De Europese Omroepvereniging (EBU) heeft groen licht gegeven voor een Israëlische deelname aan het Eurovisiesongfestival. De EBU helpt zo mee aan de normalisering van het Israëlische genocidaal optreden dat aan meer dan 70.000 mensen, het merendeel vrouwen en kinderen, het leven heeft gekost. Dat is ronduit schokkend.
De EBU pareert de kritiek door het “apolitieke karakter” van het festival te beklemtonen. De directie van Eurovisiesong beweert dat de wedstrijd “een neutrale ruimte moet blijven en niet mag worden geïnstrumentaliseerd”.
Deze argumentatie snijdt geen hout. Amper een dag na de Russische invasie in Oekraïne besliste de EBU om Rusland wel degelijk om politieke redenen uit te sluiten met de mededeling dat “gezien de ongekende crisis in Oekraïne, de deelname van Rusland aan het festival van dit jaar, de reputatie van de wedstrijd zou schaden”. Wit-Rusland werd een jaar eerder uitgesloten na de gecontesteerde herverkiezing van president Alexander Lukashenko. De niet-uitsluiting van Israël roept dan ook veel vragen op.
De genocide in Gaza volgt op decennia van koloniale repressie en grootschalige mensenrechtenschendingen tegen de Palestijnen. Hoewel de Israëlische oorlogsmisdaden uitvoerig zijn gedocumenteerd en aangeklaagd, is het na jaren van politieke passiviteit blijkbaar moeilijk om een duidelijke rode lijn te trekken.
Volgens de EBU speelt mee dat de Israëlische omroep KAN -anders dan de Russische- onafhankelijk van de Israëlische overheid opereert. Het bestuur van de Israëlische openbare omroep wordt echter aangesteld door de Israëlische minister van Communicatie Shlomo Karhi, een extreemrechtse hardliner en getrouwe van Netanyahu. Volgens de Israëlische wetgeving moet KAN bovendien een reflectie zijn van de joodse identiteit van de staat Israël. Dat moet dan in combinatie worden gezien met de rapporten van internationale en Israëlische mensenrechtenorganisaties die aantonen dat Israël een Apartheidsstaat is. In de verslaggeving over Gaza volgt de Israëlische openbare omroep gedwee het heersende narratief zoals dat door de regering wordt verkondigd. En daar is weinig tot geen ruimte voor het Palestijnse perspectief, noch voor respect voor het internationaal recht en de mensenrechten.
De EBU-beslissing is ook absoluut onaanvaardbaar omdat journalisten door Israël verhinderd worden om in Gaza aan verslaggeving te doen, terwijl het voor Palestijnse journalisten het gevaarlijkste gebied op aarde is. De Verenigde Naties maakte zopas bekend dat in Gaza zeker 260 mediawerkers zijn gedood. De EBU steekt dus een mes in de rug van Palestijnse collega’s. Volgens de internationale journalistenvereniging RSF is het erg gesteld met de persvrijheid in Israël (plaats 112 op de wereldranglijst).
Hoewel de directie van de RTBF de deelname van België aan het Eurovisiesongfestival heeft bevestigd, roepen we het bestuur van de Franstalige Openbare omroep op om het voorbeeld van Spanje, Ierland, Nederland en Slovenië te volgen en af te zien van deelname. (Op 10 december vervoegde IJsland dit lijstje, nvdr.) We vragen beide Belgische omroepen ook om het Songfestival niet uit te zenden. Ze mogen geen platform bieden aan het witwassen van oorlogsmisdaden en miljoenen kijkers blootstellen aan Israëlische propaganda. De RTBF heeft een morele verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de deelname aan Eurovisie gepaard gaat met het respect voor mensenrechten en democratische waarden.
Dit opiniestuk is een initiatief van SOS Gaza en Vrede vzw en verscheen in De Morgen van 8 december 2025.
Bij de ondertekenaars: Koen Bogaert, Bert Engelaar, Katia Segers, Kris Verduyckt, Yousra Benfquih, Alain Platel, Lore Van De Walle, Jos D’Haese, Ludo Abicht, Eric Corijn, Ludo De Brabander, Marleen Temmerman, Veerle Baetens, Anya Topolski, Jos Geysels, Pieter Embrechts, Hind Eljadid, Sarah Mouhamou, Nic Balthazar, Jan Orbie, Walter Verdin, Johan Depoortere, Brigitte Herremans, Jamila Hamadan Lachkar, Hans op de Beeck, Meyrem Almaci, Orry van de Wauwer, Dalila Hermans, Walter Zinzen, Piet Goddaer, Layla El Dekmak