Van Birma tot Myanmar
15 minuten

In 2010 plant de leider van Myanmar, generaal Than Shwe, de eerste nationale verkiezingen sinds 1990. Toen werd de overwinning van de partij van oppositieleidster Aung San Suu Kyi door de regerende militaire junta naast zich neergelegd. 

Het is nog niet duidelijk of Suu Kyi's 'Nationale Liga voor Democratie' nu, twintig jaar later, opnieuw zal deelnemen aan de geplande verkiezingen. De exacte datum voor de stembusgang is momenteel (februari) ook nog niet vastgelegd, maar in afwachting tracht Vrede deze gebeurtenis alvast wat te kaderen. In dit eerste deel wordt vooral de geschiedenis van het land onder de loep genomen.

 

Iedereen die een politiek-historische analyse wil maken van Myanmar kan de overweldigende geografische kenmerken niet negeren. Het land is 676.552 km² groot (dat is groter dan Frankrijk, België en Nederland samen) en wordt van noord naar zuid doorkruist door 3 bergketens (een langs elke kant van het land en een recht door het midden), die allen een behoorlijk obstakel vormen voor de mobiliteit, de handel en de interactie in het algemeen. Myanmar is bovendien een etnisch lappendeken. Er leven Kachins en Karins in de noordelijke en oostelijke bergen, en Arakanezen en Chins in het westen. In de meer bevolkte valleien en het oostelijk plateau leven vooral Bamar (of Birmanen), Mons en Shans. De Bamar maken volgens de schattingen de grootste etnische groep uit met ongeveer 60 à 70% van de bevolking, maar vooral verspreid over de grensstaten, leven meer dan 130 verschillende etnische minderheden.


Britse kolonie
De fundamenten van de gecentraliseerde maar tegelijkertijd hoogst gedifferentieerde macht waar het regime in Myanmar vandaag op steunt, werden gelegd in de koloniale periode. Op 1 januari 1886 na heel wat agressieve veldslagen, werd Birma ingelijfd door de Britten. Het werd een sub-provincie in het Brits-Indische rijk in plaats van een aparte kolonie. De Britten dachten zo een meer kneedbaar regime te kunnen installeren, maar al gauw brak er een wijdverspreide anti-koloniale opstand uit. Tegen februari 1887 vochten meer dan 40.000 Britse en Indische troepen een pacificatieoorlog uit tegen cellen van opstandelingen verspreid over heel Hoger en Lager Birma. De Britten waren voorspelbaar meedogenloos. Indische troepen kregen de opdracht iedereen dood te schieten die ervan verdacht werd wapens te bezitten. Ze verbrandden en verdreven volledige dorpen en voerden publieke afranselingen en massaexecuties uit. Als een deel van het pacificatiesysteem werd een 'rationeler' administratief systeem opgelegd. Met een pennestreek schaften de Britten de eeuwenoude politieke en sociale systemen af en installeerden nieuwe geografische districten die gecontroleerd, belast en geregeerd werden door een nieuwe klasse van administratief personeel, voornamelijk ingevoerd vanuit Madras, Bengali en andere delen van India. Het resultaat was een nog grotere steun van de bevolking voor het verzet. Monniken waren vaak de meest vocale criticasters van het koloniale regime. Uiteindelijk zou hongersnood het Birmaans verzet enorm verzwakken, maar kleinere groepen bleven het Brits-Indische leger nog een decennium het leven zuur maken. Het langere termijn resultaat van al dit verzet was dat de doorgaans gebruikte mechanismen van onrechtstreeks imperiaal bestuur via onderdanige lokale elites, vervangen werd door een brute en doordringende vorm van directe heerschappij. Om bureaucratische redenen werd het land opgedeeld in 2 zones. Het 'Eigenlijke Birma' (het centrum, de maritieme gebieden en de vruchtbare Irrawaddy Delta) werd rechtstreeks geregeerd door ambtenaren van de Britse staat. In de tweede zone, de 'Grens' of 'Uitgesloten Gebieden', meer bepaald de bergachtige regio's bevolkt door een veelheid aan kleine etnische groepen, rekenden de Britten volledig op de traditionele leiders. Deze opdeling zou een zeer radicale invloed hebben op de toekomst van de bevolking. Voor de volgende 50 jaar werd het Eigenlijke Birma uitgebouwd tot een administratief aanhangsel van Brits India. Honderdduizenden Indische immigranten en verchristelijkte Karens werden in dienst genomen om in sneltempo wegen, bruggen, banken, spoorlijnen en later telefoonlijnen aan te leggen, en om scholen, politie- en militaire eenheden te bevolken. Het is belangrijk om te vermelden dat de Bamar zelf, zeer zelden werden ingeschakeld om deze taken te vervullen. Britse handelshuizen domineerden de meest lucratieve sectoren van de economie (zoals de export van rijst, teak-hout, edelstenen en olie), de interne handel en kleinschalige verwerking van landbouwproducten waren grotendeels in de handen van Chinese en Indische immigranten. De Britten legden de moerassige Irrawwady-delta droog voor de aanleg van rijstvelden en dwongen 300.000 boeren te verhuizen hiervoor. De grotendeels op eigen consumptie gerichte prekoloniale economie werd nu overspoeld door de eisen van de internationale markt, met rijst als belangrijkste exportproduct. Concurrentie dreef de prijzen van de gronden, voedsel en geïmporteerde consumentengoederen de lucht in, terwijl de rentevoeten op de geleende kredieten aan het begin van het plantseizoen de kleine boeren ruïneerden. Verarmde Birmaanse boeren verloren hun gronden (meestal aan Zuid-Indische geldschieters) en zagen zich verplicht te concurreren met de Indische arbeiders voor manueel werk in de delta en de Rangoon regio. De druk van de markt zorgde dus voor een groeiende landloosheid, schuldenophoping, wanhoop en criminaliteit. De reactie van de koloniale autoriteiten was het opleggen van zware straffen en de uitbreiding van het leger en de politie. Deze instrumenten van repressie werden vooral bevolkt door Indiërs en christelijke minderheden. Binnen het Eigenlijke Birma installeerde men dus een structurele scheiding onder de bevolking op basis van etnische lijnen. De periode van koloniale heerschappij was relatief kort, maar wel zeer destructief voor de Birmaanse maatschappij.


Japan vs het Britse Rijk
De Britse inlijving van Birma in haar Indische rijk (Birma werd uiteindelijk nog een aparte Britse kolonie in 1937), leidde wel tot de ontwikkeling van hogere educatie, maar tegen 1930 was de campus van Rangoon een broeinest van anti-koloniale agitatie geworden. Het is daar dat een nieuwe generatie van Birmaanse leiders gevormd werd. De 'Dobama Asiayone' (Onze Birmaanse Associatie) werd er in 1930 opgericht en stond als nationalistische anti-koloniale beweging op de barricades voor de onafhankelijkheid. Met het uitbreken van wereldoorlog II keken de Birmaanse anti-kolonialisten, net zoals vele Indische nationalisten, naar de vijanden van Engeland als potentiële bondgenoten en bevrijders. In 1939 werd het Vrijheidsblok opgericht, een alliantie van 'Dobama Asiayone', monniken, studenten en oudere nationalisten, die opriepen tot een opstand. De Britten reageerden met massale arrestaties en brutale repressie. Aung San, een Birmaanse opstandeling, die naar het buitenland gevlucht was omwille van de Britse repressie, had zich ondertussen aangesloten bij het Japanse leger dat aan het oprukken was. Met Japanse hulp had Aung San het Birmaanse Onafhankelijkheidsleger opgericht (bijna uitsluitend bestaand uit Bamar) en aan de zijde van de Japanners veroverde hij in een blits Birma. De Britse vertegenwoordigers vluchten naar het Westen van het land samen met zo'n half miljoen Indische vluchtelingen. In de westelijke bergachtige 'Uitgesloten Gebieden' hergroepeerden de geallieerden zich en trainden en bewapenden de Kachin, de Shan, de Chin en andere inheemse groepen om te vechten tegen Japan en de nieuwe Birmaanse regering waarin Aung San de minister van Oorlog was. Van 1942 tot 1945 was Birma het toneel van een oorlog tussen de twee imperiale machten Japan en Groot-Brittannië, met alle destructieve gevolgen vandien. Met het einde van de 2de wereldoorlog in zicht keerden Aung San's Revolutionaire Partij van het Volk en de Communistische Partij van Birma zich tegen Japan en sloten zich aan bij de geallieerden. Zij vormden de belangrijkste politieke krachten in Birma bij de terugkeer van de Britten.


Post-oorlogsorde
Drie jaren van bombardementen, gevolgd door de techniek van de verschroeide aarde toegepast door het Japanse leger toen ze het land verlieten, lieten de toenmalige hoofdstad Rangoon in puin achter. Mandalay, de tweede grootste stad van het land, werd platgelegd en de meeste provinciale steden lagen in ruïnes. De oogst was vernietigd en de hongersnood lonkte. Rebellen die zich ver van huis bevonden, verdreven dorpelingen en stedelijke vluchtelingen hadden het moeilijk om te overleven, net zoals de gewapende groepen etnische minderheden. De Britten hadden maar weinig zin en redenen om de kosten van de reconstructie van Birma op zich te nemen. Er was evenmin een collaborerende landelijke oligarchie die ze opnieuw konden installeren. Toch waren de Britten vastberaden om net zoals in Pakistan en India, hun stempel te drukken op de post-koloniale Birmaanse staat door de groepen die hen het best gediend hadden te belonen met macht om zo hun eigen invloed in de toekomst te verzekeren. Net zoals ze maar weinig geïnvesteerd hadden in het land toen het nog een kolonie was, mikten ze nu op een goedkope post-koloniale oplossing: ze eisten in de onderhandelingen voor onafhankelijkheid een leidende rol in het leger voor de door hen getrainde Karen officieren; een blijvende kleine Britse aanwezigheid; een federalistische grondwet waarin politieke representatie verzekerd werd voor de Karen en de andere minderheden, en de uitsluiting van de Communistische Partij.
In januari 1947 ondertekenden Aung San en de Britse premier Attlee een initiele onafhankelijkheidsverklaring, grotendeels onder Attlee's voorwaarden. Aung San weigerde wel het lidmaatschap van het Britse Gemenebest en verwierp op die manier ook George VI als formeel staatshoofd. Onafhankelijkheid werd gepland voor januari een jaar later. Op 19 juli 1947 terwijl de onderhandelingen nog altijd aan de gang waren, werden Aung San en vijf collega's van het interimkabinet vermoord, blijkbaar in opdracht van hun politieke rivaal, U Saw. Op die manier werd niet Aung San, maar U Nu, een van de oudere vooroorlogse nationalistische anti-koloniale leiders, de eerste premier van de onafhankelijke staat Birma. Generaal Smith Dun, een door de Britten getrainde christelijke Karen werd aangeduid als stafchef van het leger. Onmiddellijk na de definitieve ondertekening brak er een opstand uit vermits de Communistische Partij, zeer een belangrijke bondgenoot in de anti-koloniale strijd, uitgesloten werd van de macht door de Attlee-overeenkomst. U Nu droeg het leger op om de communistische opstand neer te slaan. De communisten werden wel verdreven naar de grensgebieden, maar daar hielde ze decennia lang stand. Binnen de eerste maanden van de onafhankelijkheid vielen de Birmaanse strijdkrachten (tatmadaw) ook uiteen -alweer een gevolg van de Britse overeenkomst. De door Karen gedomineerde hogere rangen en hun nauwe banden met de Britten waren onverdraaglijk voor het overlevende leiderschap van het anti-koloniaal verzet. Generaal Ne Win zorgde er bijgevolg voor dat het volledige Karen-officierenkorps ontslaan werd. Het resultaat was een massale desertie van de door de strijd geharde Karens en de start van een opstand die zou voortduren tot in de 21ste eeuw. Het Birmaanse leger werd dus gedecimeerd en de nieuwe staat werd geconfronteerd met een stijgend aantal gewapende rebellengroepen in grensregio's. Om deze dreigingen het hoofd te kunnen bieden werden het leger vlug uitgebreid. Onder het bevel van generaal Ne Win en zijn kameraden werden de tatmadaw geherstructureerd naar het model van het professionele Britse leger met een geïntegreerde verticale commando-structuur en effectieve logistieke ondersteuning. Geen enkele officier van een etnische minoriteit kreeg nog een belangrijke leiderspost. Tegen het einde van de jaren 1950 stond de competentie van het leger in fel contrast met de groeiende verlamdheid van de burgerlijke instellingen en de interne onenigheid die daar welig tierde, zowel in de leidende als de oppositionele partijen.

Toch kende het eerste decennium van de onafhankelijkheid een aantal verwezenlijkingen: steden werden heropgebouwd en de infrastructuur in het land werd verbeterd. Rangoon werd een van de meest moderne steden in Zuid-Oost Azië. Eerste minister U Nu stelde een neutralistisch buitenlands beleid voor, samen met een economisch plan dat opgesteld was door Amerikaanse raadgevers die verblind waren door de New Deal. Hij hing ook een populistisch versie van het boeddhisme aan dat hij zelf verpersoonlijkte. Deze visie sloeg buiten de boeddhistische kernregio echter niet aan. In Myanmar vochten anti-koloniale Bamar strijdkrachten gedurende het grootste deel van de oorlog tegen de door de Britten-gesteunde minderheden. Alleen de allerlaatste maanden van de oorlog in 1945 vochten ze aan de zijde van de andere etnische troepen uit de grensstreken tegen de Japanners. Tegen de Britse herbezetting van Rangoon in mei van hetzelfde jaar was het weinige dat de volkeren in Myanmar verenigde al lang weer weggeëbd. Het overbruggen van de historisch nog versterkte etnische en religieuze verschillen, was nooit een prioriteit van de Nu regering in de jaren 1950. Politici uit de minderheidsgroepen aan wie federalistische toegevingen beloofd waren in ruil voor hun steun aan een unitaire grondwet, ergerden zich aan hun politieke marginalisatie en eisten een grotere autonomie.


Ne Win's heerschappij
Het Birmaanse leger, als de verdediger van de staat gedisciplineerd, verantwoordelijk, en patriottisch, oordeelde zich beter in staat om het land te leiden dan de kibbelende burgerlijke politici, hun voormalige strijdmakkers in de anti-koloniale beweging van de jaren 1930. In 1958 namen de tatmadaw van Ne Win de macht al kortstondig over, maar de militaire regering hield verkiezingen in 1960 waardoor de triomferende U Nu opnieuw zijn post kon innemen. Nu's pogingen om van het boeddhisme de staatsgodsdienst te maken -een van zijn verkiezingsbeloftes- lokten een tweede interventie uit van het leger. Het militair leiderschap was sterk gekant tegen U Nu's plannen, omdat ze vreesde de niet-boeddhistische minderheden nog meer te zullen vervreemden. En inderdaad, in 1962 kwamen een aantal leiders van minderheidsgroepen samen om te spreken over een federalistische grondwet. Dit werd beschouwd als een bedreiging voor de eenheid van de natie en Ne Win greep de macht opnieuw. De coups (die positief onthaald was door de Kennedy-administratie) werd geconfronteerd met vastberaden studentenprotesten. Het protest werd gebroken toen Ne Win's mannen het gebouw van de Studentenraad in de Universiteit van Rangoon opblies. Ne Win's bestuur vertoonde desalniettemin een bepaalde continuïteit met Aung San en U Nu 's visies van een sterk eengemaakt Birma als een zelfvoorzienende, ontwikkelende staat, vrij van buitenlands voogdijschap en bemoeienissen. Dit werd schriftelijk vastgelegd in 'Ne Win's Weg naar het Socialisme' een mix van boeddhisme, nationalisme en een soort planeconomie. In eigen land bleef de tatmadaw -die nog altijd de vaandel droegen van Aung San's nationalistische revolutie- een door Bamar bewonderde institutie. Binnen het leger koos Ne Win hoogstpersoonlijk zijn ta-byee (volgelingen) uit voor promotie en zorgde ervoor dat zijn rivalen nooit op het voorplan kwamen. Terwijl militaire corruptie vrij regelmatig voorkwam was de schaal ervan redelijk gelimiteerd, niet in het minst omdat hun zelfgekozen isolationisme de generaals geen toegang gaf tot de Koude Oorlogsrijkdommen. Ook de ascetische Ne Win zelf deed zich niet te goed aan kleptocratische plunderingen. Corruptie was wijder verspreid binnen de officiële Birmaanse Socialistische Programma Partij (de enige legale partij gedurende Ne Win's beleid), waarvan vele hogere posten bezet werden door voormalige legerofficieren. De BSPP-regering voerde een nationalisatie van de private ondernemingen door en nam uiteindelijk de export-import van rijst, hout, olie en andere grondstoffen over, net zoals de meeste groothandelaars en winkels. Het resultaat van dit economisch beleid was dat zo'n 300.000 Indiërs en 100.000 Chinezen, vooral handelaars, het land verlieten tussen 1963-1967. Zelf een overtuigd seculier, trok Ne Win de Staatsreligie Beschermings Wet van U Nu in en nationaliseerde hij de kloosterscholen. Protest werd geconfronteerd met zware repressie. Dissidentie binnen het leger zelf werd even fervent uitgeroeid. In 1976 leidde een mislukt officieren complot om Ne Win te vermoorden tot een grootschalige zuivering, die de toenmalige leider van de gewapende strijdkrachten, Tin Oo, zijn post kostte (dezelfde Tin Oo, ondervoorzitter van de Nationale Liga voor Democratie, die in februari 2010 na tien jaar gevangenschap en huisarrest werd vrijgelaten door de junta). Hij werd toen beschuldigd van hoogverraad en werd veroordeeld tot zeven jaar in een werkkamp.
Maar ondanks deze strenge greep op het centrum van het land, was de autoriteit van de regering gedurende de halve eeuw na de onafhankelijkheid bijna onbestaande in de meeste grensstaten van Birma. Hier werden de tatmadaw geconfronteerd met goed bewapende troepen -sommigen gesteund door buitenlandse staten of donors zoals de VS, China of Thailand. Anderen onderhielden zichzelf met de opbrengsten van de extractie van natuurlijke rijkdommen en het heffen van taksen op illegale smokkel over de grenzen. Daarbovenop waren grote 'bevrijde gebieden' langs de Thaise en Chinese grens nog altijd onder controle van de duizenden troepen tellende, maoistisch geinspireerde Communistische Partij van Birma. De Kachin Onafhankelijkheidsorganisatie en de Karen Nationale Unie (op een bepaald moment een bondgenoot van de CPB) hadden gelijkaardige aantallen soldaten ter beschikking en vochten voor secessie van- of autonomie binnen de unitaire Birmaanse staat. Waarschijnlijk was een kwart van het land onder de controle van gewapende tegenstanders van het centrale regime. Miljoenen dorpelingen vielen in deze gebieden ten prooi aan rovende milities, drugsbaronnen en smokkelaars die hun goederen en arbeid opeisten. Alle strijdende partijen waren verantwoordelijk voor verkrachtingen, folteringen, buitenrechtelijke executies en de vernieling van huizen. Het eveneens brute anti-rebellenbeleid van de regering (bekend onder de naam Pya Ley Pya of Vier Sneden) werd gevoerd met weinig middelen door slecht uitgeruste tatmadaw die ver van Rangoon gestationeerd waren. Er wordt geschat dat elk jaar ongeveer 10.000 mensen -boeren, handelaars, monniken, pastoors, leraars, regeringssoldaten en gewapende rebellen -stierven in de vier decennia van Birma's burgeroorlogen. De doorgedreven verdeling van het land werd voor het eerst doorgevoerd door de Britten, maar werd onder de door Bamar gedomineerde staat verdergezet. Dit was zowel op politiek als op moreel vlak een mislukking.


Trauma van 1988
Tegen het einde van de jaren 1980, begon het falen van het economisch beleid ook zeer duidelijk te worden. Terwijl de buurlanden (Thailand, Maleisië, Singapore en uiteindelijk ook China) kapitaal aantrokken via hun reserve aan zeer goedkope geschoolde arbeidskrachten, stond de autarkische economie van Birma na 25 jaar van militaire heerschappij op het randje van het failliet. Op 5 september 1987 verklaarde de BSSP, in een zeer slecht geadviseerde zet, dat alle kyat-briefjes (kyat is de Birmaanse munteenheid) in omloop, waardeloos waren en vervangen werden door een nieuwe serie briefjes. De weinige spaarders die hun geld in de staatsbanken bewaarden, konden het omzetten in de nieuwe kyatt-briefjes, maar het merendeel van de mensen, die hun spaargeld liever onder de matras verstopten, moesten toezien hoe al hun reserves van de ene op de ander dag waardeloos waren geworden. In 1988 volgde dan ook de grootste politieke opstand van Birma's post-koloniale geschiedenis. Er werd op verschillende plaatsten gedemonstreerd. De opposanten kregen onmiddellijk af te rekenen met repressie, maar de betogingen bleven als paddestoelen uit de grond schieten in een cyclus die tot een climax kwam in de zomer van 1988. In Rangoon en Mandalay legden door studenten geleide protesten de steden plat. Tegen het einde van juli hadden de monniken de controle over de straten van Mandalay overgenomen. Zwaaiend met hun stokken patrouilleerden ze de straten. Ook in vele kleinere steden waren er nooit geziene protesten. Op het einde van juli zag Ne Win, ondertussen 78, zich verplicht af te treden. In zijn afscheidsspeech waarschuwde hij dat het leger in het vervolg raak zou schieten. Ondanks deze bedreiging kwamen op 8 augustus (8/8/88) miljoenen mensen op straat -waaronder veel staatsambtenaren- in een nooit gezien volksprotest. De interim-regering beval een einde aan de demonstraties en 's avonds op 8 augustus begon het leger te schieten op de ongewapende menigte. Nog meer protesten en een algemene staking volgden hierop. Uiteindelijk greep het leger rechtstreeks de macht. Het richtte de 'State Law and Order Restoration Council' (SLORC) op, herdoopte het land 'Myanmar', schafte de grondwet van 1974 af en voerde een krijgswet in. Na een veelbelovende start strandde de volksbeweging -waarvan Aung San Suu Kyi (dochter van) een gezicht was geworden- na 12 maanden, omwille van zware repressie en interne onenigheid.

 

Soetkin Van Muylem

Thema
Land

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze digitale nieuwsbrief.