Volgens een recent rapport van Amnesty International hebben de executies in Saoedi-Arabië onder het leiderschap van kroonprins Mohammed bin Salman, recordaantallen bereikt, ondanks het hervormingsgezinde imago dat deze man zich graag aanmeet. Tussen januari 2014 en juni 2025 verzamelde, controleerde en analyseerde Amnesty officiële informatie over 1.816 executies. In 597 van deze gevallen ging het om mensen die veroordeeld waren voor drugsdelicten. Een andere belangrijke reden om mensen te executeren in Saoedi-Arabië zijn 'terrorisme'-gerelateerde misdrijven.
Saoedi-Arabië is al lang een van de landen ter wereld die jaarlijks een groot aantal doodsvonnissen uitvoeren. China blijft met “duizenden executies in 2024” koploper (al zijn de officiële cijfers geheim), gevolgd door Iran, dat in 2024 ten minste 924 mensen executeerde. Op de derde plaats prijkt Saoedi-Arabië, dat vorig jaar zeker 345 mensen onderwierp aan de doodstraf.
Sinds Mohammed bin Salman kroonprins werd in 2017 en in 2022 ook premier, is het aantal executies aanmerkelijk gestegen. Doodsvonnissen kunnen worden uitgesproken voor een breed scala aan misdrijven in Saoedi-Arabië, van moord, terrorisme en andere ernstige geweldsdelicten tot ‘misdaden tegen de moraal’ en druggerelateerde misdrijven.
Van de 1.816 mensen die Saoedi-Arabië -volgens officiële meldingen- in de afgelopen tien jaar heeft geëxecuteerd (het werkelijke aantal ligt hoogstwaarschijnlijk hoger), werden maar liefst 597 personen (32,8%) uitsluitend terechtgesteld voor druggerelateerde misdrijven, variërend van smokkel tot bezit.
Als reactie op internationale kritiek op hun mensenrechtenbeleid, kondigden de Saoedische autoriteiten al meermaals hervormingen aan in hun gebruik van de doodstraf, waaronder beloften om het aantal executies voor druggerelateerde misdrijven te beperken, maar die beloften werden tot nog toe nooit ingelost. Als onderdeel van een breder pakket aan hervormingen in het strafrechtsysteem van kroonprins Mohammed bin Salman, kondigde de Saoedische Mensenrechtencommissie (SHRC) enkele jaren geleden wel een moratorium aan op executies wegens druggerelateerde misdrijven. Dit moratorium bleef 33 maanden van kracht, van februari 2020 tot november 2022 - een welkome maar korte onderbreking voor degenen die in de dodencel op hun executie wachtten. In november 2022 werd het moratorium abrupt opgeheven. Daarop volgde een scherpe toename van het aantal executies. Sinds de opheffing van het moratorium heeft Saoedi-Arabië meer dan 262 mensen geëxecuteerd wegens druggerelateerde misdrijven.
Van de 345 mensen die in 2024 werden geëxecuteerd door de Saoedische staat, was dat bij 122 van hen (ongeveer 35%) voor druggerelateerde misdrijven. Dat is het hoogste jaarlijkse aantal executies voor druggerelateerde misdrijven sinds 1990, toen Amnesty International begon met het monitoren en registreren van executies in het land.
Het valt op dat 75% van de personen die de afgelopen tien jaar geëxecuteerd werden voor uitsluitend druggerelateerde misdrijven, buitenlanders waren. Dat is heel veel in vergelijking met het totale percentage buitenlandse ingezetenen in het land: zo’n 44%.
Buitenlanders in Saoedi-Arabië zijn doorgaans migrantenarbeiders uit Zuidoost-Azië, het Midden-Oosten en Afrika, die een pak minder rechten genieten dan staatsburgers. Ze worden geconfronteerd met extra obstakels om een eerlijk proces te krijgen, zoals foltering om bekentenissen af te dwingen, discriminatie op basis van hun nationaliteit en sociale klasse, en een zeer ondoorzichtig strafrechtsysteem. Onder de voor drugsdelicten terdoodveroordeelde buitenlanders zaten de voorbije tien jaar zeker 155 Pakistani, 66 Syriërs, 50 Jordaniërs, 39 Jemenieten, 33 Egyptenaren, 32 Nigerianen, 22 Somaliërs en 13 Ethiopiërs.
Naast de doodstraf voor drugsdelicten stelt Amnesty International vast dat rechters in Saoedi-Arabië ook vaak een doodsvonnis uitspreken voor terrorisme-gerelateerde misdrijven, op basis van vage of te brede bepalingen in de antiterrorismewetten. Deze wetten richten zich tegen elke mogelijke vorm van politieke dissidentie en verzet - zeker niet alleen de gewelddadige varianten. Zo worden vreedzaam protest, het verdedigen van de mensenrechten, het bepleiten van politieke hervormingen (ook online), enz. allemaal als misdrijven tegen de staat of 'terrorisme' beschouwd.
Tussen januari 2014 en juni 2025 heeft Saoedi-Arabië 286 mensen geëxecuteerd wegens terrorisme-gerelateerde misdrijven, variërend van vermeende banden met politieke of gewapende groepen, het uitvoeren van gewelddadige aanslagen, tot vreedzaam politiek verzet en deelname aan anti-regeringsprotesten. Van deze 286 mensen, behoorden er 120 tot de sjiitische minderheid in het soennitische Saoedi-Arabië. Dat komt neer op ongeveer 42% van het totaal aantal executies voor terrorisme-gerelateerde misdrijven. De sjiitische gemeenschap in het land wordt geschat op 10 à 12% van de bevolking. De executie-cijfers weerspiegelen de politieke repressie tegen deze minderheidsgroep, die historisch wordt geconfronteerd met discriminatie op het gebied van onderwijs, het rechtssysteem, godsdienstvrijheden en werkgelegenheid.
Zowel de Saoedische antidrugswet als de antiterrorismewet bepalen dat de doodstraf kan, maar niet hoeft te worden opgelegd. In plaats van deze bepaling aan te grijpen om de doodstraf te beperken, gebruiken rechters ze net om deze straf op te leggen voor delicten waarvoor die volgens de VN-organen absoluut nooit gebruikt mag worden.
In 2018 werd in Saoedi-Arabië een juridische hervorming doorgevoerd waardoor de doodstraf werd beperkt in de meeste gevallen waarin de betrokkene een kind was, dat wil zeggen een persoon jonger dan 18 jaar op het moment van het vermeende misdrijf. Toch lopen op het moment van dit schrijven nog steeds zeven jongeren -van wie sommigen pas 12 jaar oud waren ten tijde van hun vermeende misdrijven- het risico om geëxecuteerd te worden. Vier van deze jongemannen zijn onlangs opnieuw berecht voor misdrijven die zij als minderjarige zouden hebben gepleegd, en werden weerom ter dood veroordeeld. Saoedi-Arabië ratificeerde nochtans het internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind, dat het opleggen van de doodstraf voor welk misdrijf dan ook aan personen die jonger dan 18 jaar zijn ten tijde van het delict, strikt verbiedt.