Image
Grafiek Turkije

Productie-output van de Turkse economie en het stemaandeel van de grootste Islamistische partij in Turkije, 1973-2019; Utku Balaban.

Het succes van de AKP in Turkije
Artikel
17 minuten

Turkije heeft vandaag het tweede langste ononderbroken Islamistisch bestuur ter wereld, na Iran. Toch was Islamisme tot de jaren 1980 een overwegend marginale politieke beweging in Turkije. 

Hoewel Islamistische partijen deelnamen aan de verkiezingen in de jaren 1970, brokkelde hun electorale basis snel af van 8% in 1973 tot 4% in 1984. De politieke omstandigheden veranderden drastisch na de jaren 1980. In 1994 wonnen de Islamisten het burgemeesterschap in de twee grootste steden van het land en in 2002 kwamen ze nationaal aan de macht met de nog steeds regerende Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling (AKP).    

Hoewel er geen eenduidig antwoord is op vraag waarom het lot van de Islamisten keerde, heeft de bloederige staatsgreep van 1980 zeker een rol gespeeld. De militaire junta wierp de burgerregering omver, ratificeerde een ondemocratische grondwet en ontmantelde het ontwikkelingsbeleid van de Koude Oorlog dat een industrialisatie had gefaciliteerd waarin geïmporteerde goederen vervangen werden door intern geproduceerde goederen.

De Islamistische revival viel samen met deze verschuiving van importsubstitutie naar een exportgerichte industrialisatiestrategie. Het electoraal aandeel in de stemmen van de grote Islamistische partijen van die tijd (de Welvaartspartij, de Deugdpartij en dan de AKP) valt in feite nauw samen met de ups en downs van de nationale productie-output tussen 1987 en 2019 (zie bijgevoegde grafiek). De Islamisten volgden dus de exportgerichte industrialisatiestrategie die ingevoerd werd door de seculiere militaire junta.

Deze gedeelde benadering van ontwikkeling verklaart op zijn minst gedeeltelijk waarom de spanningen tussen de Islamisten en de (niet-socialistische, middenklasse) secularisten beperkt blijft tot niet economische kwesties zoals kledingvoorschriften, het consumeren van alcoholische dranken en de geschiedenis van de vroege Republikeinse periode. De focus op deze breuklijn tussen Islamisten en secularisten gaat voorbij aan het verband tussen de late industrialisatie en de Islamistische heropleving, en overbenadrukt de culturele en politieke oorzaken van spanningen tussen secularisten en Islamisten. 

De kleine en middelgrote productiebedrijven vormen een van de belangrijkste partners van de Turkse Islamisten.

Als we de allianties van de Islamisten bekijken in plaats van hun breuklijnen met anderen, zien we dat de kleine en middelgrote productiebedrijven -de kleine industriëlen- één van hun belangrijkste partners zijn. In de jaren 1980 was er een enorme stijging van het aantal kleine productiefaciliteiten. Deze ondernemingen waren voornamelijk actief in stedelijke arbeidersgemeenschappen en hadden minder dan 50 werknemers in dienst. Volgens het Turks Instituut voor Statistiek (TUIK) startten tussen 1985 en 2001 meer dan 140.000 kleine bedrijven op, vooral in de confectiesector. Om dit in perspectief te plaatsen: de Turkse economie omvatte in 2019 ongeveer 400.000 bedrijven.

Deze sweatshops stelden miljoenen pas van de rurale gebieden geëmigreerde migranten aan het werk, die er zich niet van bewust waren dat het stedelijk en industrieel landschap voor 1980 gedomineerd werd door socialistische en linkse vakbonden. Samen met kleine aannemers in de bouw, huisjesmelkers in sloppenwijken en winkeliers in de arbeidersgemeenschappen, vormen deze kleine industriëlen een nieuwe middenklasse. De alliantie tussen de Islamisten en deze middenklasse is een sleutelfactor achter hun decennialange succes. 

De opkomst van de kleine industriëlen

Ondanks hun belang voor het succes van de Islamisten, hebben kleine industriëlen als groep niet de aandacht gekregen die ze verdienen [in analyses]. Een van de redenen waarom ze over het hoofd gezien worden door academici is de stilzwijgende maar hardnekkige overtuiging dat vrome ondernemers een intrinsiek politiek naar het Islamisme neigen vanwege hun religieuze geloof. Studies over Islamistische ondernemers in Turkije kijken dus niet nauwgezet genoeg naar de relatie tussen deze specifieke sector en zijn omvang enerzijds, en politieke affiliatie anderzijds. Vrome ondernemers worden over het algemeen voorgesteld als een verenigd blok dat wedijvert met de oudere (en zogenaamd niet-Islamistische) ondernemersgroepen, ongeacht de specifieke kenmerken van hun bedrijven.

Het beschouwen van bepaalde ondernemers als inherent Islamistisch maakt het moeilijk om de evolutie van de allianties van ondernemersgroepen (zoals de kleine industriëlen) met Islamisten in een historische context te plaatsen of om de processen te doorgronden die deze allianties tot stand hebben gebracht. De geschiedenis van deze relatie tijdens en na de ineenstorting van Turkije’s industrialisatiestrategie aan het einde van de jaren 1970 biedt een globaal perspectief op de Islamistische heropleving.

Tijdens de Koude Oorlog werd het ontwikkelingsdenken (‘developmentalism’) geadopteerd in heel wat postkoloniale landen door een coalitie van overheidsbureaucraten, industriëlen gesponsord door de staat en hun binnenlandse dochterondernemingen als een niet-socialistische manier om nationale welvaart te bereiken. In de nasleep van de oliecrisis in de jaren 1970 zochten deze ontwikkelingsdenkers naar beleidsalternatieven, soms met succes en soms niet. Het algemene beleidsrecept na het tijdperk van het ontwikkelingsdenken was het inperken van de overheidscontrole op productie- en financiële industrieën, het stimuleren van exportgerichte groei en bezuinigingen op de sociale uitgaven. Dit nieuwe en alom gevolgde beleid was in feite gericht op groei en niet per se op ontwikkeling.

Naast het invoeren van deze nieuwe reeks beleidsmaatregelen, vergemakkelijkten de timing en de ernst van de crisis in het ontwikkelingsdenken, alsook de daaruit voortvloeiende reacties bij de ontwikkelingsinstellingen, de opkomst van nieuwe economische belangen. 

De Turkse staatsgreep in 1980 maakte de weg vrij voor een machtsovername van de Islamisten.

Het is niet toevallig dat de revolutie in Iran plaatsvond in 1979 en de Turkse staatsgreep in 1980. Beide politieke gebeurtenissen maakten de weg vrij voor een machtsovername van Islamisten, zij het op verschillende manieren. Volgens de Wereldbank waren Iran en Turkije in 1980 de meest geïndustrialiseerde landen in de moslimwereld. In Iran was het regime terughoudend bij het uitgeven van de groeiende olie-inkomsten aan herverdelingsmaatregelen. De daaruit voortvloeiende onvrede veroorzaakte sociale onrust bij de stedelijke arbeidersklasse, die uiteindelijk gekaapt werd door de Islamisten.

Het is niet verrassend dat de Islamisten in de politieke oppositie in andere olie-rijke landen er niet in slaagden om hetzelfde succes te boeken tegen de politieke elites als in Iran. Die elites hadden doelbewust de ontwikkeling van alle industriële sectoren -behalve de ontginning van mineralen- vertraagd, waardoor ze het ontstaan van een sterke oppositie vermeden.

Anders dan in Turkije gaven gelijkaardige neoliberale hervormingen in andere niet-olierijke landen in het Midden-Oosten, zoals Egypte en Tunesië, niet voldoende macht aan de nieuwe economische belangen om een transformatieve rol te spelen in de politiek, noch in alliantie met de Islamisten, noch met een andere beweging. De Islamisten in deze landen slaagden er dus niet in om het establishment effectief aan te vechten. 

Turkije breidde zijn industriële output sneller uit dan de meeste andere landen met een moslimmeerderheid en niet-olierijke landen in de naoorlogse periode, maar het succes bracht een prijs met zich mee: de Turkse productie-industrieën konden hun afhankelijkheid van buitenlandse intermediaire goederen (halffabricaten en productie-onderdelen) niet verminderen, wat een chronisch tekort aan buitenlandse valuta creëerde. De snelle industriële groei sinds de jaren 1960 verergerde zo de ernst van de economische crisis in de late jaren 1970. Het ontwikkelings-establishment in Turkije moest dus uitgebreidere hervormingen invoeren dan hun tegenhangers in andere landen met een moslimmeerderheid.

Terwijl de Turkse regeringen van korte duur hulpeloos stonden ten opzichte van de aanhoudende recessie, breidden verschillende socialistische facties en partijen geleidelijk hun invloed uit in de arbeidersgemeenschappen en provinciale regio’s van het land. Als reactie op de economische crisis en de politieke expansie van de socialisten nam het leger het bestuur over in 1980. De militaire junta nam in 1982 een nieuwe grondwet aan die de overheidsinstellingen afstemde op het dienen van een nieuw exportgericht groeiregime. Vakbonden werden gesloten. Honderdduizenden socialisten werden gevangengezet en gemarteld. Tientallen van hen werden geëxecuteerd.  

De jaren 1980 kende de hoogste graad van post-oorlogse verstedelijking in Turkije. Dalende landbouwsubsidies en de liberalisering van de landbouwinvoer stuwde de mensen naar de steden. De stedelijke bevolking sprong in slechts een decennium omhoog van 43% naar 60%. Van de landen met een bevolking van meer dan 10 miljoen had Turkijke tussen 1980 en 1990 de derde grootste verstedelijkingsgraad, de op drie na snelste groei van toegevoegde waarde in de productie en de op twee na snelste stijging van de export van goederen. 

De jaren 1980 waren dus hét decennium van de kleine industriëlen, die een duidelijke klassepositie hadden. De inkomens van deze ondernemers, die gemiddeld een paar tiental arbeiders in dienst hadden, kwamen ongeveer overeen met de inkomens van beoefenaars van vrije beroepen die een hogere opleiding vereisen (advocaten, dokters, enz). Ze waren geen ‘roversbaronnen’, maar slechts aanhangsels van mondiale goederenketens.

Hoewel beperkt, maakte hun inkomensstroom van hen een gerespecteerde elite in hun arbeidersgemeenschappen. Met andere woorden, hun invloed op het arbeiderselectoraat op nationaal niveau berustte niet zozeer op de rijkdom die ze bezaten maar op hun geprivilegieerde socioculturele toegang tot deze gemeenschappen in het dagelijks leven. In veel gevallen woonden kleine industriëlen of hun naaste familieleden in dezelfde buurten als hun werknemers. Vaak bezaten ze ook panden die hun werknemers huurden. Ze hadden een zichtbare aanwezigheid in de door mannen gedomineerde openbare ruimtes zoals de moskeeën en koffiehuizen. Gezien hun relatief hoge socio-economische status, hadden ze een grote invloed op de politieke en culturele opvattingen van de arbeiders in deze gemeenschappen. 

De invloed van kleine industriëlen op het arbeiderselectoraat berust op hun socioculturele toegang tot deze gemeenschappen. 

Ondanks deze potentiële politieke macht waren kleine industriëlen ook onderhevig aan de grillen van het nationale beleid. Veranderingen in handelsovereenkomsten of milieuregulering, alsook een strengere handhaving van de arbeidswetgeving, konden ondernemingen bijvoorbeeld van de ene op de andere dag te gronde richten.

Met hun economisch lot vastgehecht aan het overheidsbeleid waren de kleine industriëlen op zoek naar een betrouwbare partner in de nationale partijpolitiek. Tegelijkertijd waren de Islamisten, die de politieke leegte achtergelaten door de socialisten in de snel aangroeiende arbeidersbuurten aan het innemen waren, op zoek naar een lokale partner. 

De alliantie tussen kleine industriëlen en Islamisten

De alliantie tussen de kleine industriëlen en Islamistische politici die zich begon te vormen in de jaren 1980 wierp vruchten af in 1994 met de nipte overwinningen van de Islamisten in de gemeenteraadsverkiezingen van Ankara en Istanboel, de twee grootste steden van Turkije. De Islamisten verhoogden hun stemmenaandeel in de jaren 1990 bijna uitsluitend in de steden waar de groei van de goederenproductie boven het landelijke gemiddelde lag. Bovendien kwam het grootste deel van hun stemmen uit de arme arbeidersdistricten van deze steden. Daarnaast maakte Recep Tayyip Erdoğan zijn debuut in de nationale politiek met de verkiezingen van 1994.

De stijging van de kleine industriële productie zette zich de rest van de jaren 1990 verder. In 1997 bestond meer dan een derde van de Turkse export uit textiel en confectiekleding. Kleine industriëlen in deze sectoren waren nu gezamenlijk de grootste exporteur en werkgever van het land. De economische crisis van 2001, destijds de ergste in de geschiedenis van de moderne Turkse economie, devalueerde de Turkse munt drastisch en stimuleerde de export van de kleine industriëlen. 

Versterkt door de crisis, bleek de steun van de kleine industriëlen voor de oppositie binnen de grootste Islamistische partij van die tijd -de Welvaartspartij- van cruciaal belang te zijn. De partijleiding had een oude ontwikkelingsretoriek aangenomen die opriep tot het opbouwen van nationale zware industrieën en die uitgesproken herverdelingsboodschappen omvatte om de arbeiders aan te spreken. Maar sommige partijleden, zoals Erdoğan, realiseerden zich dat hun boodschap moest veranderen als ze nationaal aan de macht wilden komen. Ze zouden de alliantie met de kleine industriëlen moeten verstevigen en tegemoet moeten komen aan de nieuwe realiteiten van de exportgerichte groeistrategie van de staat. Ze beantwoordden aan deze behoefte door zich af te scheuren van de Welvaartspartij en in 2001 de AKP op te richten. De tijd was gekomen voor kleine industriëlen om de Islamistische beweging over te nemen. Erdoğan plukte hiervan de vruchten toen de AKP aan de macht kwam in de verkiezingen van 2002.

Het exportgeleide groeimodel van Turkije bereikte zijn hoogtepunt in de late jaren 2000. Terwijl deze strategie gebaseerd was op het drukken van de lonen in de arbeidsintensieve lichte productie-industrieën en het beperken van de sociale diensten voor arbeiders, ondermijnde de revaluatie van de Turke lira geleidelijk de exportgroei. Het Chinese lidmaatschap van Wereldhandelsorganisatie in 2001 tastte gradueel de Turkse loonconcurrentie aan.

In de jaren 2000 begon Turkije energie- en grondstofintensieve productiesectoren uit te breiden zoals de kabel-, gelamineerd hout- en tapijtindustrieën, die omwille van hun lage winstgevendheid niet langer interessant bevonden werden door Europese bedrijven. De keerzijde van de groei van deze gevaarlijke sectoren was de hausse van de invoer van machinerie en materiaal door kleine industriëlen, wat chronische tekorten op hun lopende rekeningen veroorzaakte. In deze hardere mondiale omgeving werden de kleine industriëlen afhankelijk van overheidsmiddelen.

De Islamisten moedigden informele tewerkstellingspraktijken in de kleine industriële ondernemingen aan en creëerden verschillende subsidieprogramma’s zoals het Kredietgarantiefonds. Dit fonds verschafte onderpand voor meer dan 840.000 kleine en middelgrote ondernemingen voor een totaal leenvolume van 82 miljard dollar tussen 2015 en 2020, het equivalent van 11% van het Turks Binnenlands Product van 2020. De actieve steun van de AKP hield niet alleen de kleine industriëlen in de grootstedelijke gebieden in leven, maar creëerde ook een nieuw kader van kleine en middelgrote industriëlen in provinciale steden en dorpen, waar het Islamisme van de grote steden pas overgenomen werd nadat industrieel kapitaal naar deze plaatsen begon te vloeien in de jaren 2000. 

Erdoğan intervenieerde in de Syrische burgeroorlog als een remedie voor de groeiende economische problemen van Turkije.

Deze transformatie had ook gevolgen voor het buitenlands beleid van Turkije in de jaren 2010. Erdoğan en zijn handlanger, Ahmet Davutoğlu, intervenieerden bijvoorbeeld in de burgeroorlog in Syrië als een remedie voor de groeiende economische problemen van het land. Ze geloofden dat de jihadisten de Syrische president Bashar al-Asad gauw zouden omverwerpen en een einde zouden maken aan het conflict. Het geloof in een snelle jihadistische overwinning was zo groot dat Turkse overheidsinstellingen zelfs tijdens het hoogtepunt van de burgeroorlog rapporten bleven publiceren over investeringsmogelijkheden in Syrië. Het oorspronkelijk grootse plan van de Raad van Buitenlandse Economische Relaties van Turkije, dat mikte op de reconstructie van heel Syrië, werd vervangen door een nieuwe, meer bescheiden versie.

Dit ingeperkte plan was een van de factoren achter Turkije’s bezetting van (of via plaatselijke bondgenoten controle over) een groot gebied in het noorden van Syrië, dat voordien onder controle stond van de Koerdische beweging. De bezette regio’s ontvangen nu aanzienlijke investeringen van Turkse bedrijven in infrastructuurprojecten. Bovendien profiteren kleine industriëlen van de miljoenen onderbetaalde Syrische vluchtelingen die vandaag werken in de hete overbevolkte sweatshops in alle grote Turkse steden. In plaats van ze te werk te moeten stellen in Syrië, kunnen kleine industriëlen gebruik maken van deze goedkope arbeidsbron in Turkije. 

Het begin van de jaren 2010 betekende een keerpunt voor de Islamisten. De AKP kreeg in de parlementaire verkiezingen van 2011 twee maal zoveel stemmen als de belangrijkste oppositiepartij, de Republikeinse Volkspartij (CHP), en genoot de grootste electorale steun in haar geschiedenis. Dankzij AKP-onderhandelingen met de Koerdische beweging was er een einde gekomen aan een drie decennia lange burgeroorlog. De invloed van het leger op de Turkse politiek werd in belangrijke mate ingeperkt. Kortom, de politieke omstandigheden waren ideaal voor een nieuwe groeistrategie op lange termijn.

De Islamisten hadden op dat moment kunnen beginnen investeren in het menselijk kapitaal van hun land om de zogenaamde ‘middeninkomenval’ te proberen vermijden [een economische vertraging omdat een land zijn concurrentievoordeel in de export van industrieproducten verliest en tegelijk de hoog ontwikkelde economieën niet kan bijhouden]. Maar indien succesvol had deze strategie de kleinschalige productiebasis in de arme woonwijken van de grote steden uitgehold, wat dan weer de alliantie tussen de Islamisten en de kleine industriëlen in gevaar zou brengen en de electorale basis van de Islamisten in de steden zou decimeren.

In plaats daarvan lieten de Islamisten de economie krimpen. Veel regerende partijen in opkomende economieën, bijvoorbeeld de Arbeiderspartij in Brazilië, probeerden de economische vertraging wel om te buigen, maar verloren in de jaren 2010 toch de macht. De Islamisten in Turkije waren echter enkele van de architecten van de economische vertraging en konden ervan profiteren. 

Deze strategie, die “duurzame achteruitgang” zou kunnen worden genoemd, was niet noodzakelijk in strijd met de modus operandi van een exportgericht groeibeleid. Bovenop regeringssubsidies zorgden dalende reële lonen doorheen de jaren 2010 voor een stijging van nieuwe kleine productieondernemingen. Tijdens de eerste tien jaren van de AKP-regering was het aantal nieuwe productiebedrijven gedaald tot ongeveer 3000 per jaar door de snelle groei van de productie-output in China, die het concurrentievoordeel van de kleine en middelgrote Turkse productiebedrijven verminderde.

Niettemin nam het aantal nieuwe productiebedrijven per jaar weer toe gedurende de jaren 2010, tot 14.000 nieuwe ondernemingen in 2020. 97% van deze ondernemingen waren kleine productiefaciliteiten met minder dan 50 werknemers en een jaarlijkse omzet van minder dan 10 miljoen euro. De officiële statistieken die beschikbaar zijn sinds 1985 onthullen dat een dergelijke snelle groei van het aantal productiebedrijven alleen maar eerder plaatsvond in de jaren 1990, toen de Islamisten hun eerste verkiezingsoverwinningen boekten. 

Het controleren van straten, winkelvloeren en geesten

De aanwezigheid van kleine industriëlen in stedelijke gebieden is een cruciaal element gebleken bij het aanhoudend electoraal succes van de Islamisten. In de verkiezingen van juni 2019 verzamelde de AKP-kandidaat voor het burgemeesterschap in Istanboel een aandeel in de stemmen dat boven het stadsgemiddelde lag in districten waar ongeveer 70% van de leden van de Kamer van Koophandel van Istanboel actief was in de confectie-industrie.

De AKP staat bijvoorbeeld historisch sterk in het district Bağcılar. In 2008, toen ik daar veldwerk deed, was dit het meest bevolkte district van Istanboel en waren er in woongebouwen meer dan 9000 productiefaciliteiten gevestigd. Dat betekent dat er in elke straat gemiddeld 2,5 sweatshops waren. De kandidaat van de AKP kreeg tijdens de verkiezingen van juni 2019 het vijfde hoogste aantal stemmen (56%) in Bağcılar, achter vier andere districten die een gelijkaardig hoog aantal sweatshops tellen (Sultanbeyli, Esenler, Arnavutköy en Sultangazi).

De alliantie tussen Islamisten en kleine industriëlen is zo succesvol dankzij de regulering van de sociale interacties van arbeiders.

Wat het partnerschap tussen de Islamisten en de kleine industriëlen zo succesvol maakt is de capaciteit om sociale interacties onder de leden van de arbeidersgemeenschappen te reguleren. Hun alliantie stelt sociale grenzen voor deze gemeenschappen die hen isoleren van de ‘ongewenste’ socioculturele invloeden van potentiële rivalen en uitdagers van de Islamisten – zowel binnen de gemeenschap als daarbuiten. De alliantie maakt meer bepaald gebruik van drie onderling verbonden sociale controlemechanismen.

De eerste is gebaseerd op toezicht door de buurtgemeenschap. In Bağcılar, leven en interageren meer dan 700.000 mensen in een gebied van ongeveer 20 km². Meer dan 30% van de woongebouwen omvat een winkel, koffiehuis of sweatshop. De kleine industriëlen en winkeliers die gelijkaardige belangen hebben wat betreft hun relaties met werknemers, hebben op die manier een enorm efficiënt sociaal surveillancesysteem.

Een ander controlemechanisme is gebaseerd op overwerk. Door shiften van 11 tot 13 uren te werken, verliezen de meeste arbeiders de mogelijkheid om nieuwe sociale relaties aan te knopen en solidariteitsnetwerken op te bouwen die de controle door de alliantie tussen kleine industriëlen en Islamisten zou kunnen omzeilen.

Ten slotte ontwikkelen Islamisten een dynamisch narratief dat tegemoet komt aan de noden van de kleine industriëlen in hun interacties met hun arbeidersgemeenschappen. Dit narratief omvat richtlijnen over het alledaagse leven en over seksuele interactie, en rituelen en dagelijkse praktijken die, zoals de leden van deze gemeenschappen verteld wordt, religieuze puurheid zullen verzekeren. Het narratief is dynamisch omdat het inspeelt op de nieuwe realiteiten van het sociale en politieke leven, zoals het groeiend belang van de sociale media. 

Het politiek milieu in arbeidersklassewijken is een product van deze methoden van sociale controle. Samen met huisbazen, winkeliers en kleinschalige aannemers in de bouw, domineren de kleine industriëlen de gemeenschappen economisch via hun sweatshops. Arbeiders zijn voor hun levensonderhoud afhankelijk van kleine industriëlen.

In deze omgeving genereren en verspreiden Islamisten een wereldvisie die de leden van de arbeidersgemeenschappen van elkaar en anderen buiten de gemeenschappen isoleert. Sociale isolatie maakt het moeilijk, zo niet onmogelijk, voor arbeiders en hun families om collectieve actie te organiseren gericht tegen werkgevers en religieuze leiders.

Stemmen voor de Islamistische partij wordt een daad die de arbeiders helpt met het rechtvaardigen van de sociale druk -in de vorm van toezicht, overwerk en het reguleren van de zelfperceptie als een constructief element van de sociale orde- om een ascetische morele band te creëren met (en de woede te overstijgen tegenover) hun werkgevers, en moet hun gemeenschap verdedigen tegen externe bronnen van spirituele corruptie. In zover hun rivalen gedemoniseerd worden, hebben de Islamisten een duidelijke aantrekkingskracht in de ogen van de arbeiders in deze gemeenschappen. 

Islamisten in Turkije spelen een gevaarlijk spel. Aan de ene kant is het electoraat gefrustreerd over de dalende lonen. Het gemiddelde inkomen per persoon in Turkije is tussen 2013 en 2020 gekrompen van ongeveer 12.500 dollar tot 8500 dollar per jaar. Aan de andere kant staat elke nieuwe productiefaciliteit gelijk aan jobs voor de stedelijke arbeidersklasse en de voortdurende (onderdrukkende) aanwezigheid van kleine industriëlen in deze gemeenschappen als bondgenoten van de Islamisten. Hoewel het onmogelijk is om de resultaten van de volgende verkiezingen te voorspellen, heeft deze strategie tot nu toe haar nut bewezen, aangezien de AKP er het afgelopen decennium in geslaagd is om haar electorale basis in de stedelijke arbeiderswijken veilig te stellen, ondanks de groeiende onvrede over de economische achteruitgang.   

Hoewel nepotisme, vriendjespolitiek en onbekwaamheid een rol spelen in de enorme economische mislukking van Islamistische regeringen, zijn het niet de Islamisten die er de prijs voor betalen. En terwijl een cliëntelistisch sociaal welzijnsbeleid de Islamisten helpt om stemmen te kopen, zien de armen dergelijke inkomensoverdrachten nu meer als een recht dan als een gunst.

De kloof tussen secularisten en Islamisten is niet langer het centrale punt van de Turkse politiek.

Tot slot, hoewel de strijd tussen de secularisten en de Islamisten een belangrijke rol speelde bij de totstandkoming van de Islamistische retoriek, is deze kloof niet langer het centrale punt van de Turkse politiek. De twee rivaliserende electorale kampen -vertegenwoordigd door de AKP en de CHP- hebben nu allebei seculiere en Islamistische facties. De meest gewelddadige politieke botsing van het afgelopen decennium was er een tussen twee Islamistische groepen, respectievelijk onder leiding van Erdoğan en Fethullah Gülen, een in de VS gevestigde moslim geestelijke, en niet tussen Islamisten en secularisten.

Hoewel deze dynamieken allemaal relevant zijn bij het aan de macht houden van de Islamisten, blijft de sleutelfactor achter hun aanhoudend politiek succes hun vermogen om de straten, de winkelvloeren en de geesten van de armen in de arbeidersbuurten te controleren.

Dit artikel verscheen eerder in MERIP.


Iets fout of onduidelijk gezien op deze pagina? Laat het ons weten!

Thema
Land

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze digitale nieuwsbrief.