Ontwikkelingssamenwerking en veiligheidsbeleid in de EU
3 minuten

Er woedt een heuse politieke strijd in de Europese cenakels rond bevoegdheidsverdelingen. Het werd altijd gezegd dat het Verdrag van Lissabon een noodzaak was om de Unie beter bestuurbaar te maken. Maar er blijven spanningen tussen de intergouvernementele aanpak en de communautaire. Zo is er veel discussie over het feit of de nieuwe Europese Dienst voor Buitenlandse Acite ook bevoegd mag zijn over het ontwikelingssamenwerkingsbeleid van de Unie. 

Het Verdrag van Lissabon zorgt voor de oprichting van een nieuwe structuur : de Europese Dienst voor Buitenlandse Actie (EEAS, European External Action Service). Het gaat om een nieuw op te richten Europees ministerie van buitenlandse zaken, met ambtenaren uit de Commissie, uit de Raad en uit de lidstaten. Sommige delen van de buitenlandse relaties van de Unie behoren tot de beslissingsbevoegdheid van de Raad, dus van de staatshoofden die gezamenlijk afspraken maken. Bijvoorbeeld het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Andere onderdelen zijn gemeenschapsmaterie van de Unie en vallen onder de bevoegdheid van de Commissie: beleid van nabuurschap, hulp aan derde landen.

De Hoge Vertegenwoordigster, Catherine Ashton, heeft haar visie op de organisatorische ontwikkeling van de EEAS gegeven. Hierbij zal ze door drie Commissarissen worden bijgestaan die als haar afgevaardigden ('deputies') zullen fungeren: Štefan Füle, De Tsjechische Commissaris voor Uitbreiding, Andris Piebalgs, de Letse Commissaris voor Ontwikkelingssamenwerking, en Kristalina Georgieva, de Bulgaarse Commissaris voor humanitaire hulp.

Het Europees Parlement buigt zich over deze ontwikkelingen en engageert zich in een felle strijd om deze Dienst echt bij de Commissie (bevoegd voor gemeenschappelijke aangelegenheden) onder te brengen en de invloed van de Raad (intergouvernementele akkoorden) te beperken. Het is van het grootste belang zeggen Elmar Brok (Europese Volkspartij), Guy Verhofstadt (Liberalen) en Roberto Guatlieri (Sociaaldemocraten) dat het Unie-beleid niet geïntergouvernementaliseerd wordt: het gemeenschapskarakter van de EEAS is essentieel.

In verband met de 'commisaris-assistenten' van Ashton pleitten de drie voornoemde parlementsleden voor de coherentie van het ontwikkelingsbeleid. Zij zijn van mening dat de betrokken Commissaris verantwoordelijk is om het beleid te formuleren alsook om de programmatie van de financiële steun op dit vlak te realiseren. Dat moet wel in vlotte combinatie geschieden met de Hoge Vertegenwoordigster als algemeen politiek coördinator van de buitenlandse acties van de EU.

De niet-gouvernementele organisaties zijn ook niet tevreden met deze ontwikkelingen. Zij stellen dat Ontwikkelingssamenwerking niet onder het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veilgheidsbeleid kan vallen volgens de verdragteksten, want het is wettelijk een exclusieve bevoegdheid van de Commissie. Zoals het beschreven staat in de TFEUi (het tweede gedeelte van het Lissabonverdrag: het EU-werkingsverdrag) moet de armoedebestrijding het hoofdobjectief blijven. De NGO's vrezen dat met de voorstellen van Ashton de EEAS, programma's en budget van ontwikkelingssamenwerking zal controleren, dat de Raad zeggenschap krijgt over wat gemeenschapsmaterie van de EU is, en dat armoedebestrijding in dienst zal komen te staan van belangen qua buitenlands beleid.

Het laatste woord is hierover nog niet gezegd.

(in het dossier van het zomernummer van Vrede, tijdschrift voor internationale politiek, verschijnt een uitgebreide versie van dit artikel.)
 

Land

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze digitale nieuwsbrief.