordt door de militairen en andere seculiere figuren als een bedreiging gezien voor het seculiere erfgoed van de stichter van het moderne Turkije, Mustafa Kemal Atatürk, en evenzeer voor hun eigen politieke en economische machtspositie in het land. Een oplossing voor de Koerdische kwestie zou ook op veel andere vlakken een heel concrete verbetering kunnen betekenen. De meeste schendingen van de mensenrechten in Turkije, zoals het gebrek aan persvrijheid, beperkte vrijheid van meningsuiting, geen vrijheid van organisatie en het opsluiten van minderjarigen, hangen vandaag immers nauw samen met de Koerdische kwestie en de terreurdefinitie. Het zou natuurlijk mooier zijn als een opheffing van die beperkingen en schendingen niet het gevolg zou zijn van een oplossing van de Koerdische kwestie , maar een voorwaarde.  De opheffing van de mensenrechtenschendingen zou een van de meest essentiële bouwstenen kunnen vormen voor het werken aan een draagvlak voor een politiek onderhandelde oplossing. De EU erkent dit laatste ook, maar door de PKK als terreurorganisatie te blijven bestempelen is Europa tegelijk medeverantwoordelijk voor de mensenrechtenschendingen die in naam van de strijd tegen de terreur gepleegd worden. Een ernstige bezinning over de zin en onzin van terreur-labelling is daarom aan de orde.

Marlies Casier is wetenschappelijk medewerker op de vakgroep Derde Wereld van de Universiteit Gent


Iets fout of onduidelijk gezien op deze pagina? Laat het ons weten!