Euro-Islam in een wereld van onmacht: Tariq Ramadan, wapens en verzetsmoskeeën (*)
Foto: Thierry Limpens
Euro-Islam in een wereld van onmacht: Tariq Ramadan, wapens en verzetsmoskeeën (*)
Artikel
19 minuten

Naar aanleiding van Tariq Ramadans via internet wereldwijd massaal gevolgde conferentie op 5 december laatstleden in de Bozar, in Brussel, publiceerde ik een kritische bespreking.

 Ik bekritiseerde er die laatste doctrine die een constante blijkt te zijn in het denken van de invloedrijke Oxford professor die deze ook wel weer kadert in een veel bredere niet-gewapende jihad attitude van verzet als weerbaarheid en emancipatie.

Met jihad moeten we inderdaad niet in de eerste plaats denken aan de ‘gewapende jihadist’, zoals ik verder in deze tekst zal duidelijk maken. Maar als pacifist heb ik moeite met Ramadans ‘wapendraai’ en vooral dat hij met zijn theorieën op dezelfde lijn zit van de belangrijkste ‘verzetsmoskeeën’ hier in Europa die samen een trend zetten in de zogenaamde Europese hervormingsislam waarvoor ze pleiten. Hun actielijn op dit punt van ‘militaristische jihad’ baart me zorgen omdat ik geloof dat oorlog en religie best gescheiden worden gehouden. Ik wil anders wel niet suggereren dat die moskeeën in het bijzonder gesanctioneerd moeten worden, zoals wel vaker door invloedrijke stemmen geopperd wordt. Ik geloof vooral dat een sereen debat mogelijk en wenselijk is. Daarom kom ik in voorliggende tekst een stuk in de richting van deze ‘verzetsjihad’ waarover Ramadan en bepaalde moskeeën het hebben.

Omdat ik met Ramadan gezinde moslims en niet-moslim sympathisanten in discussie wou gaan, deelde ik de voorbije dagen mijn tekst van vorige week in een paar Facebookgroepen en accounts met de vraag om feedback en discussie. Die laatste kwamen er, met een 150 tal opinies die werden gegeven en gedebatteerd. In voorliggende tekst integreer ik de voornaamste als antwoord op een aantal vragen die in me verder zijn opgekomen over hoe we samen, als moslims én niet-moslims (omdat Ramadan daartoe opriep), kunnen bouwen aan een ‘Europese Islam’: indien Ramadan stelt dat moslimlanden kampen met een democratisch deficit, welke plaats neemt het gewapend Islamitisch verzet hierin? Wat zijn de (verborgen) allianties tussen Europese moslim (jihadist) en niet-moslim ‘strijdkrachten’? Welke rol spelen de moskeeën hierin? En vooral: waarom hebben Ramadan gezinde moslims gemengde gevoelens bij de idee van een Europese ‘cultuur van vrede’ zoals die werd ingeluid aan het einde van de 18de eeuw met de Franse ‘vrijheidsrevolutie’ die een einde bracht aan de godsdienstoorlogen?

Tijdens de debatten van de afgelopen dagen suggereerde iemand de hoofdvraag ongeveer als volgt: “Hoeveel vrijheid creëer je wanneer je godsdiensten terugdringt om een andere, aan moslims vreemde ideologie van secularisme op te leggen? Een Euro-islam, ja. Maar geen Eurocentrisch project dat de gelovige moslims in hun culturele identiteit uitsluit, noch minder een Europa dat economische bezettingsoorlogen voert in de landen van herkomst van de moslims die hier bij ons hun thuis en toekomst hebben gevonden.”

In de tekst behandel ik deze vragen in twee delen: een eerder theologiserend deel en een politicologisch deel. Voor wie moeite heeft om lange teksten te lezen die beginnen met wat theologie, raad ik aan om onmiddellijk naar het laatste deel te gaan.

Mohammed-pacifist, of: “Niet doden zal je”, een onoverkomelijk gebod

Ramadan zegt dat moslims geen pacifisten zijn. Dit moet goed begrepen worden. Immers, ook ‘gewapende verzetsmoslims’ in de Ramadan-stijl, niet de terroristische ‘Kalifaat-jihadisten’, streven naar duurzame verstandhouding en vrede, zelfs wanneer ze islam koppelen aan het recht op wat ze een verdedigingsoorlog noemen.

Iedereen heeft wel gehoord van Korancitaten die oproepen om niemand onschuldig te doden, om in discussies niet in een opinieclinch te gaan, om te streven naar vrede en goeie verstandhouding boven alles. Voeg daar nog aan toe de vele vredesverhalen uit het leven van de profeet Mohammed, en de theologische cirkel is rond. Dit alles citeren en duiden is uiteraard wat we op theologische platforms moeten doen. Velen hebben ze geciteerd, vaak op basis van een relevante selectie, want de voorbeelden zijn te talrijk.

In dit debat over jihad en vrede verwijst Ramadan als eerder filosoferend theoloog uitzonderlijk, uitvoerig en letterlijk naar de religieuze bronnen. Maar hij is niet de enige die hier expliciet is in een poging om Islamitisch extremisme af te blokken. In België heb je bijvoorbeeld de secretaris ban de Moslim Executieve secretaris, Omar Van den Broeck. Op zijn Facebook fan pagina is dit na te lezen. Er is verder ook Coşkun Beyazgül, een vooraanstaand bestuurder uit diezelfde Moslim Executieve, die een opmerkelijke duiding wist uit te schrijven bij het waarom van het oprukkende moslimterrorisme. Anderen, niet-moslims, zoals professor Johan Leman, hebben jarenlang vanuit hun religie-expertise politiek meegedacht over de inhoud en de praktische aspecten van hoe de moslimgemeenschap als ‘groep van mensen van vrede’ wenst institutioneel mee te tellen.

Uit discussies die ik de afgelopen weken had met mensen die het moeilijk hebben met wat zij ervaren als een ‘haatislam’, haal ik dat modale Europeanen het betreuren dat wie zij militante moslims noemen volgens hen duidelijk militaristische standpunten innemen als ze het over hun jihad-islam hebben. Ze hebben het hier vooral over de zwaarste hardline salafisten die geloven dat hun religie hen rechtvaardigt om elke vorm van zogenaamde moslim vervolging aan te grijpen om zelf de wapens op te nemen. De strekking van Ramadan sluit daarbij aan, maar staat er ook ver van. In de eerste plaats keurt ze elke vorm van terreur af, terwijl ze verder onder gerechtvaardigde gewapende jihad enkel rekent wat een verdedigingsoorlog van onderdrukte volkeren wordt genoemd. Geloofsvervolging lijkt Ramadan daar vandaag de dag niet bij te nemen. Alleszins, hij maakt duidelijk dat moslims in Europa geen redenen hebben om te zeggen dat ze niet vrij zijn om hun geloof te belijden.

Die strekking van geen oorlog om geloof blijken hedendaagse moslims op de meeste plaatsen in de wereld begrepen te hebben. Ook in Afrika. Om een idee te geven, de afgelopen jaren deed ik onderzoek in het Islamitische Noorden van Nigeria waar tot voor kort nog handen werden afgehakt in naam van de Shari’a strafwet en waar moslims en christenen met regelmaat van de klok bloedig met elkaar in de strijd gaan. Ik ontdekte er dat de modale moslim, die midden de gevechten snakt naar een meer veilige situatie, gelooft dat de conflicten worden opgezet door politiek-religieuze blokken die niet de bedoeling hebben om gerechtigheid te creëren voor iedereen. Ze vinden ook dat religie hierbuiten moet blijven, dat imams zich niet in de politiek moeten mengen. Als ik moslims in die regio er naar vraag of ze het oplaaiend geweld in hun omgeving kunnen kaderen binnen een islamitische jihad, is het antwoord negen keer op tien neen.

Ook al lijkt ons communautair probleem van religieuze aard, toch gaat het om de verdeling van de rijkdommen. En dit is politiek. We kunnen moeilijk stellen dat we om ons geloof vervolgd worden, en enkel dit zou een gewapende jihad rechtvaardigen”, zo krijgen we steevast te horen.

Een Nigeriaan uit het noorden zei me ooit dat zijn jihad erin bestaat om zijn buren uit een brand proberen te redden op gevaar af er zelf het leven bij te laten. Uiteraard zijn er de zogenaamde Boko Haram jihadisten die een zelfuitgeroepen bloedig kalifaat instelden in het noordoosten van Nigeria en die beweren hierbij aan te sluiten bij de Islamitische Staat in Syrië.

De pacifistische definiëringen van jihad door moslims in het Noorden van Nigeria doen me er aan denken dat Ramadan in zijn publicaties over jihad stelt dat de Koran en de traditie van de profeet Mohammed duidelijk aangeven dat in een situatie van onderdrukking op een gegeven moment het geduld op is en dat men dan naar de wapens kan grijpen. Uit de religieuze bronnen haalt hij volgende redenen voor gewapend verzet: de verdediging van eigen geld, van eigen bloed, van eigen vaderland, van eigen familie, van eigen religie en van eigen goederen. Verder nadenkend over deze opsomming, kunnen we opmerken dat geweldgebruik algemeen aanvaard is bij wettige zelfverdediging zoals wanneer je zelf, je kinderen of familie wordt aangevallen. Ook de verdediging van je vaderland is een evidentie. Moeilijker ligt het, althans in Europa (maar ook in de meeste landen), bij de verdediging van goederen en geld. Ik merk verder op dat Ramadan op basis van een ‘goddelijke wet’ het recht op gewapende verdediging ruimer neemt dan wat in de meeste landen wettelijk geregeld is, en zeker in Europa. We kunnen daarom de vraag stellen wat we daarmee moeten in het kader van een Europese Islam.

Een diepere analyse van de associaties die Ramadan maakt, verplicht ons om een grondiger bezwaar te maken dan wanneer we verwijzen naar het staatsrecht dat in onze landen elk gebruik van geweld regelt. De vraag die zich immers stelt, gaat als volgt: of Ramadan’s militaristische lezing van de religieuze bronnen niet kan vervangen worden door een pacifistische die minstens evenveel recht van bestaan heeft. Om tot dit te besluiten, moeten we eerst een zicht krijgen op hoe precies Ramadan de religieuze bronnen interpreteert.

Ramadan citeert Koran 22 vers 39 en een gedeelte van vers 40. Als we goed lezen, dan merken we dat er in die verzen alleen sprake is van een toestaan tot gebruik van geweld wanneer moslims gediscrimineerd worden voor hun geloof (“uit hun huizen gezet”). In het gedeelte dat Ramadan niet citeert staat er ook dat God wil dat kerken, synagogen en moskeeën tegen vernieling beschermd worden. In dit licht kunnen we ons de vraag stellen of het correct is dat Ramadan deze lijst aanvult met een passage uit de traditie van de profeet Mohammed waarin staat dat mensen martelaar worden wanneer ze het leven laten in de verdediging van hun geld, bloed, bezittingen, land, enz. Deze opsomming is niet duidelijk een legitimatie van gewapend defensief geweld. Immers, in strikte zin is het enige duidelijke gemaakte punt dat er mensen zijn die vermoord worden en dat deze als martelaar zullen beschouwd worden. Maar Ramadan verbindt zijn conclusies, die hem brengen tot een heel breed opgevatte rechtvaardiging van een verzetsoorlog, aan dit: dat Abu Bakr, de eerste Kalief, gezegd heeft dat hij de ‘verdediging’ waarvan sprake is in Koran 22, 39-40, opvatte als dat een gewapende oorlog is toegelaten.

Bij wijze van kritiek op deze constructie, indien we de hedendaagse islamhervormer Abdulahi An-Na’im interpreteren, kunnen we ons afvragen of jihad als een gewapend streven naar gerechtigheid, niet best opgevat wordt als een begrip dat onmogelijk vandaag nog letterlijk toegepast kan worden. Bijvoorbeeld, wanneer in de 7de eeuw de handelscaravans van de profeet Mohammed werden aangevallen, dan geeft dit vandaag de al-Qaida in de Islamitische Maghreb (AQIM) het recht niet om de handelsroutes over Mali te claimen en het hele noorden van dat land te annexeren. Maar waar liggen de grenzen in oorlogen waarover de meningen meer verdeeld zijn? Volgens Islamitische pacifisten is het vandaag de dag onmogelijk om leiders te vinden die zowel religieus-geïnspireerd als politiek-seculier integer zijn in die mate dat ze model kunnen staan voor een gewapende jihad naar het model van deze die door de profeet Mohammed werden geleid. “Precies omdat de profeet zelf boven alles een pacifist was”, zo stelde iemand tijdens onze discussies deze week, “moet dit toch ook vandaag wel ons uitgangspunt zijn”. De wapens opnemen is een laatste optie, zoals de profeet Mohammed het zelf heeft voorgedaan.

Dit pacifisme noem ik een leessleutel op de Islamitische funderingsbronnen (Koran en traditie van de Profeet), net als een militaristische interpretatie er een is. De leessleutelaanpak is gebaseerd op dat er over het vaststellen van de juiste historische contexten kan getwist worden. Zoals bijvoorbeeld: anti-islam of niet-moslims geven aan dat de profeet Mohammed een bloeddorstige veroveraar was. Gelovige moslims aan de andere kant stellen net dat hij geweld enkel gebruikte uit wettelijke zelfverdediging. Het is in die lijn dat we opmerken dat de niet altijd zo heel duidelijke doch belangrijke contexten van wat beschreven staat in de religieuze bronnen veel exegeten expliciet of impliciet doen uitgaan van een leessleutel die aanvullend kan lijken maar die als het erop aankomt eigenlijk de interpretatieve overhand neemt. En de keuze van zo’n leessleutel heeft veel te maken met hoe de exegeten zelf staan tegenover hun eigen actuele maatschappelijke context. Dit wordt duidelijk in volgend deel waarin ik stel dat een politieke context van geweld ertoe kan bepalen dat moslims hun religieuze bronnen militaristisch gaan interpreteren.

Europese verzetsmoskeeën in de strijd tegen sociaal onrecht

Nadenkend over wie vandaag in aanmerking komt om het label te dragen van een rechtmatige ‘gewapende jihadist’, merkten tijdens mijn Facebook debat verschillende discussianten op dat het Palestijnse volk wel heel duidelijk het recht heeft op een gewapende jihad. Dit omdat het van zijn eigen land is verjaagd. De Palestijnse context zou het evidente criterium bieden voor alle hedendaagse Islamitisch aanvaardbare verzetsoorlogen, zo drukten deze discussianten mij hun manier van denken op het hart. Ook Ramadan suggereerde dit tijdens zijn Bozar debat. Het rijtje afgaand, zien we dat de afgelopen decennia ‘gematigde verzetsjihadisten’ ook de strijd steunden van het Bosnische, van het Afghaanse, van het Tsjetsjeense en van het Algerijnse volk. In de meest recente jaren kwam er die van het onderdrukte Syrische volk bij. Deze laatste was er eigenlijk al toen in de jaren ’80 van vorige eeuw de eerste Syrische Moslimbroeders bloedig werden vervolgd door het regime van Hafez al-Assad (de vader van de huidige president) en als vluchtelingen in West-Europa belandden van waaruit ze ‘jihadi moskeeën’ oprichtten en affilieerden met Islamitische verzetscentra die op hun lijn van denken zaten (o.a. de andere Europese Moslimbroeder moskeeën). Ook met België, met Brussel (Molenbeek) was er een band.

Ons afvragend hoe Europees die manier van denken is, moeten we vaststellen dat westerse regeringen deze jihadisten die actief zijn in oorlogsconflicten aan de ene kant tolereren wanneer ze samen in hetzelfde politieke kamp zitten en aan de andere kant vervolgen wanneer ze bij het oppositioneel kamp behoren. En die houding kunnen we uitbreiden naar politieke partijen, bewegingen en activisten. Bijvoorbeeld, communisten konden moeilijk de strijd van de Afghaanse jihadisten steunen tegen de USSR, maar ze kiezen wel partij voor het Palestijnse Hamas tegen een rechtse, extreem repressieve Israëlische regering. Met andere woorden, de breuklijnen zijn van politieke aard en niet van religieuze of ideologische tussen moslim militaristen en overheden. Vooral deze laatste omdat deze het recht nemen om effectief te vervolgen wie ze doodverven als terroristen.

Die houding kan doorgetrokken worden naar de moskeeën. Het is een wereldwijd fenomeen. Ik zag er heel wat voorbeelden van tijdens de periode van mijn onderzoek in het noorden van Nigeria. Als we kijken naar wat er in België of in andere West-Europese landen gebeurt, dan zien we door de staatsveiligheid bepaalde invloedrijke moskeeën, vaak zogenaamde ‘Moslimbroeder centra’ waar bijvoorbeeld Ramadan kind aan huis is, als ‘jihadistisch’ aangeduid worden zonder dat er door de overheid ingegrepen wordt, precies vanwege de politieke affiliaties van het moment. Uiteraard spelen onder politici ook nog andere aspecten mee, zoals dat ze in tijden van verkiezingen stemmen willen halen in die instellingen. En ook omdat vanwege het collectieve karakter van de moskeeën het niet zo eenvoudig is om in te grijpen in zogenaamde radicale discours. Men kan wel druk zetten op een moskeebestuur om haat predikende imams de laan uit te sturen, maar veel meer kan men niet doen tenzij via repressie en de volledige sluiting van de instelling op gevaar af dat daarmee nog meer radicalisering in de hand wordt gewerkt.

In de Belgische context werden de afgelopen jaren steevast een tweetal Brusselse zogenaamde ‘jihad moskeeën’ vernoemd in academische publicaties, met de pers die deze lijn overnam. De overheid liet begaan, maar na 9/11 werd de aandacht verscherpt. Het jihad discours van die moskeeën kreeg een duidelijke breuklijn: geen aanslagen op Europese grond.

Het is om die reden van dubbele houdingen – omdat de verzetsmoskeeën bovendien ook zelf vanwege de druk ontkennen dat ze ooit jongeren aangespoord hebben om voor de jihad te vertrekken – dat ik mezelf niet zo aangemoedigd weet om namen van predikanten op te geven. Ook al omdat die toch al gekend zijn. Het is voor mij belangrijker te weten dat de idee van jihad als gewapend verzet wereldwijd ruim verspreid is, maar dat, zoals ik betoog, er ‘evenveel’ moslims zijn (exacte cijfers hebben we niet) die geloven in een pacifistisch verzet. Ook een lijst opsommen van zogenaamde ‘jihad moskeeën’ en ‘niet-jihad moskeeën’ heeft geen zin. Het zijn niet enkel de zogenaamde grote Islamitische centra (moskeeën) die een politieke Islam promoten, die wat dit betreft opgemerkt kunnen worden. Sympathie in naam van de Islam voor onderdrukte moslimvolkeren vind je in alle moslim milieus waarin er altijd individuen te vingen zijn die geloven in een effectieve gewapende opstand. ‘Gewapende jihad’ als doctrine van defensieoorlog blijft vooralsnog populair.

Op dit moment ligt blijkbaar de breuklijn bij wat doorgaat voor daden van terreur. Alhoewel, over dit laatste wordt er getwist. Wanneer een Palestijn zich aan een bushalte opblaast, gaan er ook in Europa stemmen op die best wel gematigd zijn op heel wat vlakken maar die toch deze aanslagen als vorm van jihad goedkeuren. “De hele Israëlische bevolking is reservist in het leger. Dus, hier gaat de klassieke Islamitische regel niet op dat je enkel soldaten mag aanvallen”, zo krijg ik te horen. Ik vind dit zelf een gevaarlijke redenering, maar wat moet ik wanneer me de bal teruggekaatst wordt: “Omdat niet-moslim westerlingen enkel medeleven lijken te kennen wanneer ‘mensen van hun groep (blok)’ worden vermoord”? Deze patstellingen maken mezelf toch alleen maar méér pacifist en doen me denken dat elke vorm van bewapening een straatje zonder einde is. Maar uiteraard denkt niet iedereen daar zo over.

Laat me nog even in de huid kruipen van de ‘gematigde verzetsjihadist’. De laatste dagen is er veel te doen geweest over de Islamitische kern van Molenbeek die zogenaamd het Europese jihad bolwerk zou vormen. Wat ik hierover wil zeggen, en dat deed ik tevens op Facebook, is dat de Molenbekenaar wel degelijk een rechtvaardigheidsgevoel heeft. En zeker niet minder de straatjongeren. Dit stel ik al jaren vast in het Brusselse milieu. De Maghrebijnse Molenbeekse bevolking is om heel wat redenen gepolitiseerd, gaande van de toestanden in haar landen van oorsprong tot haar marginalisering ter plaatse en haar algemene stigmatisering (als zogenaamd zijnde ‘moslimradicaal’, lui, enz.).

Het drama is dat pakken overheidsgeld wordt gepompt in Molenbeek omdat we geen jobs voor die mensen weten te creëren. In die context ligt het probleem van radicalisering onder andere bij een deel van de jongeren die deze druk van werkloosheid niet aankunnen, wetend dat hun grootouders toen ze naar hier kwamen allemaal jobs zijn aangeboden geweest. In deze gemarginaliseerde context is het eerder humaan – of gewoon logisch – dat zij hun ogen niet willen sluiten voor de (sociale) slachtpartijen in hun thuislanden door dictatoriale regimes die door het Westen in stand worden gehouden. Na de aanslagen in Parijs van de afgelopen maand ging ik in Molenbeek aan de praat. Een man zei dat hij half Algerijns is, half Marokkaans. Hij verzekerde me dat hij er niet omheen kan dat naar zijn zeggen Frankrijk medeschuldig is aan de honderdduizenden die omkwamen tijdens de Algerijnse burgeroorlog in de jaren ‘90. Een Afrikaan uit Niger schreef op zijn Facebook dat hij de energie niet heeft om solidair te zijn met het Franse volk wier regering uranium afneemt in zijn thuisland voor de prijs van broodjes terwijl de lokale bevolking crepeert van ontbering.

Deze gemoedsstemmingen en gevoeligheden benoemde Jean Ziegler in 2008 samengevat als volgt in zijn boek met de gelijknamige titel: la haine de l'Occident, of: waarom het Westen gehaat wordt. Het is in dit klimaat van onmacht dat de moskeeën/islamitische centra niet van bovenaf een politieke Islam promoten, maar ermee aansluiten bij de lokale moslims die gepolitiseerd zijn vanwege het veelvoudige onrecht dat ze ondergaan. Deze verzetsmoskeeën zijn in staat om de onmacht van moslims te kanaliseren die in de Arabische wereld hun families en dus ook hun permanente geschiedenis hebben. Molenbeekse moslims krijgen al generaties lang berichten uit de eerste bron, en nu ook via satelliet TV en recent het internet. Komen daar nog bij de andere fragmentaties van onze samenleving, zoals echtscheidingen, enz. Bijvoorbeeld, de meeste jongeren die ik de afgelopen twintig jaar heb bekend die op straat belanden, missen een (sterke, ‘succesvolle’) vaderfiguur in hun leven. Geef die puberende jongeren, de jongens althans, een goeie grote broer, en het worden opnieuw rustige jongens. De huidige jihadist is tussen de 18 (zelfs 15) en 30. Het gaat om een generatie die nog niet eens heeft kunnen deelnemen aan het leven. Bij een vorige generatie lag dat gemiddeld tien jaar hoger, waren ze slechts met enkele tientallen per West-Europees land en waren ze vaak ook veel beter opgeleid en intellectueel ‘mee’. Met andere woorden, vandaag gaat het vaak nog over kinderen, en daarom moet er wel dringend nagedacht worden over hoe deze pijnlijke evolutie onder controle te krijgen.

Met dit alles is de complot theorie die ik de Molenbeekse, en in ruimere zin Brusselse moslim hoor uiten, niet uit de lucht gegrepen. “We willen met ‘dat soort’ Westen niets te maken hebben”, zo wordt de bal uit machteloosheid in het kamp van de ‘ander’ geschopt. Ramadan zegt wat dit betreft terecht dat de laatste noodzakelijke ‘integratie’ (als we dat woord toch moeten gebruiken) een psychische is, maar ook dat we de handen in elkaar moeten slaan om deze moslims uit hun malaise en zelfbeklag te halen. Ik geloof zelf ook dat we hier compleet falen. Hierover gaf ik op 21/11 naar aanleiding van de recente Parijse aanslagen een interview weg dat op vrijdag 27 november op Euronews werd uitgezonden. Het volgende stukje werd hieruit geselecteerd:

Wat ik sinds 20 jaar ervaar, is dat de jongeren – zogezegd van de ‘wijk’ – die wanneer ze op school zijn en er is een mondiaal probleem, zoals bijvoorbeeld de Israëlische aanval op Palestina, dan zijn ze geraakt. Ze zijn gekwetst. Dat is één zaak, en daarbovenop voelen ze zich vlug geviseerd en is er die stigmatisering. En zo zijn ze op school in een geagiteerde toestand. Het is een generatie jongeren die thuis op internet zit. Ze zijn in Molenbeek aan het radicaliseren, maar ze zijn niet in Molenbeek. Ze zitten met hun hoofd al in Syrië en ze kijken naar de propagandavideo’s en ze zien zichzelf al in Syrië. Ze beelden zich in dat ze er zijn. En je weet dat propaganda altijd mooi is. Men toont altijd de schone kant.” (1)

In deze moeilijke context: hoe moet het nu verder met het pacifistische Islamitische project en met het vredeproces tout court? Wat dit betreft, tijdens het Bozar debat viel me Ramadans antwoord op aan panellid professor Johan Leman die zich afvroeg of het vandaag in tijden van jihad doorbloei ondanks het smachten van volkeren naar gerechtigheid niet beter is om de leer van rechtvaardige oorlog te schrappen. Jihad als ruimer theologisch begrip betekent ‘een religieus streven voor de goeie zaak’, en dit hoeft niet per sé op een gewapende manier. Op die kritiek was ik in mijn eigen bespreking van vorige week dinsdag ingegaan vanuit mijn stille bezorgdheid dat zonder een ‘rechtvaardig leider’ aan het hoofd (de profeet Mohammed) het niet in de hand is te houden om religie, die altijd passie met zich meebrengt, te verbinden aan wapendracht in een context van oorlog, deze laatste die onvermijdelijk diepe kwetsuren graveert in de harten van mensen. Ik kwam op die idee door verder te denken op hervormers als Abdullahi An-Na’im (1950) en zijn leermeester Mahmoud Taha (1909-1985). Andere pacifistische redeneringen zijn mogelijk en zijn niet zeldzaam in de moslimwereld. Alleen, die stemmen komen te weinig aan bod zowel binnen de moslimwereld als in de media en vooral in de debatten. Tegenprogramma’s bestaan. Zo hebben dit jaar de gesubsidieerde culturele organisatie Citizenne in Brussel, en enkele andere organisaties, nagedacht over hoe het dominante mediabeeld van een militaristische en van een algemeen ‘verwerpelijke islam’ te breken. Een reeks avonden zijn geprogrammeerd om stromingen binnen de pacifistische Sufi islam in de schijnwerpers te plaatsen.

De ruimte is me hier niet gegeven om verder op dit thema in te gaan, maar het moet duidelijk zijn dat deze pacifistische strekkingen in de islam wel degelijk geëngageerd zijn in georganiseerd burgerverzet tegen onrecht. Alleen, als uitgangspunt willen ze dat er geen wapens worden ingeschakeld, terwijl ook lang niet altijd als eindpunt (wanneer de situatie al te levensbedreigend wordt). In termen van wat de progressieve moslimbeweging doet, zijn er uiteraard ook Islamitische verzetstrekkingen die aansluiten bij bijvoorbeeld het ‘niet-militaire’ Wereld Sociaal Forum (WSF) van de andersglobalisten. De pacifistische islamhervormer Mahmoud Taha wordt daaraan gelinkt, en ook Ramadan zoekt aansluiting met het WSF. Alhoewel, voor de Oxford hervormer is dit geen evidentie omdat er stemmen opgaan dat hij veel te conservatief is om aan de filosofie van de beweging gelinkt te kunnen worden.

Om te besluiten, uit voorliggende tekst mag gebleken zijn dat radicalisering, of die nu gematigd is of extreem, plaatsvindt in een ruimere context van onderdrukking, van onrecht en van onmacht waarop militaristische Islamitische strekkingen voor hun achterban inspelen. Lang niet elke verzetsjihadist hangt de eindtijdgerichte dodencultus aan van de jihad die wordt gepromoot door de Syrische zogenaamde Islamitische Staat (IS).

Noten

(1) Voor de volledige reportage die als vraag had, na de aanslagen Parijs van 13/14-11, ‘Waarom die link met Molenbeek?’: http://fr.euronews.com/2015/11/27/pourquoi-tant-de-terroristes-originaires-de-belgique/.

(*) Thierry Limpens (°1971) is theoloog. Aan de universiteit van Gent rondt hij een doctoraat af over de politieke ‘creatie’ van de ‘Boko Haram oorlog’. Aan de universiteit van Leuven werkt hij aan een doctoraat over de antropologie van hervormingsgezinde moslims in Brussel die zich door Tariq Ramadan laten inspireren.

Hij is actief in de Facebook groep ‘Belgen voor vrede’.