In Gaza komt surveillance vaak van bovenaf. Israëlische drones blijven urenlang boven het dagelijks leven hangen en laten surveillance en permanente aanwezigheid in elkaar overvloeien. Veel mensen in Gaza spreken inmiddels over drones zoals anderen het weer bespreken: als een permanente omstandigheid die het dagelijks leven omringt.
Door artificiële intelligentie (AI) ondersteunde targetingsystemen, 'digital mapping'-technologieën en de onophoudelijke productie van visuele gegevens onderwerpen de beweging van mensen en voertuigen aan permanente blootstelling.
Op de Westelijke Jordaanoever is de surveillancestructuur zichtbaarder op de grond: biometrische controleposten, camera’s voor gezichtsherkenning en vergunningensystemen reguleren de bewegingsvrijheid door middel van identificatie en verificatie. Pendelaars wachten in lange rijen bij controleposten, waar telefoons worden doorzocht en gezichten met behulp van biometrische scanners worden geverifieerd.
In deze gefragmenteerde geografieën van Gaza en de Westelijke Jordaanoever opereren verschillende technologieën, maar ze brengen in toenemende mate dezelfde politieke toestand voort: het leven van de Palestijnen blijft onderworpen aan monitoring.
Het koloniaal bestuur steunt op de kennis over waar mensen zich bevinden, hoe zij zich verplaatsen en hoe zij kunnen worden gecategoriseerd. Deze controle over de bewegingsvrijheid van Palestijnen blijft centraal staan in de structuur van de bezetting. Terwijl controleposten de alledaagse bewegingspatronen reorganiseren door middel van inspectie en vergunningen, en drones boven Gaza hangen, worden ongeregistreerde wandelingen, anonieme bijeenkomsten en de stilte die geen digitaal spoor achterlaat steeds verder ingeperkt.
Zichtbaarheid bestaat niet langer alleen tijdens momenten van directe confrontatie. Ze nestelt zich in het dagelijks leven, verandert de manier waarop mensen spreken, zich gedragen, zich verplaatsen, samenkomen en uit het zicht verdwijnen. Helga Tawil-Souri heeft deze uitbreiding van surveillance naar de alledaagse ritmes van het Palestijnse leven beschreven als een vorm van ‘digitale bezetting’. Inwoners van de bezette gebieden vertellen dat zij bepaalde gesprekken via de telefoon vermijden, hun onlineactiviteiten beperken en hun routes aanpassen omdat zij ervan uitgaan dat ze in de gaten worden gehouden.
Mensen hebben openbare ruimtes nodig die aan permanente toezicht onttrokken blijven. Het gevoel van een gewoon leven omvat momenten die niet worden vastgelegd: een ongeplande wandeling, een privégesprek en de mogelijkheid tijdelijk uit het zicht te verdwijnen. In ‘Poetics of Relation’ omschrijft Édouard Glissant deze 'opaciteit' (in de betekenis van het recht van mensen om niet volledig kenbaar, verklaarbaar of transparant te hoeven zijn) als de kracht die “het Diverse beschermt” tegen de eisen van “reductieve transparantie”.
Het Palestijnse leven legt het politieke belang van dat inzicht bloot. De bezetting breidt surveillance uit naar de ritmes van het dagelijks leven en maakt van alledaagse privacy een te reguleren terrein.
Opaciteit wordt daarmee een voorwaarde voor psychologische waardigheid en politieke vrijheid.
Bewijs van bestaan
Een volk dat voortdurend wordt geobserveerd, leert permanente blootstelling uiteindelijk te ervaren als een voorwaarde van het dagelijks leven.
Voortdurend toezicht verandert gedrag, spraak, beweging en zelfs het gevoelsleven. Mensen beginnen te berekenen hoe zij overkomen, waar zij gezien worden en of het verdwijnen uit beeld argwaan zal wekken. Onder deze omstandigheden voelt opaciteit niet langer als iets vanzelfsprekends, maar als iets riskant.
Te midden van de opeenvolgende aanvallen op Gaza hebben gezinnen, journalisten en hulpverleners de slachtoffers vaak vastgelegd door middel van foto’s, video’s, identificatienummers en geolocatiegegevens, anticiperend op toekomstige betwistingen van wat er daadwerkelijk is gebeurd.
Wanneer Palestijns lijden moet worden gefilmd, gearchiveerd, geverifieerd en verspreid om politiek niet langer te kunnen worden ontkend, wordt documentering zowel een getuigenis als een bescherming tegen uitwissing.
Ouders in Gaza schrijven de namen van hun kinderen op hun armen en benen. Identificerende informatie wordt vastgelegd op telefoons en details worden via netwerken gedeeld voordat mensen verdwijnen in een web van betwiste aantallen en elkaar tegensprekende narratieven. Beelden van verwoeste woningen, gewonde lichamen, honger, ontheemding en verdriet worden verspreid via sociale-mediaplatforms en internationale nieuwsnetwerken als bewijsmateriaal bedoeld om ongeloof en officiële ontkenning te bestrijden.
Getuigen blijft noodzakelijk onder omstandigheden waarin geweld systematisch wordt geminimaliseerd, verdraaid of uitgewist, maar deze druk brengt ook de verontrustende situatie met zich mee dat het Palestijnse leven steeds sterker verbonden raakt met de voortdurende noodzaak om bewijs te leveren.
Een gekwetste bevolking ziet zich gedwongen haar lijden steeds opnieuw te bewijzen om door de wereld gezien te worden en erkend te blijven. De dood vereist dat ze vastgelegd wordt. Honger vereist dat ze gecapteerd wordt op beelden. Om ontheemding aan te tonen zijn foto’s, registratiedocumenten of getuigenverklaringen nodig. Zelfs het overleven op zich wordt zo een vorm van bewijs dat moet worden voorgelegd aan een wereldwijd publiek dat daar voortdurend naar vraagt.
Doelwit of bewijsstuk
Palestijnen krijgen regelmatig het verzoek van journalisten, humanitaire organisaties en gebruikers van sociale media om meer beeldmateriaal, meer identiteitsgegevens, meer opnames, meer getuigenissen en meer visueel bewijs, alvorens hun menselijkheid wordt erkend. Zij moeten steeds opnieuw ervaringen bewijzen die in veel andere contexten eenvoudigweg worden aangenomen.
Het diepere probleem is de situatie die wordt gecreëerd wanneer een volk permanent zichtbaar moet blijven om geloofd te worden. Onder deze druk functioneert gedwongen zichtbaarheid niet langer uitsluitend als een vorm van blootstelling aan surveillance van bovenaf. Ze wordt ook een vereiste die wordt opgelegd door de internationale politiek van erkenning.
Een samenleving die georganiseerd is rond permanente zichtbaarheid tast geleidelijk de gewone vormen van menselijke onzichtbaarheid aan. James C. Scott toont in ‘Seeing Like a State’ aan hoe moderne staten hun vermogen om over bevolkingen te regeren vergroten door die bevolkingen steeds beter in kaart te brengen en identificeerbaar te maken via systemen van classificatie, registratie en administratie.
Permanente surveillance breidt deze logica uit naar het dagelijks leven. De publieke ruimte krimpt in onder de druk van camera’s, databanken, drones en digitale registraties die beweging omzetten in informatie. Het privéleven begint te anticiperen op observatie nog voordat die daadwerkelijk plaatsvindt. Mensen leren zichzelf te reguleren vanuit de mogelijkheid dat ze gesurveilleerd worden.
Voor Palestijnen gaat deze situatie gepaard met een scherpere vorm van geweld, omdat gezien worden steeds meer slechts twee zaken betekent: geviseerd worden of getuigen.
Het eerste ontstaat via de surveillancesystemen ingezet door het Israëlisch leger en de bezettingsautoriteiten, die lichamen monitoren, classificeren en blootstellen aan controle. Het tweede ontstaat door de eindeloze noodzaak om lijden vast te leggen om te kunnen bewijzen dat dit leed wel degelijk bestaat.
Het is een kwestie die dus verder reikt dan privacy. Het gaat om de politieke voorwaarden waaronder een volk kan bestaan zonder voortdurend te worden onderworpen aan monitorsystemen of de constante vraag naar bewijs.
Een samenleving die zichtbaar moet blijven om geloofd te worden, bevindt zich in een kwetsbare positie binnen de moderne politiek van erkenning. Sommige levens worden gemonitord. Van andere wordt verlangd dat zij bewijzen dat ze hebben bestaan.
Dit vertaalde artikel verscheen eerder in 'The Electronic Intifada'.