Kern versus Periferie in de EU
Beeld: Latuff
Kern versus Periferie in de EU
Artikel
7 minuten

Van 1984 tot 2004 was toetreden tot de Europese Unie vrij populair bij grote delen van de bevolking van de betrokken landen. Portugese, Griekse en Spaanse burgers beschouwden de participatie van hun land in de Europese integratie als een garantie voor democratische stabiliteit en als een opportuniteit om de levensomstandigheden te verbeteren. Het is inderdaad zo dat deze 3 landen zich uit een periode van dictatuur aan het werken waren. Er waren ook significante transfers van rijkere landen in de EU, richting de nieuwe lidstaten gedurende de eerste jaren na hun toetreding.

De toetreding tot de Eurozone (de 17 landen die de euro als munt gebruiken) gedurende de jaren 2000 werd ook positief bevonden door de mensen, omdat dit hand in hand ging met stijgende consumptieniveaus, hoewel deze gefinancierd werden door krediet (en dus niet door een stijgend inkomen). Ook in de landen van het voormalige Oostblok zag de bevolking de toetreding tot de EU als een garantie voor democratische stabiliteit, een vooruitzicht op transfers, een mogelijkheid om vrij te bewegen binnen de Unie, de kans op een beter betaalde job in het Westen en toegang tot krediet om consumptie te financieren. Vrij snel werden de overgedragen sommen echter drastisch gereduceerd en een zeker aantal productieve sectoren geraakten in moeilijkheden. De landbouw kreeg bijvoorbeeld zwaar te lijden onder de concurrentie met de meer geïndustrialiseerde en competitieve West-Europese agro-business. De jaren 2008-2010 markeerden een keerpunt in de perceptie die de Europeanen hadden van de EU. Velen werden vrij kritisch, wat hoofdzakelijk het gevolg was van de politiek van de Europese Commissie die de ene neoliberale maatregel na de andere afkondigde om de beruchte ‘vrije en onvervalste concurrentie’ te bevorderen.

Kern en Periferie in de EU

De hiërarchische relaties die er bestaan op mondiaal niveau, met een ‘Kern’ bestaande uit de VS, de EU en Japan, en een ‘Periferie’ bestaande uit de zogenaamde ‘ontwikkelende ’landen, werd op Europees niveau gereproduceerd. De Kern bestaat hier uit de meest machtige EU-landen, waaronder Duitsland en Frankrijk, maar ook Groot-Brittannië, Italië en de voormalige Benelux (Nederland, België en Luxemburg). De Periferie van de EU is onderworpen aan de beslissingen genomen door deze hegemonische Kern en bestaat hoofdzakelijk uit landen die in het zuiden of het oosten van Europa liggen, behalve Ierland dat in het westen ligt. 

De weigering van de EU om een echt gemeenschappelijk beleid te ontwikkelen dat nieuwe lidstaten helpt om hun economische nadeel in vergelijking met de Kern te reduceren, is één van de grote oorzaken voor de structurele verschillen die het proces van een Europese integratie tegenwerken. Gedurende de laatste 10 jaren heeft Duitsland (net zoals Nederland en Oostenrijk) een neo-mercantilistisch beleid ontwikkeld: het voerde zijn export op, in het bijzonder binnen de EU en de Eurozone, door de lonen van de Duitse arbeiders te verlagen. In september 2010 waren er in Duitsland 7.3 miljoen loontrekkenden met enkel een kleine deeltijdse job die slechts 400 euro per maand oplevert. De concurrentiekracht van Duitsland nam op die manier duidelijk toe in vergelijking met zijn EU-partners, in het bijzonder met Griekenland, Spanje en Portugal, maar ook met Roemenië, Bulgarije of Hongarije (die niet tot de Eurozone behoren). Deze landen zagen zich geconfronteerd met een toenemend tekort op hun handelsbalans met Duitsland en de andere landen van de Kern. Het huidige tekort op hun betalingsbalans staat in schril contrast met de overschotten in de Kern-landen, in het bijzonder Duitsland. Dergelijke financiële tekorten, die zowel privé als publiek kunnen zijn, moeten gecompenseerd worden door externe bijdrages: buitenlandse investeringen of leningen. Het huidige balanstekort bestaat voor het grootste gedeelte uit private tekorten, waarvan een meerderheid gefinancierd werd via leningen bij banken uit de Kern. Buitenlandse investeringen waren relatief beperkt (behalve in Spanje) of werden geneutraliseerd door een kapitaalstroom in omgekeerde richting van multinationale ondernemingen die hun winsten naar het thuisland in de Kern repatriëren. Vanuit sommige Oost-Europese landen zoals Hongarije, Slovakije en Tsjechië werden er meer winsten naar het buitenland gerepatrieerd (uitstroom van kapitaal) dan dat er internationale investeringen waren (instroom van kapitaal). Men kan dus argumenteren dat de schulden die door de landen van de Periferie moeten betaald worden eigenlijk te wijten zijn aan het gedrag van de private sector in de EU. In hun onmogelijkheid om te concurreren met de Kern, gingen private bedrijven uit de Periferie leningen aan met banken uit de Kern, maar evenzeer met interne tussenpersonen, want sedert deze landen toetraden tot de Eurozone worden hun economieën in toenemende mate gecontroleerd door de financiële sector.

"Een Europa gebaseerd op solidariteit en samenwerking zou ons moeten toelaten om afstand te nemen van de concurrentie die alle standaarden naar beneden haalt."

De altijd maar hogere intrestvoeten die landen van de Periferie moeten betalen voor nieuwe leningen die zij sinds het begin van de crisis afsloten, zal zorgen voor een verdere kapitaalstroom van de Periferie richting Kern. Deze kapitaalstroom gaat vooral naar private financiële instellingen die schuldenbrieven kopen. Dan lenen ze opnieuw geld aan de landen in moeilijkheden. In het geval van Griekenland met een intrestvoet van 5,2%. Duitsland, Frankrijk en Oostenrijk ontlenen zelf geld aan 2% en lenen dat geld weer uit aan 5,2%. Geld uitlenen of de handel in schulden is voor deze landen dus een zeer winstgevende zaak. Financiële markten eisen nu dubbele of driedubbele intrestvoeten in vergelijking met de jaren 2007-2008 en de ontleende bedragen zijn enorm. Geld dat geleend wordt door de Kern aan Griekenland, Ierland of Portugal wordt terugbetaald aan private banken in landen van de Kern, en de intrestvoeten bij deze banken bedragen vaak 10% of meer. Er vindt dus duidelijk een leegloop plaats van middelen van de Periferie naar de Kern. Gezien het productief voordeel van Duitsland en andere landen van de Kern, vindt de financiële leegloop ook plaats op vlak van de handel, via het mechanisme van de ongelijke ruil. Meer geavanceerde technologie en minder arbeid verbeteren de concurrentiepositie qua productie van de Kernlanden. Ze kunnen hun goederen daardoor aan een te hoge prijs verkopen in de Periferielanden, maar nog altijd goedkoper dan de producten uit die landen zelf. Dit komt bovenop de reeds vermelde stroom van geld van de Periferie naar de Kern. Sommige landen verliezen dus twee keer. 

Een EU gebaseerd op solidariteit 

Verscheidene bepalingen in de verdragen die vorm geven aan de EU, de Eurozone en de Europese Centrale Bank (ECB) zouden geschrapt moeten worden, bijvoorbeeld de artikels 63 en 125 van het Verdrag van Lissabon die elke vorm van beperking op kapitaalsverkeer verbieden, alsook elke vorm van hulp aan een staat in moeilijkheden. We zouden komaf moeten maken met het Stabiliteit- en Groeipact (die bepalen dat het jaarlijks begrotingstekort van de lidstaten minder dan 3% van het BNP moet zijn en het overheidstekort maximaal 60% van het BNP). We moeten grondig sleutelen aan het monetair beleid, de status en de praktijk van de ECB. De onmogelijkheid van de politieke macht om de ECB te dwingen om geld te creëren, is een grote handicap. Toen de EU, de ECB boven de regeringen plaatste -en dus ook boven de burgers- maakte het een desastreuze beslissing want de mens werd op die manier onderworpen aan het geld terwijl het omgekeerd zou moeten zijn. 

Een Europa gebaseerd op solidariteit en samenwerking zou ons moeten toelaten om afstand te nemen van de concurrentie die alle standaarden naar beneden haalt. De neoliberale logica heeft geleid tot de crisis en bewees dus haar eigen falen. Het duwde verschillende sociale indicatoren naar beneden: minder sociale bescherming, minder jobs, minder publieke diensten. De minderheid die won bij de crisis, deed dat door de rechten van de anderen te vertrappelen. Zij die schuldig zijn worden beloond terwijl de slachtoffers het gelag moeten betalen. We moeten deze ongegronde logica -waarop alle teksten van de EU zich baseren- veranderen. Meer dan ooit moeten we streven naar een ander Europa, gebaseerd op samenwerking tussen de staten en solidariteit tussen de volkeren.

Dit nieuwe gedemocratiseerde Europa moet ernaar streven om principes vast te leggen waar men geen koehandel mee kan drijven. Het moet sociale en fiscale rechtvaardigheid verdedigen, keuzes maken die de levenstandaard van haar inwoners verhoogt, zich engageren voor ontwapening en een radicale vermindering van de militaire uitgaven en kiezen voor duurzame energie, zodat we nucleaire energie kunnen vermijden. Verder moet Europa resoluut een einde maken aan zijn politiek van een ‘belegerd fort’ ten aanzien van immigratie zodat het een partner kan worden die vertrouwd wordt omwille van haar eerlijkheid en ware solidariteit  met de volkeren uit het Zuiden. 


Eric Toussain is voorzitter van het Comité voor de Afschaffing van de Derdewereldschuld in België (www.cadtm.com)


Dit artikel verscheen eerder in nr 410 van Vrede - Tijdschrift voor internationale politiek. Voor meer informatie over het tijdschrift  neem contact op via abo@vrede.be of 09 233 46 88

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze digitale nieuwsbrief.