Japan, op kousenvoeten naar een mondiale militaire mogendheid
13 minuten

In het begin van de jaren 1990 lanceerde het Japanse leger een schattige mascotte genaamd Prince Pickles. Het is een klein mannetje met een dik hoofd en grote ogen, dat in een rustig land leeft. In stripverhalen gericht op de jeugd en volgestouwd met actie, overwint Prince Pickles zijn 'naïeve overtuiging' dat een natie in vrede geen leger nodig heeft. Hij sluit zich aan bij de strijdkrachten van zijn land om het te kunnen verdedigen tegen de roofzucht van het naburige Kwaadaardige Rijk.

De transformatie die het figuurtje Prince Pickles doormaakt, beeldt de recente geschiedenis van Japan in het klein uit. In het interessante boek 'Uneasy Warriors' omschrijft Sabine Fruhstuck de transformatie van Prince Pickles als een gecodeerde boodschap van de staat aan zijn burgers: “appreciatie voor het leger zou een normatief element moeten worden bij het opgroeien, alleen een staat met een militair apparaat is normaal, en alleen een man met militaire ervaring is een echte man”. Prince Pickles is niet het enige pop-cultuur icoontje dat de laatste jaren gebruikt werd in Japan om de diepgewortelde pacifistische tendensen bij de bevolking te proberen overwinnen. Het Japanse leger sponsort elk jaar een muziekfestival dat 40.000 mensen samenbrengt voor de laatste nieuwe sensaties van de pop-business. Op rekruteringaffiches voor het leger staan aantrekkelijke vrouwelijke professionele modellen afgebeeld (hoewel maar 4% van de strijdkrachten vrouwelijk is). De boodschap is dat het Japans leger leuk, flirterig en tegelijkertijd familie-geörienteerd is. Ook de strijdkrachten ontsnappen dus niet aan de invloed van de typisch Japanse kinderlijke cultuur van 'Hello Kitty' en giechelende schoolmeisjes. Maar laat u niet misleiden want het Japanse leger is verre van schattig. Ondanks haar zelf opgelegde limieten op de militaire uitgaven -die mogen niet meer dan 1 procent van het Bruto Nationaal Product bedragen- heeft Tokyo een van de sterkste legers in de wereld en Azië's sterkste zeemacht. De overheid blijft een beeld projecteren van haar militair apparaat als stereotiep vrouwelijk (vredevol, humanitair en bezorgd over de veiligheid van de soldaten), maar stippelt tegelijkertijd een plan uit van een stereotiep mannelijke toekomst, waarbij preventieve mogelijkheden centraal staan. Uniek in de geschiedenis van de geïndustrialiseerde landen, verwierp Japan in een grondwet opgesteld na Wereldoorlog II, nochtans haar recht om een leger op te bouwen en in te zetten. Volgens deze 'vredesgrondwet' mocht Japan zelfs geen militaire macht gebruiken om zichzelf te verdedigen. Het fameuze 'Artikel 9' van de grondwet stelt dat: “de Japanse bevolking voor altijd de oorlog verwerpt als een soeverein recht van de staat, net zoals de dreiging met, of het gebruik van geweld als een middel om internationale conflicten te beslechten”. Hoewel de Japanse regeringen in de loop der jaren geleidelijk aan de interpretatie van Artikel 9 hebben bijgestuurd, gelooft vandaag nog altijd de helft van de Japanners dat het gebruik van geweld om de eigen staat te verdedigen illegitiem is.

Veiligheidsbeleid

De vredesgrondwet werd oorspronkelijk aan het land opgedrongen door de Verenigde Staten, maar niet lang nadat Washington dit nieuwe pacifistische Japan geconcipieerd had, begon het echter al van mening te veranderen. Met de Koude Oorlog die escaleerde zat Washington verlegen om een regionale bondgenoot en het moedigde Japan dan ook aan om zich opnieuw te bewapenen. Veel Japanse ultranationalisten en voormalige militaire officieren die na Wereldoorlog II scheef bekeken werden, geraakten op die manier terug in de gratie ten tijde van de Koreaanse Oorlog, een glorietijd voor de Japanse herbewapening en de wapenhandel. Het was deze oorlog die de vernielde Japanse economie weer nieuw leven inblies. Ondertussen omzeilde Tokyo in 1954 het verbod om een eigen militaire capaciteit te onderhouden door een leger op te richten onder de strategische en subtielere naam 'zelfverdedigingsmacht' (ZVM).

Richard J. Samuels schrijft in zijn indrukwekkende boek 'Securing Japan', over de geschiedenis van de evoluerende militaire doctrine van Japan, dat de politici een consensus smeedden die allerlei contradicties wist te omvatten. De Verenigde Staten verkreeg haar betrouwbare bondgenoot, die een ondersteunende rol speelde in haar Aziatische Koude Oorlog-avonturen. Tokyo bedreigde nooit de Amerikaanse belangen door zich te sterk te binden aan andere Aziatische landen of door rechtstreeks de concurrentie met de VS aan te gaan op het vlak van wapenexport. In ruil financierde Washington het grootste deel van de Japanse defensienoden. De naoorlogse veiligheidsconsensus, die Japan hielp de tweede grootste economie ter wereld te worden, sprak bovendien op een slimme manier de belangrijkste ideologische kampen aan die sinds het einde van de 19de eeuw streden om de ziel van het moderne Japan: de liberalen, de pacifisten en de militaristen. Japanse liberalen waren verheugd dat de onevenwichtige relatie met de VS hen in staat stelde om zich op een snelle economische ontwikkeling toe te leggen, pacifisten waren tevreden met de grondwettelijke belemmeringen die de Japanners vrijspraken van het effectief uitvechten van de Amerikaanse oorlogen in de Stille Oceaan, en militaristen zochten troost in de overblijvende en uiteindelijk zelfs uitbreidende defensiecapaciteit. Maar ondanks de voor buitenlandse waarnemers schijnbare rust in Japan, lag de naoorlogse consensus in de loop van de recente geschiedenis constant onder vuur en was ze onderhevig aan allerlei verschuivingen.

Veel Japanners stonden achter de vredesgrondwet omdat het document een soort van boetedoening vertegenwoordigde voor het gedrag van Japan tijdens de oorlog. Maar pacifisme in de zin van een principiële verwerping van álle oorlogen, werd nooit door een meerderheid van de Japanse bevolking geïnterioriseerd. Er waren bijvoorbeeld maar weinig Japanners die tegen de Koreaanse oorlog protesteerden toen die uitbrak in de jaren 1950. De Japanse vredesbeweging slaagde er wel in om in de jaren 1960 de vakbonden, studentenorganisaties en de pas opkomende vrouwenbeweging te mobiliseren tegen het Veiligheidsverdrag tussen de Verenigde Staten en Japan, dat toen opnieuw onderhandeld moest worden. De protesten op de campussen en de straten legden de Japanse regering lam en noopten de Amerikaanse president Eisenhower zelfs een staatsbezoek af te zeggen. Maar de veiligheidsconsensus doorstond dit protest, en de alliantie tussen de VS en Japan werd bevestigd. Linkse krachten duwden de Japanse regering in de richting van het aanvaarden van de 3 non-nucleaire principes in 1967 (geen kernwapens bezitten, maken of toelaten op het territorium) en het verbod op de export van wapens in 1976. Maar dit waren slechts partiële overwinningen en in de daaropvolgende jaren zou het Japans pacifisme door de politici gereduceerd worden tot een handige manier om ongewenste VS-eisen af te wimpelen.

Na het einde van de Koude Oorlog kreeg Japan verschillende tegenslagen te verwerken. Toen de luchtbeleconomie in 1989 uiteenspatte, werd het voorspoedige land geplaagd door financiële angsten die alleen maar erger werden door een aantal blunders van de overheid, zoals de onbeholpen reactie op de aardbeving van 1995 in Kobe en het totale onvermogen om de sarin-gas aanvallen van de Aum Shinrikyo-sekte in de metro van Tokyo te voorkomen. De alliantie met de Verenigde Staten ging ook een moeilijkere periode tegemoet toen Tokyo geen grondtroepen inzette voor de Golfoorlog van 1991 (de Japanse financiële bijdrage van 13 miljard dollar aan de oorlogsinspanningen was, na die van de VS, wel de grootste). Dat het in 1993-1994 aan de zijlijn bleef toekijken gedurende het conflict van de VS met Noord-Korea omwille van haar nucleaire wapenprogramma, werd Japan ook niet in dank afgenomen.

Naar een 'normaal' leger

De Japanse militaristen of neo-nationalisten werkten de afgelopen 2 decennia hard aan de transformatie van het militaire en buitenlandse beleid van het land. Tussen 1954 en 1989 paste het Japans parlement de ZVM-wet slechts eenmaal aan. Vanaf 1989 schoten de hardliners echter in actie en er werden sindsdien al meer dan 50 amendementen opgetekend. De vredesbeweging probeerde, met weinig succes, de naoorlogse veiligheidsconsensus te beschermen tegen de vernietigende slagen die werden uitgedeeld door de andere zijde van het politieke spectrum. In tegenstelling tot de conservatieven, die een status-quo nastreefden en met wie de vredesbeweging vaak partnerschappen afsloot, waren de hardliners bereid om de Japanse pacifistische erfenis op het spel te zetten om een nieuwe eigen militaire identiteit op te bouwen.De neo-nationalistische politici ondermijnden de pacifistische fundamenten van de grondwet via de geleidelijke ontmanteling van allerlei militaire restricties. “De strategie -tenminste zoals we ze nu kunnen reconstrueren- bestond uit het geleidelijk uitbreiden van de wettelijke en operationele capaciteiten van de zelfverdedigingsmacht voor de meer vredesgerelateerde missies. De meer militaire opdrachten en degenen die dichter bij huis zouden doorgaan, werden gespaard voor later”, aldus Samuels. Hij bestempelt deze subtiele aanpak als 'salami-tactieken' -een sneetje per keer- dezelfde manier waarop het verenigde Duitsland haar offensieve mogelijkheden weer bij elkaar schraapte. Allerlei vermeende internationale dreigingen werden gebruikt om de steun van de bevolking te verkrijgen voor een meer gespierd defensiebeleid. De intrusie van Noord-Koreaanse schepen in de Japanse wateren vergemakkelijkte de grootschalige transformatie van de kustwacht in een de facto vierde afdeling van het leger en de lancering van een Noord-Koreaanse raket in het Japanse luchtruim in 1998, reikte Tokyo een argument aan om haar samenwerking met de VS rond het anti-rakettenschild op te krikken.

Sommige normen -zoals de restrictie op de militaire uitgaven- zijn tot nu toe wel duurzaam gebleken. In de jaren 1980 toen premier Nakasone (1982-1987) hemel en aarde verzette om de militaire uitgaven op te laten trekken tot meer dan 1 procent van het BNP, slaagde hij er alleen in om de limiet te doen stijgen met een schamele 0,007 procent. Maar de Japanse regeringen bleken inventief in het vinden van achterpoortjes. Hoewel de non-nucleaire principes geadopteerd werden, ontwikkelde Japan via een geavanceerd programma voor nucleaire energie een enorme voorraad plutonium en verwierf het de capaciteit om nucleaire wapens te produceren. Het zwoer vliegdekschepen af, maar bouwde aanvalschepen met zo grote dekken dat ze dezelfde basisfunctie kunnen opnemen. Japan oogstte veel lof voor haar verbod op wapenexport, maar de vele uitzonderingen op dit verbod - voor de export naar de VS, voor materiaal van tweeërlei gebruik (materiaal dat zowel voor civiele als militaire doeleinden gebruikt kan worden), enzovoort- hebben het bijna betekenisloos gemaakt. Japan nam na de oorlog een algemeen principe aan dat het langzaam laat doodbloeden door middel van duizenden zelf toegebrachte steken. Na de aanslagen van 11 september stemde Japan nieuwe noodwetten die de ZVM meer mogelijkheden toekende, waaronder de ondersteuning van VS troepen buiten het Japans grondgebied en de expliciete toestemming om militair geweld te gebruiken bij een aanval op het land. Hoewel het Japanse publiek de verre oorlogen in Afghanistan en Irak nooit als passende bestemmingen beschouwd heeft voor haar soldaten, helpt de zelfverdedigingsmacht al sinds 2003 met het bevoorraden van de coalitietroepen in Afghanistan. De ZVM zond eigen troepen naar Irak en schepen naar de Perzische Golf, transporteerde coalitietroepen in haar vliegtuigen en werkte samen met de VS rond het rakettenafweersysteem. Het Japans leger is ook in het bezit van nieuw en gesofisticeerd militair materiaal. Ondanks de wijdverspreide tegenkanting van de Japanse publieke opinie, hebben de neo-nationalisten grootse plannen. Met volle steun van de Verenigde Staten hebben zij een proces op gang gebracht dat de zogenaamde Japanse 'vredesgrondwet' fundamenteel moet wijzigen. Ze willen de militaire uitgaven fors verhogen en van Japan een normale militaire macht maken. De overheid heeft vandaag radicaal andere ideeën over wanneer, hoe en waarom geweld gebruikt kan worden. Het woord 'radicaal' wordt hier uiteraard alleen maar gebruikt in termen van de Japanse naoorlogse geschiedenis. Een normaal leger, volgens de internationale praktijk, is sowieso offensief gestructureerd, vereist aanzienlijk wat overheidsinvesteringen (veel meer dan 1 procent van het BNP), vergt een inheemse industriële capaciteit die in de mogelijkheid is om wapens te produceren, en steunt op een militaire doctrine die gebaseerd is op afschrikking. Japan was een abnormaal land voor zovele jaren en probeerde haar atypische kijk op de zaken zelfs actief te exporteren via een stevige vredespolitiek, maar het is nu stilaan geëvolueerd naar een conventionele en potentieel ontwrichtende 'normaliteit'. Wat zal Japan moeten opgeven in ruil voor een “normaal” leger? De kosten voor militaire strijdkrachten van wereldklasse zijn namelijk niet alleen in financiële termen uit te drukken. Zuid-Korea en China worden niet misleid door de pogingen van de Japanse regering om hun nieuwe militaire capaciteiten te verstoppen achter Prince Pickles, aantrekkelijke vrouwen en een retoriek over peacekeeping en defensie. Door gestaag maar zeker de cruciale bepalingen van de verdesgrondwet te eroderen, maakt Japan het moeilijker om regionale samenwerking op het vlak van veiligheid te bewerkstelligen en wordt een regionale bewapeningsrace veel waarschijnlijker.

Verzet

Uiteraard kijkt niet iedereen in Japan passief toe terwijl het leger zich transformeert. In 'Client State: Japan in the American Embrace', beschrijft Gavan McCormack een handvol moedige individuen die zich verzetten tegen het opdringen door de Japanse overheid van de nationale vlag en het nationale volkslied, beiden gecompromitteerd door hun associatie met het beleid van het keizerrijk tijdens Wereldoorlog II. Om de vredesgrondwet en de geliefde Japanse defensieve defensie te beschermen zijn er over heel het land zo'n 5000 bewegingen ter verdediging van Artikel 9 uit de grond geschoten. En dan zijn er ook nog de indrukwekkende, voortdurende en bij momenten succesvolle inspanningen van de bevolking van Okinawa om de Amerikaanse militaire basis die het eiland al meer dan een halve eeuw domineert, te sluiten. De verkrachting in 1995 van een 12 jaar oud meisje op Okinawa door 3 Amerikaanse soldaten zorgde voor een hevige opmars van de beweging tegen militaire basissen en in 2004 had een helikoptercrash op een universiteitscampus hetzelfde effect. Een eeuwige klacht van de eilandbewoners is de geluidsoverlast en er is ook veel bezwaar tegen het gebruik van Japans land door de VS. Japan kwam in 2006 overeen met de Verenigde Staten dat het aantal manschappen in Okinawa gereduceerd zou worden. Tokyo zou 6,1 miljard dollar bijdragen voor de kosten van de verplaatsing van zo'n 8000 troepen naar het eiland Guam. Okinawa is echter het middelpunt van het Veiligheidsverdrag tussen de VS en Japan. Zoals het pact er nu uitziet, subsidieert Japan de Amerikaanse militaire aanwezigheid, terwijl de VS Japans veiligheid garandeert. Washington is sterk gekant tegen een heronderhandeling van de deal, en onenigheid omtrent Okinawa kan de bilaterale relaties ernstig beschadigen. De hele Okinawa-kwestie maakte onlangs nog een politiek slachtoffer in Japan zelf. Yukio Hatoyama van de Democratische Partij van Japan (DPJ) diende op 2 juni 2010 zijn ontslag in als premier. De man was pas sinds september 2009 aan de macht gekomen via een historische overwinning op de Liberale Democratische Partij, die het meer dan een halve eeuw bijna ononderbroken voor het zeggen had in het Aziatische land. Hatoyama stelde voor de verkiezingen dat hij Japan in een meer onafhankelijke positie zou brengen ten opzichte van de VS. Een van zijn opvallendste verkiezingsbeloftes was de verwijdering van de Amerikaanse militaire basis van het eiland Okinawa. Als premier was Hatoyama's populariteit al in vrije val, onder meer omdat het zo lang duurde voordat hij met een concreet plan op de proppen kwam. Op 23 mei 2010 moest de premier dan ook nog schoorvoetend toegeven dat het realistisch gezien eigenlijk onmogelijk was om de basis volledig te verplaatsen of te sluiten. De kleinere coalitiepartner van de DPJ, de Sociaal Democratische Partij (SDP) besliste daarop om de leidende centrum-linkse coalitie te verlaten. Hatoyama zag zich verplicht om naar Okinawa te trekken (de eerste keer sinds zijn verkiezing) om de eilandbewoners zijn excuses aan te bieden en begrip te vragen, maar hij werd er vergast op een joelende menigte met plakkaten waarop het Japanse karakter voor 'woede' prijkte. Leden van Hatoyama's partij vreesden voor de uitslag van de aankomende verkiezingen (juli 2010) voor het hoger huis van het parlement. De roep om Hatoyama's aftreden werd alsmaar luider en de premier diende uiteindelijk zijn ontslag in. Zijn opvolger, Naoto Kan (DJP-minister van financiën onder Hatoyama), haastte zich om te zeggen dat de alliantie met de VS de hoeksteen zou blijven van de Japanse diplomatie en maakte wijselijk geen beloftes omtrent de basis in Okinawa. De hele situatie speelt in de kaarten van de conservatieven en de neo-nationalisten. Ondanks het succes van de anti-militaristische sociale bewegingen definiëren deze neo-nationalistische actoren veel meer dan de nieuwe pacifisten wat gangbaar is inzake het Japanse veiligheidsbeleid. Ze herschrijven de geschiedenis, hemelen het leger op en behandelen het pacifisme als een dreiging voor het land. Japanse conservatieve leiders hebben het afgelopen decennium meermaals openlijk hun steun betuigt aan de nationalistische zaak om sympathie te wekken bij hard recht, maar ook om de aandacht af te leiden van hun inspanningen om de militaire relaties tussen de VS en Japan opnieuw te verdiepen. De populaire voormalige eerste minister Koizumi Junichiro deed dit bijvoorbeeld door een bezoek te brengen aan de controversiële Yasukuni gedenkplaats, waar de geesten huizen van een aantal oorlogsmisdadigers. Zoals McCormack zegt over Koizumi: “hoe meer hij de buitenlandse belangen diende, hoe belangrijker het werd om eruit te zien en te klinken als een nationalist”.

De naoorlogse consensus werd binnenstebuiten gekeerd nu de alliantie met de VS, die gecreëerd werd om Japan te voorzien van een goedkope defensie en een nucleaire paraplu, een zeer kostelijk junior partnerschap is geworden in een groter hegemoniaal project van de VS. McCormack heef het over de cliëntstaat Japan. Maar als de Japanse harliners hun zin krijgen, zal de versterkte alliantie met de Verenigde Staten slechts een voorlopige fase zijn, een soort afleggen van het rijbewijs, voor Japan zelf aan het stuur mag zitten.


Iets fout of onduidelijk gezien op deze pagina? Laat het ons weten!

Thema
Land

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze digitale nieuwsbrief.