Op de veiligheidsconferentie in München van 13 tot 15 februari viel op dat de geesten rijpen voor een Europese nucleaire afschrikking. Het debat daarover sluimert al enige tijd, maar het kreeg een sterke impuls na president Trumps agressieve claim op Groenland.
Frankrijk
Tijdens zijn toespraak in München zei de Franse president Macron: “Europa moet een geopolitieke macht worden. We moeten vaart zetten achter alle bouwstenen van een geopolitieke macht en deze ook daadwerkelijk invoeren: defensie, technologie en het beperken van risico’s ten opzichte van alle grote mogendheden door onafhankelijker te worden”. Sinds zijn aantreden in 2017 hamert de Franse president voortdurend op een Europese “strategische autonomie”, met de nadruk op de militaire invulling daarvan. Volgens Macron moet er een nieuwe Europese “defensiearchitectuur” komen die maar volledig is als er ook in een nucleaire afschrikking wordt voorzien, “vooral nu het New START-verdrag is verstreken, dat beperkingen oplegde aan Amerikaanse en Russische arsenalen”.
Dat het niet langer zomaar om een proefballonnetje gaat, bleek uit de toespraak van de Duitse bondskanselier Friedrich Merz op dezelfde veiligheidsconferentie, waarin hij verklaarde dat hij “vertrouwelijke gesprekken is begonnen met de Franse president over Europese nucleaire afschrikking”. Hij bevestigde daarmee zijn toespraak eind januari in de Duitse Bondsdag waarin hij stelde dat zijn regering gesprekken voert over de ontwikkeling van een gezamenlijke nucleaire paraplu met Europese bondgenoten.
Frankrijk vormt met een arsenaal van 290 kernkoppen de vierde grootste kernwapenmogendheid van de wereld. Vier vijfde van dat arsenaal bestaat uit ballistische raketten die vanop duikboten (SLBM’s) worden gelanceerd. Het overige deel zijn kernkoppen op kruisraketten die vanop vliegtuigen worden afgevuurd (ACLM’s). De ballistische raketten die op land zijn gebaseerd heeft Frankrijk in 1996 uit zijn arsenaal verwijderd. Het is de verwachting dat president Macron meer duidelijkheid zal verschaffen over een Europese nucleaire paraplu als hij –over enkele weken– zijn verwachte toespraak houdt over de nucleaire afschrikkingsdoctrine van Frankrijk.
Duitsland
In Duitsland woedt het debat over de noodzaak van Europese strategische autonomie ook al een tijdje. Bondskanselier Merz zei eerder dat de Europese Unie “de taal van de machtspolitiek moet leren spreken”. Bij zijn aantreden als bondskanselier in mei vorig jaar verklaarde Merz dat zijn regering “alle financiële middelen ter beschikking zal stellen die de Duitse strijdkrachten nodig hebben om het sterkste conventionele leger van Europa te worden”. Sindsdien wordt in hoge politieke en militaire kringen openlijk gediscussieerd over het nucleair uitrusten van dat leger.
Veel ruchtbaarheid werd gegeven aan een interview in het Duitse weekblad ‘Stern’ met de Duitse Brigadegeneraal, Frank Pieper, verbonden aan de officiersopleiding in Hamburg. Die stelde onomwonden dat Duitsland een eigen kernwapen nodig heeft. Duitse experts verklaarden daarop dat Duitsland de capaciteit heeft om relatief eenvoudig 340 kernkoppen te ontwikkelen. Dat zou evenwel in strijd zijn met zowel het Non-proliferatieverdrag (NPT) als met het Twee-Plus-Vier-Verdrag dat de hereniging van Duitsland op 3 oktober 1990 regelde en waarin Duitsland bevestigt af te zien van de vervaardiging, het bezit en de controle van kernwapens. Vandaar dat in eerste instantie wordt gekeken naar een Franse en/of Britse nucleaire paraplu. Die zou gelijkaardige vormen kunnen aannemen als de nucleaire taakverdeling in NAVO-verband, waarbij de Verenigde Staten kernbommen stationeert in verschillende Europese NAVO-staten, waaronder België.
Het huidige Europese debat over kernwapens lijkt weinig rekening te houden met internationaalrechtelijke afspraken of de consequenties van nucleaire proliferatie in Europa.
Scandinavische gemeenschappelijke kernwapens
Het debat over de ontplooiing van Europese kernwapens wordt niet alleen in Duitsland gevoerd. In Zweden, Noorwegen, Denemarken en Finland wordt in diverse politieke en mediakanalen geopperd dat het tijd is voor “gemeenschappelijke kernwapens” in Scandinavië en het Noordpoolgebied, en dat het in deze woelige geopolitieke tijden zelfs legitiem is om uit het NPT te stappen. Er is geen vertrouwen meer in de VS voor nucleaire afschrikking tegen de kernwapendreiging vanuit Rusland, zo klinkt het.
Het pleidooi voor een eigen kernwapen -in bedekte termen ook al door de Poolse premier Donald Tusk en partijleider van de PiS (de voormalige conservatieve regeringspartij), Jarosław Kaczyński, gesuggereerd- botst vooralsnog op te veel hindernissen. Het NPT verbiedt niet-kernwapenstaten om nucleaire wapens te controleren of op hun grondgebied te stationeren, en vermoedelijk zouden de huidige Europese kernwapenstaten -zelfs al betreft het bondgenoten- zich verzetten tegen het verder uithollen van hun nucleair monopolie. Bovendien blijkt uit enquêtes in een aantal Europese landen dat slechts een minderheid van de burgers achter het idee staat van eigen kernwapens.
Het is vooral de piste van een nucleaire paraplu via Frankrijk of het Verenigd Koninkrijk die snel terrein wint. Eind januari bevestigde de Zweedse premier Ulf Kristersson in een interview met de Zweedse openbare omroep dat zijn regering besprekingen is begonnen met zowel Parijs als Londen over een mogelijke samenwerking op het gebied van kernwapens en nucleaire afschrikking. “Zolang gevaarlijke landen kernwapens bezitten, moeten gezonde democratieën ook toegang hebben tot kernwapens", aldus Kristersson.
Gezonde democratieën?
Het probleem is dat deze democratieën helemaal niet zo gezond zijn. Kristersson zelf staat aan het hoofd van een minderheidsregering die –op basis van een akkoord– afhankelijk is van de extreemrechtse Zweedse Democraten. Terwijl een Franse en/of Britse kernwapenparaplu voor Europa naar voor wordt geschoven als alternatief voor een “onbetrouwbare” VS-bondgenoot, is de kans reëel dat beide Europese kernwapenmachten in de nabije toekomst bestuurd zullen worden door extreemrechts. Volgens opiniepeilingen kunnen extreemrechtse partijen in beide landen immers een derde van de kiezers bekoren en maken ze dus kans om de volgende regeringen te leiden. Dat is ook de reden waarom de idee van een eigen kernwapen terrein wint in landen als Polen, Zweden of Duitsland. Zweden zou niet aan zijn proefstuk toe zijn. Tijdens de Koude Oorlog, in de periode 1945-1968, werkte het land in het geheim aan een kernwapen.
Zonder eigen nucleaire afschrikking zijn we afhankelijk van de politieke stabiliteit en de politieke wil van onze beschermer, zo luidt het bij voorstanders van een nationaal kernwapenprogramma. Waarom zouden andere Europese landen meer vertrouwen moeten stellen in Frankrijk of het Verenigd Koninkrijk dan in de Verenigde Staten? De idee van een Franse nucleaire afschrikking zou overigens snel kunnen verdwijnen. Marine Le Pen, de leider van het extreemrechtse Rassemblement National, heeft het voorstel van president Macron om een strategisch debat te voeren over de mogelijke rol van Frankrijk in een Europese nucleaire afschrikking, al afgewezen. Zowel Le Pen als Farage (de leider van het Britse rechts-populistische Reform) worden bovendien verweten zich pro-Russisch op te stellen, wat de geloofwaardigheid van de afschrikking tegen Moskou zou ondermijnen.
Open deur voor mondiale nucleaire proliferatie
Het is een verontrustende ontwikkeling dat Europese leiders met een gezamenlijke nucleaire paraplu of zelfs eigen nationale kernwapens denken een antwoord te formuleren op actuele veiligheidsuitdagingen, in plaats van bezig te zijn met een herstel van het nucleair ontwapeningsregime na het wegvallen van belangrijke wapenbeheersingsverdragen als het INF (over korte en middellange afstandsraketten) en New START (over Strategische kernwapens).
Een Europese nucleaire proliferatie zou de deur openzetten voor een wereldwijde nucleaire proliferatie. Zelfs in Japan, het land dat het slachtoffer was van twee gruwelijke atoomaanvallen, weerklinkt de roep naar een eigen kernwapen alsmaar luider. De conservatieve nationalistische premier, Sanae Takaichi, is van mening dat Japan kernwapens zou moeten bezitten. Ze overweegt om de drie nucleaire principes van premier Eisaku Sato uit 1967 (formeel aanvaard door het parlement in 1971) te laten varen. Deze principes stellen dat het land “geen kernwapens zal bezitten of vervaardigen, noch zal toestaan dat deze op Japans grondgebied worden ingevoerd”. De Turkse president Erdogan stelde afgelopen week eveneens dat hij niet uitsluit dat zijn land een kernwapenprogramma zou opzetten indien Iran kernwapens verwerft, om zo de machtsbalans te herstellen. Ook Saoedi-Arabië heeft al zijn belangstelling geuit voor een kernwapenprogramma als antwoord op een Iraanse en Israëlische nucleaire dreiging.
De herzieningsconferentie van het NPT, die eind april dit jaar plaatsvindt met de bedoeling vooruitgang te boeken op het vlak van nucleaire ontwapening, start zo onder een slecht gesternte.