Image
Belgisch leger

Shutterstock.com

Het verontrustende Arizona-project om militairen in onze straten te normaliseren
Artikel
7 minuten

Begin september 2025 stelde minister van Binnenlandse Zaken Bernard Quintin (MR) zijn 'Grootstedelijk Plan' voor ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, de drugshandel en het toenemende aantal schietpartijen in Brussel. Een van de aangekondigde maatregelen was de terugkeer van militairen in de straten van de hoofdstad (en andere grote steden in België). Gemengde politie- en legerpatrouilles moesten “zo snel mogelijk” gelanceerd worden.

Sindsdien is het echter stil gebleven. Ondanks het herhaald aandringen van de Franstalige liberalen, lijkt minister van Defensie Théo Francken (NV-A) -op het eerste gezicht tegenintuïtief- op de rem te staan. Maar de inzet van militairen in de straten wordt op opportunistische wijze in het publieke debat gebracht door MR-mandatarissen. Zo richten ze zich op details, terwijl Théo Francken naar het grotere plaatje kijkt.

Herinvoering van hetzelfde?

Door de inzet van Belgische soldaten in de publieke ruimte voor te stellen als een tijdelijke noodmaatregel tegen de schietpartijen in Brussel, wil de liberale partij snel schakelen en de ervaring herhalen van ‘Vigilant Guardian’, de binnenlandse operatie van het Belgisch leger die werd gelanceerd in januari 2015, na de terroristische aanslag op het politiek-satirische blad 'Charlie Hebdo' in Parijs.

Op 17 januari 2015, om 7 uur 's ochtend, werden de eerste 150 Belgische militairen ingezet in Brussel en Antwerpen voor statische bewakingsopdrachten. De precieze ‘rules of engagement’ voor de militairen werden niet openbaar gemaakt. Vier zaken werden echter wel bevestigd door het Belgisch leger: de militairen mogen niet patrouilleren, ze vallen onder het gezag van de politie, ze mogen geen identiteitscontroles uitvoeren en ze mogen enkel dodelijk geweld gebruiken om goederen of gebouwen te beschermen wanneer de wettelijke voorwaarden voor zelfverdediging vervuld zijn.

Later dat jaar kreeg deze operatie een heel ander gezicht als gevolg van de terroristische aanslagen in Parijs op 13 november 2015. De dreiging voor Brussel werd door het Orgaan voor de Coördinatie en de Analyse van de Dreiging (OCAD) verhoogd naar niveau 4. De Belgische hoofdstad verkeert feitelijk in staat van beleg: het openbaar vervoer wordt stilgelegd, scholen en kinderdagverblijven blijven dicht. Er waren 1.428 militairen aanwezig in de straten van het land. Ze patrouilleerden, onder meer op en rond het openbaar vervoer, in winkelcentra en nabij scholen. Er werden ook lichte gepantserde voertuigen ingezet. Hoewel de militairen effectief beginnen te patrouilleren, blijven dezelfde rules of engagement gelden als tijdens de statische fase: ze mogen alleen geweld gebruiken in geval van wettige zelfverdediging.

Operatie Vigilant Guardian werd als tijdelijk aangekondigd, maar zou uiteindelijk zes jaar duren.

Achter het gevoel van urgentie, schuilt een doordacht project

Meer dan alleen inspelend op het gevoel van urgentie na de recente schietpartijen in Brussel, wordt de wens om militairen in te zetten in de publieke ruimte al langer verdedigd in de programma’s van verschillende meerderheidspartijen. Deze ambitie is ook opgenomen in het Arizona-regeerakkoord, dat een “versterkt Kanaalplan” wil uitrollen om “georganiseerde criminaliteit en radicalisering actief te bestrijden”. Een nieuw plan dat “noodzakelijk” is geworden door “structurele capaciteitsproblemen bij de lokale veiligheidsdiensten”.

Quintins Grootstedelijk Plan sluit op die manier aan bij het 'Kanaalplan' van Jan Jambon, dat in 2016 werd gelanceerd door de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken om “Molenbeek op te kuisen”. (Later werd het plan ook uitgebreid naar meerdere gemeenten in de zogenaamde kanaalzone.) Terwijl Vigilant Guardian toen al liep, heeft het Kanaalplan het principe bestendigd en uitgebreid - al was het nog steeds onwettig en ineffectief. 

Het inzetten van militairen voor de handhaving van de openbare orde is door de wetgever streng omkaderd, en moet in een rechtsstaat altijd het allerlaatste redmiddel zijn.
Volgens Artikel 43 van de Wet inzake Organisatie van een Geïntegreerde Politiedienst, kan de burgemeester alleen een beroep doen op het leger “wanneer noch de lokale politie, noch de federale politie over voldoende middelen beschikken om de openbare orde te handhaven of te herstellen” en in geval van “ernstige en onmiddellijke bedreigingen voor de openbare orde”. Aan deze dubbele voorwaarde werd in januari 2015 niet voldaan op het moment dat het leger ontplooid werd in de straten, aangezien er geen sprake was van “ernstige en onmiddellijke dreigingen” overeenkomend met dreigingsniveau 4 van het OCAD. Bovendien waren er geen duidelijke aanwijzingen dat de federale politiereserve uitgeput was. 

Laten we ook niet vergeten dat de inzet van het leger op straat aanvankelijk beperkt zou blijven tot het stationeren van militairen voor doelwitten die als "zeer gevoelig" worden beschouwd, om zo extra politie-eenheden vrij te maken voor mobiele opdrachten en onderzoek. Het feit dat militairen later toch mochten patrouilleren, vormde een bijkomende bijzonder problematische stap.

De federale regering is zich ten volle bewust van deze wettelijkheidskwesties. Toch voorziet het Arizona-regeerakkoord in de oprichting van “een territoriale defensiereserve binnen het Belgische leger, gericht op de verdediging van het grondgebied, […], de beveiliging van nucleaire sites en ambassades, en de beveiliging van locaties die permanent op OCAD-dreigingsniveau 3 staan, evenals van de petrochemische sector”. Zo wil de regering de aanwezigheid van militairen op straat op plaatsen met dreigingsniveau 3 veralgemenen, maar benadrukt ze wel de statische aard van de aanwezigheid door te verzekeren dat “gemengde [mobiele] patrouilles [met de politie] alleen zijn toegestaan in geval van een imminente dreiging van niveau 4”.

Naar de oneindigheid en verder

Begin oktober herhaalde minister Quintin zijn vraag om militairen te laten patrouilleren in Brussel en hij “wil heel duidelijk zijn”: hij is “voor de inzet van militairen […], maar zonder hen dezelfde bevoegdheden en opdrachten te geven als de politie. Dat is niet nodig, noch wenselijk”. Hij wil dus terugkeren naar de situatie die gold tijdens de tweede fase van operatie Vigilant Guardian. Daarmee stelt Bernard Quintin voor om verder te gaan dan wat voorzien is in het regeerakkoord van de Arizona-coalitie.

Drie weken eerder benadrukte Théo Francken nog dat hij -uiteraard!- ook voorstander is van de inzet van militairen. Maar hij wil nog verder gaan in het gebruik van dit instrument en wil daarom zijn tijd nemen. Hij vindt het namelijk “simpelweg gevaarlijk” dat militairen op straat patrouilleren “zonder te kunnen ingrijpen”. Hij verduidelijkt: “Er moet een juridisch kader komen dat het mogelijk maakt om te fouilleren, een identiteitskaart te controleren of, indien nodig, mensen te boeien. Dat is essentieel.” Daarom kondigde hij aan dat Belgische militairen pas na 8 april 2026 in de publieke ruimte zullen worden ingezet. Op die datum treedt immers het nieuwe strafwetboek in werking. En het is op basis van een nieuw artikel in dat strafwetboek, dat hij zijn project voor een 'Defensiewetboek' wil vormgeven – een project dat momenteel binnen de regering wordt besproken. Dit Defensiewetboek zou in theorie vóór Kerstmis aan het parlement worden voorgelegd met het oog op, zo verzekert Francken, “het organiseren van een essentieel debat over de vraag of militairen politietaken mogen uitvoeren”.

Het project heeft dus als doelen de normalisering van een zowel statische als mobiele militaire aanwezigheid in de straten zonder verwijzing naar een door het OCAD vastgesteld dreigingsniveau, en een wijziging van de wet zodat militairen politiebevoegdheden krijgen inzake ordehandhaving en gebruik van dwang.

Naar het Franse model?

Tijdens de eerste besprekingen van dit project in de Defensiecommissie van de Kamer vergeleken verschillende parlementsleden het plan dat ontwikkeld wordt op het kabinet van minister Francken met het Franse model. Gezien de beperkte informatie die op het moment van schrijven beschikbaar is, is het moeilijk te beoordelen of deze vergelijking terecht is.

In Frankrijk zijn de bevoegdheden van militairen die op nationaal grondgebied worden ingezet in ieder geval sterk geëvolueerd sinds het eerste ‘Vigipirate’-plan dat door Nicolas Sarkozy werd gelanceerd. In het verlengde daarvan presenteerde Frankrijk in 2020 “een nieuw juridisch kader voor militair optreden op eigen bodem tegen terrorisme”. 

Zoals de 'Fondation pour la recherche stratégique' benadrukt, “zijn de belangrijkste aanpassingen de uitbreiding van de specifieke regels die gelden voor gendarmes naar alle veiligheidstroepen die op het nationaal grondgebied worden ingezet, en de invoering van een nieuwe strafrechtelijke rechtvaardiging, die verder gaat dan legitieme zelfverdediging”. De Franse strijdkrachten mogen voortaan “het vuur openen in twee speciale situaties: ter bescherming van militaire installaties om een intrusie in zeer gevoelig militair gebied te voorkomen, en in geval van samenscholingen in de context van de handhaving van de openbare orde”. Deze bevoegdheden voor Franse militairen werden mogelijk gemaakt door een nieuwe “strafrechtelijke rechtvaardigingsgrond” toe te voegen aan "wettelijke zelfverdediging", voor situaties waarin zij geweld gebruiken tegen personen die op een gevaarlijke, dodelijke manier op de vlucht slaan".

De maatregelen die nodig zijn om de georganiseerde misdaad en schietpartijen in Brussel te bestrijden, zijn bekend. Ze hebben weinig te maken met het inzetten van militairen in de straten van onze steden. Maar een dergelijke inzet heeft als -enige?- verdienste dat het de indruk wekt dat de regering het probleem ernstig neemt. Op die manier zet ze haar dwingende mars richting militarisering van onze samenleving voort, na op 13 november een brief te hebben gestuurd naar 149.000 Belgische minderjarigen om hen uit te nodigen voor een “vrijwillige legerdienst” - een ander project van Arizona, “cruciaal voor de ontwikkeling en versterking van de militaire reserve”. Diezelfde militaire reservisten die, zoals vermeld, op het nationale grondgebied zullen worden ingezet. De cirkel is rond.

Dit vertaalde artikel verscheen ook op de site van CNAPD.


Iets fouts of onduidelijks gezien op deze pagina? Laat het ons weten!

Land

Zonder kritisch middenveld, geen gezonde democratie!

De Vlaamse regering is met de botte bijl door de structurele subsidie van Vrede vzw gegaan. Vanaf 2026 moeten we het doen met meer dan de helft minder dan verwacht. Dit brengt onze algemene werking in gevaar! Een kritische, antimilitaristische tegenstem is vandaag nochtans meer dan nodig. Stel ons in staat om de strijd voor vrede en rechtvaardigheid voort te zetten!

Campagne

Meer wapens maken de wereld gevaarlijker! Stop de groei van de militaire uitgaven en de militarisering van onze samenleving!

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze digitale nieuwsbrief.