In een tijdperk waarin beelden binnen enkele seconden de wereld rondgaan en nieuwsredacties beweren universele humanitaire principes hoog te houden, zou je verwachten dat de moord op 165 schoolmeisjes in een basisschool de internationale krantenkoppen domineren.
Je zou dringende debatten, morele verontwaardiging en onophoudelijke berichtgeving verwachten. Maar in de zuidoostelijke Iraanse stad Minab, waar aanvallen van de VS en Israël klaslokalen vol kinderen hebben weggevaagd, hebben 's werelds meest invloedrijke media-instellingen gereageerd met iets dat veelzeggender is dan veroordelingen: met stilzwijgen.
De slachtoffers waren geen strijders. Het waren geen militanten. Het waren kinderen die op de schoolbanken zaten, pennen in de handen, schriften geopend voor zich, aan het studeren, fluisterend met klasgenoten en fantaserend over een toekomst die nog vele tientallen jaren voor hen lag. In enkele seconden veranderde die gewone schooldag in een bloedbad. Bureaus werden versplinterd, klaslokalen werden tot stof herleid en rijen doodskisten vervingen de rijen leerlingen.
Toch kwamen de namen van deze meisjes -165 levens die werden beëindigd voordat ze echt begonnen waren- nauwelijks ter sprake in het mondiale debat. Deze omissie is niet het gevolg van een vergissing. Ze weerspiegelt iets veel structurelers: de hiërarchie van slachtoffers die een groot deel van het hedendaagse informatiesysteem beheerst. In theorie presenteren moderne westerse media-instellingen zich als verdedigers van de mensenrechten en bewakers van de morele verantwoordelijkheid. In de praktijk weerspiegelen hun redactionele prioriteiten echter vaak geopolitieke belangen - met opvallende precisie.
Wanneer tragedies bestaande verhalen over vijandige staten versterken, worden ze uitvergroot, gedramatiseerd en omgevormd tot mondiale morele spektakels. Maar wanneer tragedies de menselijke kost van militaire acties van westerse mogendheden of hun naaste bondgenoten blootleggen, worden ze stilletjes van de voorpagina verdrongen – als ze al verschijnen.
Het bloedbad in Minab illustreert deze logica met verwoestende duidelijkheid.
De dood van 165 Iraanse schoolmeisjes past niet goed in het dominante geopolitieke verhaal dat Israël en zijn strategische partners afschildert als verdedigers van stabiliteit en orde in een turbulente regio. Het erkennen van een dergelijke gruweldaad zou onvermijdelijk moeilijke vragen moeten oproepen: over de wettelijkheid van aanvallen op civiele infrastructuur, over de ethiek van militaire escalatie en over de toenemende humanitaire tol van de voortdurende aanvallen van Israël en de VS in de regio. Het is daarom veel gemakkelijker om weg te kijken.
Minab is geen op zichzelf staande tragedie. In heel Libanon hebben genadeloze bombardementen herhaaldelijk burgerwijken getroffen, waarbij huizen en straten tot puin werden gereduceerd. In heel Palestina worden volledige gemeenschappen geconfronteerd met cycli van verwoesting die het leven hebben geëist van kinderen wier enige slagveld de grond onder hun voeten was. Ziekenhuizen, scholen en woonblokken zijn allemaal deel gaan uitmaken van de steeds verder uitbreidende geografie van verwoesting.
Deze gebeurtenissen vinden niet plaats in een vacuüm. Ze maken deel uit van een breder patroon waarin militaire macht samengaat met narratieve macht. Raketten geven het fysieke slagveld vorm, terwijl selectieve berichtgeving het slagveld van de perceptie kneedt.
Wat hieruit blijkt is niet alleen een vooringenomenheid van de media, maar ook een vorm van sturing van het narratief. Bepaalde slachtoffers worden verheven tot symbolen van universeel lijden, terwijl andere – vaak veel talrijkere – slachtoffers onzichtbaar worden gemaakt. Medeleven zelf wordt gecureerd en ongelijk verdeeld afhankelijk van politiek opportunisme.
Voor westerse publieken die gewend zijn te geloven in de neutraliteit van hun informatiesystemen, zou deze selectieve zichtbaarheid aanleiding moeten geven tot ernstige reflectie. De geloofwaardigheid van het humanitaire discours hangt af van consistentie. Wanneer de dood van kinderen in de ene context verontwaardiging oproept, maar in een andere onverschilligheid, begint de morele taal rond mensenrechten haar integriteit te verliezen.
De meisjes van Minab verdienen dezelfde erkenning die slachtoffers van geweld waar ook ter wereld krijgen. Zij verdienen het dat hun verhalen worden verteld, dat hun levens worden erkend en dat hun dood wordt benaderd met de ernst die een dergelijke gruweldaad vereist. In plaats daarvan werden zij geconfronteerd met een tweede vorm van uitwissing. Eerst kwamen de raketten die een einde maakten aan hun leven, daarna volgde de stilte. In het hedendaagse informatietijdperk treedt propaganda zelden openlijk naar voren. Ze werkt vaak via afwezigheid - via de verhalen die nooit de voorpagina halen, de slachtoffers wier namen onuitgesproken blijven, en de tragedies die verdwijnen voordat de wereld de tijd heeft om ze op te merken.
Het bloedbad in Minab is daarom meer dan een lokale catastrofe. Het legt een diepere crisis bloot in de mondiale informatieorde, waarin de waarde van menselijk leven op verontrustende wijze afhankelijk lijkt te zijn van de politieke context.
En als de dood van 165 schoolmeisjes in hun klaslokalen geen algemene verontwaardiging teweegbrengt, gaat het niet langer alleen om geopolitiek. Dan rijst de vraag naar de geloofwaardigheid van het morele systeem dat beweert de mensheid zelf te verdedigen.
Deze opinie verscheen eerder op 'Dzair Tube'.